essays

ongepubliceerde brieven
zwart-wit
het schot
kunst van vandaag
de freakshow
stemmen over oekraine
yuja's jurkjes
niet de alpen zien
mother, soldier, devil
verkiezingswinst
ik schreef drie stukjes
het oppositiegenot
praten over poetin
ons lichaam is ons wapen
hennepteelt
goede vrijdag
gezin gezocht
aardse oorlog
het fètakaasschap
mijn biecht
respect voor naema tahir!
persvrijheid
allah en assad
hero brinkman
de arabische lente
professor bratus
boelgakov vertaald
lees maar, er staat niet wat er staat
je zus is een hoer
studenten en democratie
terug





















ongepubliceerde brieven (2015-2016)

23 oktober 2015 (Volkskrant - Asieldebat)


De rol van testosteron in het asieldebat is interessant. Als een inwoonster van Steenbergen tijdens een raadsvergadering over vluchtelingenopvang weigert haar mond te houden wordt vanaf de publieke tribune gescandeerd dat er ‘een piemel in moet’. Dat klinkt inderdaad als een testosterontsunami, maar wel een witte, christelijke, Nederlandse. Het is ironisch dat juist de mensen die verkrachtingen vrezen er zelf mee dreigen. Misschien doet dit niets af aan het argument – it takes one to know one – maar opvallend blijft het. Vrouwen die seksistisch worden bejegend in het politieke debat: is dat nu die beruchte invloed van de islam op de Nederlandse cultuur? Inmiddels zijn de eerste Syriërs op Tinder gesignaleerd. De meisjes in Steenbergen zullen wel interesse hebben, gezien het alternatief.


5 november 2015 (Volkskrant - Feminisme)


Roos Vonk maakt zich zorgen om de toekomst van de mensheid (wel mooier, niet slimmer), omdat mannen niet bereid zouden zijn slimme vrouwen te bevruchten. In een traditioneel gezin voert de man het hoogste woord en bemoeit hij zich met zaken die met intelligentie geassocieerd worden, zoals financiën en politiek. Nu vrouwen even goed of beter opgeleid en geïnformeerd zijn veranderen die verhoudingen. Dat mannen dit als demotie beschouwen is voorstelbaar: ze moeten afscheid nemen van dominantie als vanzelfsprekendheid. Misschien heeft Vonk gelijk en deinzen veel mannen ervoor terug een vrouw in huis te halen die hun de werking van de hypotheek uitlegt. Dat pleit niet voor ze, maar hoe zit het met de slimme vrouw? Staat zij te springen om met een dommere man te trouwen? Raakt ze opgewonden van een man met wie ze geen gesprek op niveau kan voeren? Laat zijn geringer maatschappelijk aanzien en lagere inkomen haar koud? Kortom: wil de vrouw wel een domme man?


20 november 2015 (Volkskrant - Argumentatieleer)


Als de gewaardeerde polemist Max Pam een brief naar zijn eigen krant stuurt, en dus niet kan wachten op zijn column om zijn mening te geven, dan moet hij wel iets heel belangrijks te zeggen hebben. Jammer dus dat het een nogal pietluttige taalkundige afbraak van een obscuur blog blijkt te zijn.

Korpschef Gerard Bouman noemt in dat blog terrorisme 'goddeloos'. Het stoort mij ook wanneer beweerd wordt dat terroristen die zichzelf op islam beroepen geen moslims zijn. Alsof een gematigde moslim - of een niet-moslim, zoals Bouman - meer recht heeft op zijn definitie van islam dan een fanaticus. Een echte man slaat zijn vrouw niet. Een man die zijn vrouw slaat is geen man. Ergo, mannen slaan nooit hun vrouw. Een mooi woordenspel, maar geen zinvolle analyse van een probleem.

Het lijkt mij dat Bouman met 'goddeloos' het bovenstaande bedoelt. Onzin, want sterfbereidheid neemt allicht toe als een dankbare god in een hemels bordeel wacht. Pam kiest er echter voor het nog erger te maken door 'goddeloos' op te vatten als synoniem voor 'atheïstisch' en te suggereren dat Bouman eigenlijk geschreven zou hebben dat Abdelhamid Abaaoud en zijn maten atheïstische terroristen zijn. Dit heet in de argumentatieleer een stropopredenering. Ik ben atheïst en vind het niet 'kwaadaardig' als iemand terrorisme goddeloos noemt, al is het dan een onjuiste conclusie. Pam heeft ofwel lange tenen ofwel een andere, ongenoemde reden om Bouman aan te vallen.


15 januari 2016 (Volkskrant - Vrijheid van meningsuiting)


'Charlie Hebdo heeft een nieuw object van spot gevonden: verdronken 3-jarige jongetjes,' schrijft u. Wat een merkwaardige cartoonexegese. Denkt u echt dat Aylan hier bespot wordt? En zo ja, denkt u ook dat hier 'verdronken 3-jarige jongetjes' in het algemeen bespot worden? Of zou Charlie Hebdo de draak steken met archetypes aan beide kanten van het asieldebat? Mogelijk hebt u de grap niet begrepen, of begrijpt u hem wel, maar vindt u hem desondanks ongepast. Maar waarom plaats u de cartoon dan? Het staat u vrij om niet te kwetsen. En trouwens: als u niet van sarcasme houdt, dan koopt u toch een machinegeweer?


7 april 2016 (Volkskrant - Democratie)


Voorstemmers moeten inmiddels concluderen dat ze beter niet hadden kunnen gaan stemmen - ze hebben immers de tegenstem versterkt. Dat belooft niet veel goeds voor een volgend referendum. Dit systeem ontmoedigt opkomen. Misschien moeten we eens denken aan een minimumopkomst voor het winnende kamp. Dus: als ja noch nee (bijvoorbeeld) 25% van het electoraat achter zich krijgt is het referendum ongeldig. Op die manier is een voorstem tenminste altijd voor en een tegenstem tegen. Bovendien lijkt het me goed voor de opkomst - al zal een aansprekender onderwerp ook wonderen doen.


19 mei 2016 (Volkskrant - De lange arm van Erdogan)


Of het nu met de lengte van zijn arm of geslachtsdeel te maken heeft weet ik niet, maar u heeft in korte tijd drie ingezonden brieven van lezer Theo Maassen uit Eindhoven geplaatst. Zijn laatste inzending was zelfs op rijm, iets wat u normaal gesproken niet zou publiceren, 'hoe goed of leuk ook'.

Als u de bijdrages van deze lezer zo waardeert, waarom geeft u hem dan geen betaalde column? Van dat salaris kan hij dan zijn juridische kosten dekken als Erdogan hapt. Want dat is toch wat u wilt - uw eigen Ebru, uw eigen martelaar?


4 augustus 2016 (Volkskrant - Feminisme)


Briefschrijver Heidenis beklaagt zich over vrouwonvriendelijke berichtgeving over Hillary Clinton. Als een zwarte voetballer wordt uitgefloten is het soms lastig te bepalen of dat vanwege zijn huidskleur of zijn spel is. Zo ook bij die andere narcistische beroepsgroep: politici. De kiezer als collectief gedraagt zich steeds meer als de nar uit vroeger tijden: maak straffeloos de macht belachelijk. Heidenis is 'verbijsterd' door oninhoudelijke commentaren op Clinton, maar heeft zij de afgelopen weken pakweg de Volkskrant over Donald Trump gelezen? Hoe vaak ging het in de verhalen niet over zijn haar, zijn geld, zijn vrouw, zijn paranoia en zijn eerzucht? Een machtshongerig politicus (blank, zwart, man, vrouw, knap, lelijk) wordt bespot in elk land waar ik zou willen wonen.


9 augustus 2016 (NRC Handelsblad - NS)


Maandagochtend stapte ik met 12,50 euro tegoed op mijn ov-chipkaart in de trein van Amsterdam naar Arnhem. Dit traject kost 16,60 euro. Station Arnhem is omheind met poortjes, en eenmaal aangekomen had ik te weinig reistegoed om uit te kunnen checken. Ik kon het station dus niet verlaten en vroeg een medewerker van de NS (die op het openbare deel van het station stond) om het poortje voor mij te openen. In plaats daarvan kwam de cipier naar binnen om me (overigens heel vriendelijk) naar de oplaadautomaat te begeleiden, zodat ik me vrij kon kopen. Veel bedrijven zullen jaloers zullen zijn op zulk effectief debiteurenbeheer. Alleen: in het strafrecht heet dit wederrechtelijke vrijheidsberoving - een misdrijf.


zwart-wit (2016)

Een Italiaans meisje zei me eens dat ze graag een Amerikaans paspoort wilde. Ik antwoordde dat ik wel Italiaan wil worden. Zij vond dat ik er niet Italiaans uitzag. Ik: ik lijk meer op een Italiaan dan Mario Balotelli. Zij: racist! Ze was echt boos een beende naar de supermarkt om Nutella te kopen en haar woede weg te eten. Een andere keer werd ik voor racist uitgemaakt door een zwart meisje dat ik probeerde te versieren. 'Je wil me alleen maar omdat ik zwart ben.' O ja, en die keer in het vliegtuig, toen een Tanzaniaanse zakenman me op grond van mijn huidskleur voor racist hield. 'Jullie Europeanen komen alleen naar Afrika om dieren en armoe te zien.' Toegegeven, ik heb mij vroeger ingelaten met racistische kinderfeesten. Dan zong ik 'ooook al is hij zwart als roet, meent het wel goed' – waarop ik (na het omkopen van een wit paard) beloond werd met pure chocola. Slechts twee procent van mijn Facebookvrienden is zwart, en ik heb nog nooit een Surinamer op mijn verjaardag uitgenodigd. Wel een Chinees, maar die was zelf racistisch. Op de basisschool heb ik de plattegrond van Somalië overgetrokken om kado te geven aan een Somalisch meisje. Ze werd boos – misschien dacht ze dat het een routebeschrijving was. In Zuid-Afrika werd ik door een stel weeskinderen uitgelachen om mijn 'roze' huid. Ik zat eens op een terras met twee Aziaten toen we werden aangesproken: 'weet je waarom de Chinezen de breedbeeldtelevisie hebben uitgevonden?'. De grappenmaker was een Indonesiër, dus een racist kon hij niet zijn. Robert Vuijsje is met de dood bedreigd wegens zijn boek over racisme. Gordon maakte een nummel-43-met-lijst-grap die niet in goede aarde viel, maar dat was waarschijnlijk een complot tegen Gordon. En trouwens, Gordon is homo, dus zal ook wel niet discrimineren. Iemand vindt het lullig dat zijn zwarte zoontje nooit meer Piet kan spelen. Silvio Berlusconi noemde Barack Obama 'bronzato' – gebruind. Martin Simek werd live op tv gekapitteld omdat hij het woord 'zwartjes' in de mond genomen had. In Quentin Tarantino's The Hateful Eight wordt gezegd: 'the blackies don't like to be called niggers anymore'.
Samuel L. Jackson verdient trouwens een Oscar voor zijn rol in die film – maar dat zit er denk ik niet in.

terug

het schot (2015)

Oud-profsprinter Beorn Nijenhuis heeft uitgezocht dat er een verband bestaat tussen de vingervlugheid van een starter en de snelheid van een schaatser. Pardon, hij heeft dat wetenschappelijk aangetoond. Bij DWDD aan tafel presenteerde hij zich gisteravond als erfopvolger van Newton en Darwin. Hij had echter niet de zwaartekracht beschreven of de evolutietheorie bedacht, maar videobeelden van schaatswedstrijden bekeken met een stopwatch in de hand. Een leuk idee, maar niet iets waarvoor je neurowetenschappen hoeft te studeren. (Want dat doet Nijenhuis.) Uit het onderzoek was gebleken dat wanneer een starter de schaatsers langer op het startschot laat wachten, zij trager rijden. (Of sneller, Matthijs was ook in de war.) De verschillen waren groter dan die tussen goud en zilver op de Spelen. Wanneer je in dezelfde race start, zoals bij zwemmen, zou dit uiteraard niet veel uitmaken, maar omdat schaatsers ook met anderen wedijveren die eerder of later starten ontstaat hier oneerlijkheid. De oplossing is simpel: een computer vuurt het startschot, en altijd precies drie seconden nadat hij ‘ready’ heeft gepiept. Een overduidelijke verbetering van de schaatsport, vonden Beorn Nijenhuis, Matthijs van Nieuwkerk en ik. Kunnen we morgen doorvoeren.

Maar we hadden buiten Erben ‘clown’ Wennemars en Mark ‘Clooney’ Tuitert gerekend. Ze hadden kennis genomen van het onderzoek en waren het er ‘niet mee eens’. Het moet gekmakend voor wetenschappers zijn: je hebt de vorm, de leeftijd of de opwarming van de aarde vastgesteld en een paus, politicus of andere patjepeeër is het er ‘niet mee eens’. Als je mazzel hebt gunt hij de wetenschapper nog net het ‘recht op zijn eigen mening’. (Onlangs in een ander praatprogramma sloot een bezorgde burger elk vijandig statement over homoseksualiteit af met de opmerking ‘dat is mijn mening en daar blijf ik mij’.)

Wennemars en Tuitert zeggen vooral ‘anticipatiegedrag’ te vrezen: schaatsers zouden gaan trainen op starten na precies drie seconden. Het moet niet gekker worden! Profsporters die gaan trainen om een bepaalde vaardigheid te perfectioneren! Geef mij maar Jasper Cillessen, die het stoppen van strafschoppen gewoon aan toeval overlaat. Deze sarcastische toon nam Nijenhuis ook aan bij DWDD, wat hem niet erg goed afging, want hij is geen geboren humorist, en niet slim genoeg om Jasper Cillessen erbij te halen. Wat Matthijs helaas vergat te vragen was de werkelijke reden van Wennemars’ en Tuiterts tegenstand. Zouden zij niet vooral bang zijn dat dertig jaren van hun leven in het teken blijken te hebben gestaan van wedstrijden die niet door hun talent en inspanningen, maar door toeval zijn beslist? Of erger: dat uit een volgend onderzoek blijkt dat niet zij schaatsgoden zijn, maar Beorn Nijenhuis?

terug

kunst van vandaag (2015)

Voor wie niet zo'n verfijnde motoriek heeft is de hedendaagse kunst een zegen. Klassiek vakmanschap is al tijden niet meer vereist voor wie voor groot kunstenaar door wil gaan. Het concept, het idee (zeker als je het de idee noemt) geeft de doorslag. Als Rembrandt nu had geleefd had hij voor een lens kunnen gaan staan en zeggen: een bediende – vijf staalmeesters – een van hen gaat juist zitten – of staan – beeldspraak voor de dynamiek van de tijd! – licht van linksboven – laag gezichtspunt. En dan had hij een mooi concept te pakken. Op zichzelf zou ik dit niet onsympathiek vinden – ik ben zelf ook meer een man van theorie – maar het betekent wel dat een ander soort mens dan voorheen, met andere vaardigheden, in staat is toonaangevend kunstenaar te worden. Een goede autohandelaar maakt meer kans dan ooit. Daartegenover staat dat de getalenteerde kunstenaar die een schommelstoel maakt van een spoel of een jacuzzi van twee afgedankte banken – mijn neef – zonder oog of smaak voor publiciteit niet ver komt. Kunst die zo conceptueel is dat de waarde niet meer in te schatten is zonder te weten welke verzamelaar of welk museum het heeft aangekocht is vatbaar voor corruptie. Damien Hirst weet daar alles van. Natuurlijk hadden verzamelaars in de 17e eeuw ook kunnen afspreken dat Jan Steen meer waard is dan Rembrandt, maar dat deden ze niet omdat ze, terecht, liever naar Rembrandts werk keken. Maar tussen pakweg Roosegaardes regenboom in het Centraal Station en mijn neefs spoelstoel zit weinig verschil in conceptuele waarde, alleen heeft eerstgenoemde kunstenaar de gelegenheid gekregen zich bij DWDD en Zomergasten aan het grote en kapitaalkrachtige publiek te presenteren.

Een kunstvorm die ernstig lijdt aan inflatie is de fotografie. Het publiek wordt zozeer overspoeld door instagramfotografie (geringe scherptediepte, gecentreerde focus, gezeefde kleuren) dat een professioneel fotograaf eigenlijk maar twee wegen naar succes kan bewandelen: de top bereiken in dat genre (meestal bruilofts- en andere portretfotografie) of naar lelijkheid streven om je af te zetten tegen het heersende opgepoetste schoonheidsideaal. Geen aanstoot geven is in de mode – al dan niet afgedwongen door geweld – en wat is kenmerkender voor kunstenaarschap dan rebellie? Maar aan de andere kant: wat is essentiëler dan de zoektocht naar schoonheid… Een andere optie is abstractie, een vorm die wat mij betreft nauwelijks zinvol te combineren is met fotografie. In FoAm is een kleine expositie te zien van een fotograaf die papieren vliegtuigjes vouwt, ontvouwt en ten slotte het overgebleven lijnenspel fotografeert. Foto's van A4j'tes dus. Het ontgaat mij waarom de kunstenaar niet de originele velletjes heeft opgehangen – ja, omdat het dan geen fotografie meer is.

Veel kunst is natuurlijk in hoge mate conceptueel. Damien Hirst heeft ideeën, en een team technici om ze uit te voeren. Dat mag ons on-artistiek overkomen – Breughel en Rubens deden op kleinere schaal hetzelfde. In de architectuur is het zelfs altijd de norm geweest. Niemand verwachtte van Giotto dat hij zelf de Florentijnse campanile zou metselen of van Eiffel dat hij aan het lassen zou slaan. De ontkoppeling van kunstenaarschap en vakmanschap is dus niet per se negatief: de wereld zou er niet fraaier op worden wanneer we architectuur aan metselaars overlieten.

Een succesvolle hedendaagse, puur conceptuele kunstenaar is de Japanner Taturo Atzu. Hij 'creëert situaties waarin we letterlijk met onze neus op beelden en architectonische elementen worden gedrukt die we normaliter alleen van grote afstand waarnemen. Een effect dat absurdistisch te noemen is.' Dat schrijft schrijver Rieke Vos in haar essay dat Atzu's nieuwste project begeleidt: het dyslectisch getitelde The Garden Which is the Nearest to God. Deze 'situatie' is een groot wit terras op het dak van de Oude Kerk op de Amsterdamse Wallen. Gelukkig word je er niet echt letterlijk met je neus op architectonische elementen gedrukt. Opmerkelijk is natuurlijk dat Atzu niet alleen zijn eigen kunst niet maakt, maar ook zijn eigen concepten niet. De spits van de Oude Kerk was er al en hetzelfde geldt voor uitzicht over de binnenstad van Amsterdam. Vanuit de Kalvertoren heb je ongeveer hetzelfde uitzicht, plus twee biertjes voor het tientje dat je betaalt voor de beklimming van het kerkdak. Atzu's grootste genie zit volgens Vos in zijn verbeeldingskracht: het je-moet-er-maar-opkomen-argument dat elke kritiek op moderne kunst moet overstemmen. Een groot uitzichtspunt op het dak van een kerk – inderdaad, je moet er maar opkomen. De zwakte van deze kracht is natuurlijk de willekeur ervan. Een gesigneerde toiletpot. Een overgeschilderd statieportret. Een haai op sterk water: Duchamps, Warhol en Hirst kwamen erop. Maar geen van allen heeft ooit, zeg, een draaiende wasmachine met een appel erin geëxposeerd. Waren ze daarvoor niet geniaal genoeg? Ook in FoAm hangt een landschapsfoto van Katy Grannan die vanaf een Vista Point op een Californisch aquaduct genomen. Naar een toeristisch uitzichtspunt gaan en een foto nemen: je moet er maar opkomen. Is het cynisch te veronderstellen dat ergens in een galerie in Amsterdam (of beter: Berlijn) nu foto's hangen van het uitzicht vanaf De Tuin Welke Het Dichtst Bij God Is, in grijstinten uiteraard?

terug

de freakshow
(2015)

Voor een pianoconcert van Beethoven zou ik normaal gesproken niet naar het Concertgebouw gaan, zeker niet wanneer het regent. Om redenen die ik nog onder woorden moet leren brengen valt zo ongeveer alles van Beethoven me altijd tegen, vooral – zo eerlijk moet ik zijn – als ik weet dat het van Beethoven is. Na de pauze stond Mahler geprogrammeerd, componist van ironische posthoorns, carillons en kinderliedjes. Aangezien ook het vooruitzicht met half gepensioneerd Amsterdam bloedserieus naar een georkestreerde versie van Vader Jacob te luisteren me niet bijzonder aansprak had het er alle schijn van dat ik deze zondagavond gewoon thuis zou blijven om Studio Sport te kijken. Maar Yuja Wang soleerde. Zou ik echt kunnen genieten van ADO-Heracles in de wetenschap dat de grootste pianist van mijn generatie anderhalve kilometer verderop een concert geeft waar ik voor vijftien euro (incl. consumpties) bij had kunnen zijn? Ik kon altijd nog in de pauze naar huis.

Toen ik besloten had te gaan liet ik Yuja's management weten dat, mocht zij in contact willen komen met de obscure schrijver en muziekliefhebber Joost de Leeuw, zij een teken kon geven door als toegift de lieflijke elfde prelude uit opus elf van Scrjabin te spelen – een ondergewaardeerde componist waarvoor Yuja en ik onafhankelijk van elkaar een voorkeur hebben ontwikkeld. Vol goede hoop fietste ik naar het Museumplein. De eerste rij was uitverkocht, maar ik kreeg nog een heel behoorlijke plek, tussen Dopper en Debussy. Er werd iets omgeroepen – welcome to the Royal Concertgebouw. Achter me beklaagde een slecht geïnformeerde man zich spottend bij zijn vrouw: 'Het Concertgebouworkést is koninklijk, niet het Concertgebóuw. Terug naar de kleuterschool!' Voor me zat een grote man met verrekijkbril; links een kleine Japanner in een groot pak die zijn iPhone met een veiligheidskabel aan zijn broekriem had gezekerd; hij rook alsof hij juist een fles saké op had. Ik wist opeens weer waarom Vestdijk geen concerten bezocht.

Yuja kwam op, al had niemand het door omdat ze niet majestueus langs het orgel van de rode trap kwam afgedaald, maar via de zijkant het podium betrad. Als je struikelt, dan maar beter uit het zicht. Haar glinsterende zilvergrijze zeemeerminnenjurk was wat langer dan we gewend zijn: tot op de grond. Haar zwarte haar viel, van de zijkant gezien, in een driehoek voor haar oor langs, zodat het leek of ze een haaienvin over haar hoofd had gedrapeerd. (Dat is niet zo respectvol geformuleerd, maar had ze niet onlangs ergens gezegd dat niets haar meer motiveert dan 'guys being assholes'?)

In zijn standaardwerk The Concerto besteedt Michael Steinberg, net als alle andere muziekschrijvers in al hun essays, meer aandacht aan een passage naarmate die eerder in een compositie voorkomt – bovenal dus aan de opening. Het was een noviteit van Beethoven om in zijn Vierde Pianoconcert eerst de solist te laten klinken en dan pas het orkest, en ook nog eens een nauwelijks nagevolgde noviteit. Steinberg weidt zelfs nog even uit over het allereerste akkoord. Hij meldt dat de pedagoog-componist Czerny in zijn boek On the Proper Performance of All of Beethoven's Works for the Pianoforte aanraadt dat akkoord arpeggio te spelen. 'If […] executed with delicacy and exquisite timing, the effect is lovely. Angela Hewitt is the only pianist I have heard do this.' Enfin, de lezer begrijpt al dat ik het Yuja Wang ook heb horen doen, iets wat me totaal niet verbaast. Ze speelde verderop in het eerste deel ook een ongebruikelijke cadenza. Yuja is principieel dwars en dat neemt me voor haar in. Ze bracht soms overdreven accenten aan in de linkerhand, wat een opvallend mooi effect gaf en wat mij betreft navolging verdient. De virtuoze frivoliteiten in het rondo speelde ze zo lichtjes dat de korte snelle noten bijna verloren gingen in de orkestbegeleiding. Dat was niet Yuja's schuld – het San Francisco Symphony Orchestra had zich maar een beetje moeten inhouden. Haar vingers glijden zo vanzelfsprekend over de toetsen, in welk tempo dan ook, dat het moeilijk voorstelbaar is dat Beethoven het zelf beter kon. Yuja Wang is zo virtuoos - het is bijna een freakshow.

Binnen tien seconden na de laatste maat verliet ze begeleid door luid applaus, weer via de zijdeur, de zaal. Had ze haast? Ze bleef weg – wij bleven klappen – en kwam terug. Ze nam weer plaats achter de vleugel en toen ik nog voor het applaus verstomd was haar handen naar het klavier zag vallen wist ik: dit wordt geen Teken. Het was de Turkse Mars.

terug

stemmen over oekraïne (2015)

GeenStijl maakt, vooral op de eigen website, furore met een veelbelovende poging een referendum te organiseren over het associatieverdrag EU-Oekraïne (daar zijn 300.000 handtekeningen voor nodig). Hun voornaamste motieven zijn behoudzucht, nationalisme en het plagen van Pechtold. Het is dus verleidelijk de kant van de regering te kiezen en tegen een referendum te pleiten, omdat de motivatie me niet bevalt, en de uitslag mogelijk ook niet. Maar laat ik nu een hekel hebben aan hypocrisie – vooral natuurlijk die van anderen. Je bent voor referenda of tegen, en niet, zoals D66 nu, alleen voor als je het denkt te kunnen winnen. Op die manier steun je niet het referendum als instituut, maar het onderhavige voorstel. Het zou van politieke moed getuigen die twee dingen los van elkaar te zien. Landelijke referenda komen maar weinig voor in Nederland en als één partij enthousiast zou moeten zijn wanneer het ervan kan komen, is het D66. Toch is het niet onbegrijpelijk dat politici van nature tegen referenda neigen te zijn: zij hebben immers al stemrecht. Een referendum is de verwatering van hun invloed en bovendien lopen zij het risico beleid te moeten voeren waar ze zelf niet achter staan.

Politiek Den Haag herinnert zich nog de blamage van het referendum over de Europese grondwet tien jaar geleden. Dat liep volledig uit de hand omdat kiezers vooral de gelegenheid te baat namen om premier Balkenende dwars te zitten. De VVD probeerde het tij nog te keren door spotjes uit de zenden waarin met oorlog gedreigd werd, wat uiteraard averechts werkte. Een meerderheid van de opgekomen kiezers stemde 'nee' en de regering besloot de uitslag naast zich neer te leggen. Iets soortgelijks zal deze keer gebeuren. Omdat GeenStijl zich niet zozeer richt op voorstanders van referenda als op tegenstanders van uitbreiding van de EU zal het associatieverdrag door de kiezers afgewezen worden. De regering zal vervolgens doen alsof het volk bezwaar had tegen een verkeerd geplaatste komma op pagina 23, maar niet tegen de toenadering tot Oekraïne op zichzelf. Of het zal de nee-stem opvatten als een stem tegen toetreding van Oekraïne tot de EU, maar (terecht) betogen dat het verdrag daar niet over gaat. Dat deed de regering tien jaar geleden ook: erkennen dat de bevolking een Europese grondwet afwijst, maar claimen dat het in stemming gebrachte verdrag geen grondwet ís.) GeenStijl zal daarna alles op alles zetten om het kabinet te laten vallen en Mark Rutte in diskrediet te brengen (dictator, anti-democraat, etc.). Geert Wilders wint de verkiezingen maar kan geen regering vormen en links komt aan de macht, waarop extra miljoenen worden overgemaakt naar Oekraïne.

Ik heb mijn handtekening naar GeenPeil gestuurd, erop vertrouwend dat zeer alleen dit referendum mee aanvragen en geen pizza's mee bestellen.Hoe ik ga stemmen als het referendum er daadwerkelijk komt weet ik nog niet. De drie voornaamste bezwaren tegen het verdrag komen voort uit de volgende passages:

-'financiële bijstand via de relevante EU-mechanismen',
-'een op termijn visumvrije regeling' en
-'de bevordering van respect voor territoriale integriteit'

Het verdrag is een handelsverdrag en moet ook in dat licht geïnterpreteerd worden. Elke vorm samenwerking is natuurlijk een stap dichter bij toetreding, maar dat is niet het doel van deze overeenkomst. Bij financiële bijstand moeten we dus niet denken aan landbouwsubsidies zoals die door Frankrijk en Polen worden geïnd en die een groot deel van het EU-budget opslokken. Wat voor geldstromen er wel in gang gezet worden, dat weet vermoed ik niemand. Ongetwijfeld een boel onnodige betalingen, zoals die ook naar pakweg de provincie Flevoland gaan. Een visumvrije regeling betekent niet dat Oekraïners zich vrij in de EU kunnen vestigen, hooguit dat ze er zonder formaliteiten naartoe en doorheen kunnen reizen, zoals dat nu al geldt voor bijvoorbeeld Zwitsers, Zuid-Koreanen en Australiërs. Niet het einde van de wereld dus. Het derde bezwaar is wel zorgwekkend. Verplichten wij ons Rusland aan te vallen wanneer het de territoriale integriteit van Oekraïne schendt (quod iam)? Nee. Hooguit zullen wij de Russische ambassadeur wat vaker om respect moeten verzoeken. En trouwens, is méér doen niet sowieso onze morele plicht? We vinden allemaal dat verzekeraars verplicht moeten zijn kankerpatiënten als klant te accepteren. We vinden ook allemaal dat Chamberlain een historische fout maakte toen hij half Tsjechië cadeau gaf aan Hitler. (Hoewel die halvering misschien juist in de hand gewerkt wordt door het verdrag: Poetin zal beweren dat de EU Oekraïne probeert te annexeren en alles doen om de hulpeloze Russischtalige bevolking ten oosten van de Dnjepr te beschermen voordat we allemaal homoseksuelen van ze maken.) Maar zover is het nog lang niet: we willen eerst economische barrières slechten. Oekraïne is ook gewoon een stuk land met 45 miljoen consumenten erop.

Het lijkt erop dat ik eigenlijk geneigd ben het verdrag te steunen. Zonder referendum zou ik dus ook mijn zin krijgen. Maar laten we er toch over gaan stemmen, al was het maar om de informatievoorziening naar de bevolking op gang te brengen - want GeenStijl klaagt terecht dat dit soort beslissingen wel erg stilletjes genomen wordt. Bovendien: er zijn maar weinig argumenten tegen referenda die niet in feite anti-democratisch zijn (die je, bedoel ik, niet ook tegen parlementsverkiezingen in kunt brengen). En daarna kunnen we per volksraadpleging een einde maken aan de subsidiëring van dat ordinaire PowNed.

terug


yuja's jurkjes (2015)

Met enige regelmaat steekt ergens een storm op omdat een commentator een vrouw beoordeeld heeft op iets anders dan haar professionele vaardigheden. Meestal is die verontwaardiging zelf een beetje seksistisch omdat de scherpslijpsters vergeten dat vrouwen net zo naar Cristiano Ronaldo kijken als mannen naar Naomi van As: voor elke Eva Jinek een Rik van de Westelaken, voor elke Janine Hennis een Wouter Bos. Doorgaans heeft bovendien zowel het seksisme als het anti-seksisme een gunstig effect op de carrière van het onderwerp van gesprek. (Daarvan zijn de 'boobies' van Jinek een goed voorbeeld, hoewel zo'n veronderstelling natuurlijk bij uitstek seksistisch is.) In de wereld van klassieke muziek ontstaat nu en dan wat vergelijkbare opschudding, eerst omdat Yuja Wang in een soort Bavariajurkje optreedt voor een groep bemiddelde bejaarden, en vervolgens omdat een recensent iets schrijft als 'Her dress Tuesday was so short and tight that had there been any less of it, the [organization] might have been forced to restrict admission to any music lover under 18 not accompanied by an adult'- een citaat dat haar Wikipediabiografie heeft gehaald. Op Youtube is een fragment te vinden van de Chinese televisie die Yuja op vertrouwd communistische wijze op haar plaats zet, en trouwens begint met de seksistische vergelijking 'de vrouwelijke evenknie van Lang Lang'. Als ik op de ondertiteling mag vertrouwen: 'The dress astonished audiences and sparked considerable controversy. Mainland Chinese born in the 1980's are unaware of what is universally acceptable in the western world. [Citizens in China] think Wang showed no respect or sobriety. What Wang wore was a completely contrary to classical style.' Vervolgens komt een aantal kunstenaars, mindere goden neem ik aan, een wit voetje halen in de studio. Het is al met al een tamelijk walgelijke vertoning die in de verte doet denken aan hoe Sjostakovitsj in de Pravda behandeld werd ('Verwarring in plaats van muziek'). Yuja beweert weliswaar dat 'guys being assholes' de beste motivatie voor haar zijn, maar het moet verdriet doen als er in je thuisland zo over je gesproken wordt. Een profeet… etc. Ze droeg het vervloekte oranje jurkje overigens niet voor een concert in Buckingham Palace, maar tijdens een optreden in Hollywood, waar blijkbaar iedereen sexy mag zijn, behalve pianistes, want dat is niet 'universally acceptable in the western world'. De Amerikaanse recensent en de Chinese nieuwslezeres – in Mao-meets-Merkel-uitdossing – moeten Formans film 'Amadeus' eens zien en oordelen of klassieke muziek intrinsiek formeel is, of dat dat alleen maar zo lijkt omdat concerten zo duur zijn dat alleen bankiers er nog heen kunnen. Na een van haar bekendste optredens, de opening van het Lucerne Festival 2009, Prokofievs Derde Pianoconcert, kaarten vanaf 200 euro, reageerde het publiek (in dit geval daadwerkelijk bankiers, want Zwitsers) zo formeel dat het de vraag was of ze wel wakker waren. In de comments bij de opname zegt iemand passend: die lui komen alleen uit hun stoel om champagne bij te schenken. Het is jammer dat wijlen Claudio Abbado, de democraat onder de dirigenten, Luzern koos als thuis voor zijn festival. Yuja Wang is jong, kleedt zich jong, gedraagt zich jong en speelt met een ongekende frisheid en ritmiek. Wat is daar in godsnaam op tegen? Zelf ziet ze dat ook zo: 'I can dress in long skirts when I am forty'. Dat ze zich niet laat intimideren door muziekmoefti's bleek wel vorig jaar in het Concertgebouw, waar ze met het Concertgebouworkest en Omar Tomasoni Sjostakovitsj' Concert voor Piano, Trompet en Strijkorkest kwam spelen. Dat stuk is geen A-repertoire, waarschijnlijk omdat het qua rolverdeling meer een trio dan een concert is, en ook omdat de pianopartij op zijn beste momenten weliswaar aan Poulenc doet denken, maar toch vooral aan, nou ja, aan Sjostakovitsj. De opening van het Lento is weliswaar beeldschoon en letterlijk memorabel, maar daar heeft de pianist weinig mee van doen. De belangrijkste pianopassage is die in de laatste twee minuten van de finale, die echter zo snel bedoeld is, en verspreid over de hele breedte van het klavier, dat geen enkele pianist, behalve kennelijk Sjostakovitsj zelf, hem én accuraat én op het juiste tempo kan spelen –  en als een passage te snel is voor Yuja Wang dan betekent dat dat hij te snel is. Ze speelt probleemloos tientallen noten per seconde – en de juiste noten! – maar zelfs háár vingervlugheid kent grenzen. Het is natuurlijk de makke van het hele genre: het soloconcert dient te vaak als bewijsstuk van virtuositeit, vooral wanneer de componist er zelf mee wilde optreden (Beethoven, Liszt, Dohnanyi, etc). Hoe dan ook – wat een inhoudelijk gelul! De lezer wil inmiddels natuurlijk wel eens weten wat Yuja eigenlijk droeg. Welnu, ze mag van geluk spreken dat de zedenpolitie van de Los Angeles Times niet aanwezig was: twee blote schouders, een dubbele zijsplit tot op de heup, en een reep bloot over de hele rechterzij, de zaalkant, net boven de navel. Bij kering op de trap, op weg naar het encore, frommelt ze ongemakkelijk met de lange lap blauwe stof die tussen haar benen hangt. Mariss Jansons kijkt geïnteresseerd toe, wat des te ongemakkelijker is omdat hij toch al zo veel op Hannibal Lecter lijkt (iets wat je mij over een vrouwelijke dirigent niet zult horen beweren). Maar toch… het is niet haar garderobe die Yuja Wang zo onweerstaanbaar maakt – het is haar talent. Ik kan zelf dat concert van Sjostakovitsj ook wel spelen, maar tien keer trager. Het is wel eens opgemerkt om Cruijffs genie te verklaren: hij leek meer tijd te hebben om beslissingen te nemen en zijn spieren aan te sturen. (In werkelijkheid had hij minder tijd nódig.) Voetballen zal voor Cruijff niet moeilijker zijn dan voor Crouch. Zo doet Yuja Wang ook niet méér moeite voor een pianoconcert dan anderen, nee, het gaat haar juist gemakkelijker af. Ze zegt dat ze nauwelijks oefent. Ze bestudeert natuurlijk de partituur, maar repeteert niet eindeloos. Wat stak Van Hanegem op bij een trainerscursus? Een sigaretje. Technisch perfect spelen is voor Yuja Wang de uitdaging niet: 'Sometimes I feel amazing on stage. Everything's perfect. A bit boring.' Tegen het eind van het concert zoomt de camera in op Yuja's gezicht, om vast te leggen dat ze neuriet, of in zichzelf praat, op het accelererende ritme van de muziek. In een interview noemt ze muziek 'nourishment' en op dat moment zien we haar gevoed worden. Eind oktober komt Yuja weer naar het Concertgebouw en dan zit ik op de voorste rij – al was het maar omdat dat de goedkoopste kaarten zijn.

terug

niet de alpen zien (2015)

Als Tom Dumoulin, die onder contract staat bij de wielerploeg Alpecin, in een reclamespotje zou beweren dat Alpecin zijn lievelingsshampoo is, zouden wij natuurlijk denken dat het toeval de wereld nog niet uit is. Daarom vraagt een stem in het shampoospotje het hem zo: 'Tom Dumoulin, gebruik jij Alpecin omdat Alpecin jouw hoofdsponsor is?', waarop hij zoiets zegt als: 'Nee, ik heb mooi en dik haar en dat wil ik graag zo houden', daarmee toch vooral suggererend dat hij het überhaupt niet gebruikt. Hij spreekt het zinnetje ook niet op een normale manier uit, maar zoals een slechte acteur een slechte acteur zou acteren. Is dit een voorbeeld van het meest verraderlijke reclamegenre – de bewust slechte spot? Is dit het ironische van de ironie? Maken ze het fenomeen reclame belachelijk in een reclame? Als dat zo is, zijn ze wel heel fijnzinnig bij Alpecin, want de uitsmijter moet nog komen: 'Alpecin is de succesvolste mannenshampoo in Duitsland.' Ik parafraseer, want Alpecin zit nu ook weer niet zo verlegen om publiciteit dat ze het spotje op Youtube gepubliceerd hebben. Hoe dan ook, wil jij ook Duits haar? Koop dan eens Alpecin, en laat je niet afschrikken door het flesje, dat ontworpen lijkt voor motorolie. Het geheim van het succes is caffeïne, zo vermeldt de website - en nee, het heeft geen zin om koffie in je haar te smeren. Overigens voert Alpecin 49 weken per jaar een andere slogan, namelijk 'Doping voor je haar', maar die durven ze tijdens de Tour niet te gebruiken. Jammer, want het zou leuk zijn om na een etappe Tom Dumoulin te horen vertellen dat hij, zucht, nee, geen doping gebruikt, behalve voor zijn haar. We weten bovendien dat wielrenners dat soort zinnen wél heel natuurlijk kunnen uitspreken. Maar het beste zou misschien nog zijn: 'Tom Dumoulin, je bent erg vroeg uitgevallen. – Ja, maar mijn haar tenminste niet.'

terug

mother, soldier, devil
(2014)

'To cut pork' is het Amerikaanse antoniem van nivelleren, en de grappige (een op Wikipedia dubbel gedocumenteerd feit) slogan waarmee Joni Ernst deze week een senaatszetel namens Iowa gewonnen heeft was: ´I grew up castrating hogs at an Iowa farm, so when I get to Washington, I´ll know how to cut pork.´ In het officiële campagnefilmpje zijn drie takes nodig om haar die zin te laten uitspreken. Daarna komt een varkentje aan het woord, vervolgens zegt een betrouwbare mannenstem: Joni Ernst: mother, soldier, conservative. Ook krijgen we nog drie van haar standpunten te horen, tegen een achtergrond van schattig knuffelende biggetjes: Cut wasteful spending, Repeal Obamacare, Balance the budget. Eigenlijk is dat één standpunt, maar dat wil niet zeggen dat ze geen andere heeft: ze is bijvoorbeeld tegen same-sex marriage en voor fetal personhood (cellenklompjes zijn volwaardige mensen, zolang ze maar geen homo zijn). Maar bovenal is ze moeder! Ze wil in drie woorden het electoraat overtuigen haar te steunen, en het eerste dat ze kiest is ´moeder´. Niet bepaald een onderscheidende kwaliteit, want iedereen in de Amerikaanse politiek is moeder, en anders wel vader. Daarnaast is de vraag of het feit dat ze een dochter heeft méér over haar zegt dan dat ze of heel weinig seks heeft of zondige voorbehoedsmiddelen gebruikt. Kan een moeder meer wapenrestricties afschaffen, meer armen uit de zorgverzekering werken en meer zwakbegaafden executeren dan een kinderloze vrouw? Of een man? Of een soldaat? Hmm... misschien moeten we een soldaat!

Maar als je denkt: soldaat, soldaat, soldaat... ze zal wel chef logistiek zijn geweest – dan zit je er niet ver naast. Ernst heeft de vrijheid genomen het woord ´soldaat´ te gebruiken als overkoepelende term voor iedereen die iets met het leger te maken heeft. (Zo zou ik me als ´moeder´ kunnen aanprijzen omdat ik weleens boodschappen voor mijn moeder doe.) Helaas is in de Verenigde Staten het leger een afgod, dus toen een politieke rivaal Ernst vroeg waarom ze in de staatssenaat 117 stemmingen had gemist antwoordde ze dat hij die vraag niet gesteld zou hebben als hij zou weten wat het betekent om je land te dienen. Dat later bleek dat ze tijdens slechts 12 stemmingen inderdaad legerlogistieke verplichtingen had deed daar niets aan af. First female veteran in the history of the U.S. Senate. En conservatief, tja. In Alabama zijn ze zo conservatief dat na 17 jaar nog steeds niemand heeft geprobeerd zittend senator Jeff Sessions te verslaan, die zodoende 100 procent van de stemmen kreeg. Dat lukte Joni Ernst niet, dankzij tegenstand van vader, lawyer, kippenhater Bruce Braley en dood, overleden, wijlen Douglas Butzier. Hen achterlatend op en in de Iowaanse klei gaat Joni Ernst, gesteund door God en Sarah Palin, naar Washington, ´to make ´em squeal-ah-wu-ha-ha-ha!´

terug

verkiezingswinst (2014)

Hoe kan het dat na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen alle aandacht uitgaat naar de leider van een partij die slechts 16 van de 8570 zetels heeft gewonnen? Doordat die leider de meest get
Hoe kan het dat na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen alle aandacht uitgaat naar de leider van een partij die slechts 16 van de 8570 zetels heeft gewonnen? Doordat die leider de meest getalenteerde provocateur is uit de geschiedenis van de Nederlandse politiek. Niemand slaagt erin ook maar enige belangstelling te wekken voor de verkiezing van gemeenteraadsleden, de kranten staan vol met opiniestukken over het einde van het huidige politieke systeem, en één politicus, die zelf zo goed als niet meedoet aan die verkiezingen, spreekt één zin uit en heel het land is wakker. Hij zei dat hij voor de gemeente Den Haag 'als het even kan wat minder Marokkanen' wenst. Dat is een uitspraak van het kaliber-kopvoddentax: smakeloos. Hij bedoelde dat hij immigratie wil beperken en veroordeelde criminelen met een dubbele nationaliteit wil uitzetten, maar formuleerde het bewust nogal vulgair. Dat bleek wel toen hij het op het feestje waar hij de verovering van 0,2 procent van de zetels vierde de zin nog eens herhaalde, nu in vraagvorm. Wilt u meer of minder Europese Unie? Meer of minder PvdA? Meer of minder Marokkanen? Minder! Minder!, scandeerde het publiek. Dan gaan we dat regelen!, grijnsde hij. Ironisch genoeg regelde hij met die woorden dat hij nooit meer iets zal regelen. Als zelfs Mark Rutte een vieze smaak van je in zijn mond krijgt, dan heb je het echt verpest. Intussen vragen velen zich af zijn woorden niet heel erg klinken als: Minder Joden? Gaan we regelen! Dat zou natuurlijk onacceptabel zijn, tenzij je het over de Westelijke Jordaanoever hebt. Die woorden zullen trouwens binnenkort door enkele imams worden uitgesproken om de hypocrisie van de Nederlanders aan te tonen. (De Nederlanders die het niet erg vonden als Mohammed met een bom op zijn hoofd werd getekend, maar wel geschokt waren door een prent waarop Anne Frank Hitler verleidt.) Want er zal niets gebeuren. Laten we tenminste hopen dat het OM niet weer gedwongen wordt met tegenzin een kansloos proces tegen hem te voeren. Een partijgenoot heeft de gelegenheid te baat genomen zijn eigen fractie te beginnen – kwam dat even goed uit, onder deze omstandigheden verwijt niemand je kiezersbedrog, ouwe zeteldief! Hij verlaat het zinkend schip op volle zee, nadat het tientallen prachtige havens heeft aangedaan; kopvoddentax, daar kon hij wel mee leven, maar minder Marokkanen, dát is verdomme de druppel, daarvoor was hij niet bij de PVV gegaan!
    Steeds als de provocateur provoceert verbaas ik me over de verbazing. Het is toch niet verrassend dat de man die een bouwstop wil voor moskeeën, die belasting wil heffen op sluiers, die kortom van discriminatie zijn handelsmerk maakt –  het is toch niet verrassend dat die man 'als het even kan wat minder Marokkanen' wil? En dat zijn afkeer niet alleen criminele Marokkanen geldt weten we al sinds zijn onbeschoft wantrouwige behandeling van collega-politici van Marokkaanse afkomst. Het echte probleem lijkt me niet de politicus – hij is immers niet uitzonderlijk charismatisch of intelligent en kan en zal op een dag vervangen worden door een andere ploert. Waarom richten al die verontwaardigde kamerleden, journalisten en betrokken burgers hun woede niet eens tot de anderhalf miljoen Nederlanders die nog steeds op de provocateur willen stemmen? Als hij zo'n racist is, en als we dat nu al jarenlang weten, dan zijn die anderhalf miljoen dat toch ook?
    Het is al vaak opgemerkt dat veel van die mensen in gebieden wonen waar helemaal geen Marokkanen zijn. Vermoedelijk willen ze dat zo houden. De leider van de niet-racistische PvdA is een jaar lang 'straatcoach' geweest in Amsterdam en concludeerde dat Marokkaanse jongens een 'etnisch monopolie op overlast' hebben. Het Sociaal Cultureel Planbureau noemt de criminaliteit onder allochtone jongens 'schrikbarend'. Waarom gaat journalist Rob Wijnberg niet eens naar Volendam of Venlo om te vertellen (zoals hij op zijn blog schrijft) dat er bij hem in Amsterdam-West binnen één jaar al vijf keer is ingebroken door Marokkanen, maar dat dat nog geen reden is om te discrimineren? Het is een nogal stoïcijnse boodschap. Als ik moest kiezen tussen vijf inbraken per jaar of een racist genoemd worden, dan wist ik het ook wel. Altijd als een cameraman een Marokkaanse wijk bezoekt komt hij terug met beelden van agressieve, baldadige jongens die spugen op Nederland. Dat dat soort beelden een zekere afkeer voedt begrijp ik wel, en er zullen altijd cynische politici zijn de er gebruik van maken. Wat écht zou helpen, en wat de racisten alle wind uit de zeilen zou nemen, is een mentaliteitsverandering en een flinke daling van de criminaliteit onder Marokkaanse jongens.
    ps. Is het iemand al opgevallen dat het CDA de verkiezingen gewonnen heeft?


terug

ik schreef drie stukjes
(2014)


Wat u met liefde hebt gemaakt, mag u ook met liefde aankleden

Een plakkaat met die tekst en een afbeelding van een naakt stel met een naakt kind hangt op de gevel van kinder- en tienerkledingwinkel ´t Schooltje op de Overtoom. ´Mogen´ betekent ´toegestaan, maar niet verplicht zijn´. Mogen suggereert keuzevrijheid. De uitspraak ´Alles mag, niets moet´ is in feite twee woorden te lang. Van zo´n krachtig woord moet dus wel misbruik worden gemaakt. En inderdaad, wie wel eens een baas heeft gehad - of een moeder - of een vriendin, weet dat ´mogen´ vaak als eufemisme voor ´moeten´ wordt gebruikt. (Zoals ´democratisch´ vaak ´dictatoriaal´ betekent en ´vrijheid´ ´onderdrukking´.) ´Je mag vanmiddag ook nog even de post sorteren.´ Vooral in sectoren waarin voor elk woord een eufemisme bestaat - denk aan de zorg, met zijn ´problematieken´ - moet die verschijnsel alomtegenwoordig zijn. ´Daarna mag je onze gast meneer De Vries nog even in zijn peristaltiekproblematieken begeleiden. En anders dan de woordkeuze van je leidinggevende (eufemisme voor baas) doet vermoeden kan je antwoord daarop nooit zijn: ´Oh, bedankt, maar ik ga liever naar huis.

Natuurlijk is een eufemisme soms op zijn plaats. Hoe kan een kinderkledingwinkel immers adverteren met: ´Heb je geneukt? Dan moet je dokken!´? (Of, erger: ´Neukte je? Dokken dan!´ - zoe het stukje hieronder.) Ik zal de formulering ´met liefde maken´ dus ongemoeid laten. Maar: ´mag u ook met liefde aankleden´?! Dat bepaald ik zelf wel! ´Maar dat zeggen we toch ook? U mag uw kind met liefde aankleden.´ Goh, bedankt. Mag ik u dan grif betalen voor die kleren die u met liefde hebt gemaakt? - hé, waarom klinkt dat opeens zo schuins?

Ik weet niet wie Els Borst vermoordde

Aantonen dat Peter R. de Vries belachelijk is is als het uitleggen van een grap, dus dat zal ik achterwege laten, maar toen bovenstaande tweet mij bereikte - niet via Twitter, want daar doe ik niet aan - droeg dat bij aan een overtuiging die al langer groeiende is: dat de voltooid verleden tijd verloren ging. Nog niet definitief, want dat zou ´verloren ging´ in dit verband niet  zo vreemd klinken, maar de onvoltooid verleden tijd is onmiskenbaar in opmars. Een kennis die haar geld verdient met schrijven (de lezer neme vanaf nu mijn jaloezie in overweging) linkt soms op Facebook naar haar stukjes met als begeleidende tekst: ´Ik schreef een column over dit-en-dit´, of ´Ik interviewde die-en-die´. Waarom schrijft ze niet: ´Ik heb die-en-die geïnterviewd?

Eerlijk gezegd: ik weet het niet. De theorie is ingewikkeld, ingewikkelder dan in het Latijn, of het Engels. Wat ´voltooid´ en ´onvoltooid´ is is soms maar moeilijk te beredeneren. (Probeer het maar eens bij elke verleden tijd die ik in deze stukjes gebruik.) Toch voelen de meeste mensen wel aan dat ze maandagochtend hun collega´s moeten vragen of ze ´nog wat leuks hebben gedaan dit weekend´, in plaats van of ze ´nog wat leuks deden dit weekend´. Maar als ik bovengenoemde schrijfster zou vragen: ´Nog wat geschreven de laatste tijd?´ zou vreemd genoeg haar antwoord zijn: ´Ik schreef een column en het derde hoofdstuk van mijn boek.´

Is dit de invloed van het Engels? Van door social media afgedwongen beknoptheid? Is het gewoon een fout die wordt overgenomen omdat hij wordt gemaakt door mensen van wie je geen fouten verwacht, waardoor het een modieus stijlmiddel lijkt? En bovenal: is het kies om Els Borst van moord te beschuldigen?

Het had bij rust drie-, vier-nul moeten staan

Het zou hilarisch zijn om teksten uit het achtuurjournaal uit te schrijven en terug te lezen, vooral als je je bedenkt dat ze in werkelijkheid eerst uitgeschreven zijn en daarna primetime op de nationale televisie voorgelezen. Maar zo gemakzuchtig ben ik niet. Een goede tweede is Studio Sport van zondag zeven uur, en dan met name de interviews met voetbaltrainers. Nu zou het voor de meest eloquente beroepsspreker nog lastig zijn week-in-week-uit hetzelfde te zeggen op een andere manier, laat staan voor voetbaltrainers, en bovendien maak ik me zelf ook aan herhaling schuldig, want dit fenomeen is echt al honderd keer gesignaleerd, maar ik wil er toch op wijzen dat trainers tegenwoordig niet alleen de meest basale grammaticale regels schenden, maar nog een stapje verder gaan in hun newspeak: de laatste trend is dat ze zich met statistiek inlaten. Het begon met het onderscheid tussen ´mogelijkheden´ en ´kansen´: ´Ze hebben wel mogelijkheden gehad, maar geen kansen.´ Een kans is vermoedelijk een schot dat slechts door ingrijpen van verdediging of keeper geen doelpunt werd. En een mogelijkheid is dan een situatie die, beter uitgespeeld, tot een kans had kunnen leiden. Omdat het onderscheid mogelijkheden-kansen niet bleek te voldoen werden kansen onderverdeeld in ´kansen´ en ´honderd-procent-kansen´. Een honderd-procent-kans is een kans die de gemiddelde Studio Sport-kijker zou benutten, maar Lex Immers niet Omdat het eigenlijk vreemd is om een bal die naast geschoten wordt door iemand die een half miljoen per jaar verdient om te scoren een honderd-procent-kans te noemen introduceerde Immers´ trainer Fred Rutten (als ik hem tenminste goed verstond) afgelopen zondag de ´vijfentachtig-procent-kans´. Kennelijk gaat achter wat ik als woordenspel beschouwde een grondige analyse schuil! En dat verklaart meteen een andere opmerkelijke tendens. Al langer proberen trainers namelijk de aandacht af te leiden van het werkelijke resultaat door te speculeren over wat er anders gegaan had kunnen zijn. Dit klonk meestal als: ´Als [...], dan speel je een heel andere wedstrijd.´ of ´Als Zoet die bal vasthoudt, dan ga je met vertrouwen de rust in.´ Maar tegenwoordig wordt zo´n min of meer abstrace aanname statistisch doorberekend en verklaart de trainer: ´Eigenlijk had je voor rust al drie, vier keer moeten scoren.´ Met andere woorden: ´Als er in het voetbal veel vaker gescoord zou worden dan in werkelijkheid het geval is, en als dat altijd voor ons, maar nooit voor onze tegenstander zou gelden, dan zouden we veel vaker winnen.´ Ga zo door, Philip, Frank, Fred - nog 26 finales en dan is het seizoen alweer voorbij!

terug

het oppositiegenot (2013)

In een cynische bui vraag ik me wel eens af hoe Geert Wilders het zou vinden als alle moslims zich op een dag tot het atheïsme zouden bekeren. Zou hij tevreden zijn met zijn inspanningen of teleurgesteld dat zijn lievelingsvijand moderner bleek dan hij gehoopt had? En stel dat nog dezelfde dag de Europese Unie zich opheft en Nederland de gulden herinvoert. Vervolgens wordt besloten alle kunstsubsidies aan de opvang van straathonden te besteden. Wilders' missie zou geslaagd zijn, maar is zijn persoon bevredigd? Zou hij zich terugtrekken in een Hongaars dorp, genietend van zijn welverdiende rust?

Dezelfde twijfel overviel me toen eerder dit jaar een aantal Greenpeace-activisten bij het enteren van een Russisch schip in aanraking kwam met de Russische autoriteiten. Was dat niet gebeurd, dan had de hele actie waarschijnlijk nauwelijks aandacht getrokken. Greenpeace heeft Poetin uit de tent gelokt en de prijs was dat enkele activisten een tijdje in een Karelische cel gezeten hebben. Als je ze van te voren had gevraagd: ben je bereid naar de gevangenis te gaan ten behoeve van de zeehond/de poolkap/de blauwvintonijn, dan was het antwoord vermoedelijk ja geweest. Ik geef toe dat het raar was geweest om Poetin te bedanken, maar de verongelijktheid die de arrestanten nu tentoonspreidden was ook enigszins potsierlijk.

Nu een vergelijkbare situatie: het was de afgelopen dagen opvallend rustig op Facebook. Degenen die het afgelopen jaar aandacht besteed hebben aan de lotgevallen van Pussy Riot, waaronder ikzelf, hielden zich stil toen bekend werd dat Poetin ze gratie heeft verleend. Terwijl we toch tevreden mogen zijn? Het verspreiden van de leus Free Pussy Riot had toch tot doel de vrijlating van Pussy Riot? Of was het overdrachtelijk bedoeld? We mogen toch blij zijn dat de dames thuis zijn voor kerst – zelfs voor westers kerst? Poetin kon twee dingen doen: de protesten negeren en Pussy Riot gevangen houden – zoals een despoot zou doen – of luisteren en Pussy Riot vrijlaten – zoals een zelfverzekerd democraat zou doen. Vooraf zou iedereen voor mogelijkheid twee gekozen hebben, maar nu die verwezenlijkt is is het weer niet goed. Zelfs de bandleden zelf balen ervan. Maria Aljochina zegt: 'Als ik de mogelijkheid zou hebben gehad was ik gewoon in de gevangenis gebleven, zonder twijfel. We hadden nog maar een paar maanden celstraf te gaan, dit is geen humaan gebaar, dit is gewoon pr.' Ze had overigens nog een half jaar te gaan, wat me veel lijkt voor een vrouw in de kracht van haar leven (ze is althans even oud als ik). Ik begrijp wel dat ze geen dankbaarheid wilde tonen aan de man zonder wie ze überhaupt niet gevangen had gezeten, en ik kan waarderen dat ze alweer aan het demonstreren sloeg zodra ze één been buiten de gevangenis had gezet – misschien wilde ze werkelijk terug – maar ergens doet het me ook denken aan politici die klagen dat de regeringspartij hun standpunten gestolen heeft.

Het is natuurlijk goed mogelijk dat Aljochina en alle zwijgende activisten gelijk hebben als ze Poetin een publiciteitsstunt verwijten. Natuurlijk wil Poetin wat gras wegmaaien voor de voeten van zijn critici, vlak voor de Olympische Spelen, maar who cares? Een goed gemaaid gazon was toch het doel? Hoe belangrijk is het motief als de uitkomst gunstig is? Als Poetin zijn macht wil demonsteren door oppositie toe te laten, dan beweegt hij toch richting het democratisch ideaal? Misschien is hij ook wel te trots om toe te geven dat hij hardvochtig was en heeft hij een moment afgewacht waarop zijn tegenstanders een ander motief zouden vermoeden. Poetin is ook cynisch, natuurlijk. Hij heeft ingegeven, zonder dat het lijkt op terreinverlies. Maar terreinverlies is het, de schreeuwlelijken zijn vrij. Maria is óók tegen Poetin! – de moderne kerstgedachte.

Laten we hopen dat de wereld in 2014 een beetje beter wordt, maar dat er genoeg onrecht blijft bestaan om ons over op te winden.

terug

praten over poetin
(2013)

Gisteravond nam ik deel aan een publiek debat over hedendaags Rusland naar aanleiding van een recente briefwisseling in NRC Handelsblad. Student Russisch Tobias Wals had zich er in een ingezonden stuk over beklaagd dat hij zich steeds vaker moet verantwoorden voor zijn studiekeuze, doordat onder Nederlanders zo'n negatief beeld van Rusland heerst. Ik vind niet dat het de taak van een slavist is om Rusland in een goed daglicht te zetten. Hij volgt het land weliswaar met een groter dan gemiddelde belangstelling en heeft toegang tot diversere bronnen – maar een slavist is een wetenschapper, geen lobbyist. Als hij ontdekt dat er iets loos is, dan is hij niet moreel verplicht dat te verzwijgen of verbloemen.

Er zijn verschillende redenen waarom dat toch gebeurt. Jelle Brandt Cortius is bang dat hij met 'bepaalde krachten' in aanraking komt, Floris Akkerman wil niet riskeren dat hij überhaupt geen journalist meer kan zijn in Rusland, en het Expertise Centre of the Russian Federation, mede-organisator van de avond, wil de handel tussen onze naties bevorderen. Zelf heb ik zulke belangen niet. Als mijn visum geweigerd wordt slaap ik daar geen nacht minder om.

Maar waar de discussie had moeten gaan over de rol van de slavist in het maatschappelijk debat, ging het al snel over de inhoud van dat debat. Dat ging ongeveer zo:
'Dus jij vindt niet dat er genuanceerder bericht moet worden over Rusland?'
-'Nee, dat vind ik niet. Als een land geleid wordt door een crimineel, dan is het toch de taak van Nederlandse journalisten om dat te zeggen?'
'Poetin is geen crimineel.'
-'Poetin is wel een crimineel.'
'Kun je dat bewijzen? Waar haal jij je informatie vandaan?'
-'Waar haal jij je informatie vandaan?'

Later bedacht ik me dat we het misschien niet oneens waren over Poetins kerfstok (want zou een genuanceerd mens de grootschalige verkiezingsfraude, de wrede oorlog in Tsjetsjenië, het hoge sterftecijfer onder journalisten ontkennen?), maar over de definitie van 'crimineel'. Het is een bekend verschijnsel. Als een jongen een appel steelt is hij een kwajongen. Als een Marokkaan een appel steelt is hij een dief. Als Dirk Scheringa een boomgaard steelt is hij een slimme zakenman. En als Poetin een rechter omkoopt, een journalist bedreigt, een dorp laat plunderen dan is hij de Grote Leider die Rusland welvaart heeft gebracht. (Welvaart die, dat wel, grotendeels is gedistribueerd onder zijn vrienden.)

Het herhaardelijk gekozen voorbeeld van repressie in Rusland was de opsluiting van de protestband Pussy Riot in een werkkamp. Tobias Wals had daar naar mijn smaak wat te laconiek over geschreven in zijn stuk. Het soort nuance dat hij zoekt (probeer te voelen wat een Rus voelt als zijn president en zijn kerk bespot worden) lijkt me niet de nuance waarmee Pussy Riot geholpen is. En dat wil je toch, als democraat? Dat Pussy Riot uit de kerk getrapt wordt en daarmee de kous af is? 'Maria is ook tegen Poetin', zongen de meisjes. Drie jaar werkkamp. De discussie werd onderbroken door een Rus die de microfoon overnam en vertelde dat Rusland al twintig jaar een democratie is en dat homo's er prima hand in hand over straat kunnen. Dat eerste is zeker niet waar – Rusland is immers al sinds 1917 een democratie! – en dat tweede... ik zou het niet durven testen.

Zoals wel vaker gebeurt in het Ruslanddebat werd de homokwestie dominant. Dat was ook mijn schuld, want ik impliceerde dat Pussy Riot lesbisch was, omdat ik dacht dat dat zo was. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Er zijn echtgenotes en moeders bij. Die hun kinderen niet meer kunnen zien omdat ze in een werkkamp zitten omdat ze Poetin beledigd hebben. Nee! Dat zeg ik verkeerd. Omdat ze de Gewone Rus beledigd hebben. Hadden ze maar wat genuanceerder moeten zijn.

Naar aanleiding van NRC Handelsblad 10 oktober 2013:

'Wat is het toch merkwaardig dat studenten Russisch zich vaak geroepen voelen alles wat Russisch is te verdedigen, inclusief het bewind. Volgens Tobias Wals moeten we een genuanceerder beeld ontwikkelen van 'meisjes die verkommeren in een strafkamp'. De meisjes in kwestie, Pussy Riot, hebben namelijk iets gedaan wat 'voor veel Russen pijnlijk was'. Maar dat is toch juist het probleem? Dat het voor veel Russen pijnlijk is wanneer iemand ze vertelt dat hun regime niet deugt? Rusland is in veel opzichten onvrijer dan het 100 jaar geleden was, en de ongelijke verdeling van welvaart, die tot de revolutie van 1917 leidde, is weer helemaal terug, met dat verschil dat de grootgrondbezitters van nu zich op geen enkele culturele traditie kunnen (en willen) beroepen. Poetin maakt goede sier met zijn diplomatieke interventie in Syrië, maar op de Kaukasus, en in kringen van activisten, journalisten en homoseksuelen, kan men alleen maar hopen dat hij intern voortaan even vredelievend en dialoogbereid zal zijn. Wals zou zich niet moeten hoeven verantwoorden voor zijn studiekeuze – want de Russische taal is prachtig en de geschiedenis fascinerend – hij hoeft alleen maar afstand te nemen van een repressief bewind.'

terug


ons lichaam is ons wapen (2013)


Volgens een artikel in de Volkskrant van vanochtend zien scholen zich gedwongen kledingvoorschriften te hanteren nu de mode deze zomer buitengewoon bloot is. Bij het artikel is een foto afgedrukt van vier meisjes van 14 in de kleren die zij wel willen, maar niet mogen dragen op school. Het lijkt er inderdaad op dat zij alles – of eigenlijk nogal weinig – uit de kast hebben gehaald om zo veel mogelijk hitsige aandacht uit te lokken. Een docente heeft de meisjes naar huis gestuurd om zich om te kleden, met de toevoeging dat 'het hier geen uitgaansgelegenheid is'. Maar in de uitgaansgelegenheden waar ik kom gaan meisjes óók niet zo gekleed. De meisjes dragen rokjes en hotpants die de benen nauwelijks bedekken en decolletés die voor hun leeftijd tamelijk voorbarig zijn. De schoolleider is accurater als hij opmerkt dat 'je hier niet naar het zwembad gaat'. Het was mij in de stad ook al eens opgevallen dat zelfs het ontbloten van een deel van de billen geen taboe meer is. Het commentaar van één van de meisjes op de restricties (minimaal vijf centimeter broekspijp): 'Belachelijk, je mag toch zelf weten wat je aandoet? Ik vind die nieuwe korte broekjes juist erg leuk, zo is nu de mode. En de jongens zijn er ook enthousiast over. Die vinden het helemaal niet leuk dat ze nu niet mogen op school.' Ja! Natuurlijk zijn de jongens er enthousiast over! Dat zouden ze ook zijn als jullie naakt in de les verschenen. Maar dat enthousiasme heeft niets te maken met waardering of respect. Ze vinden het niet eens per se aantrekkelijk, maar gemakkelijk. En sinds wanneer is dat nastrevenswaardig?
 
De suggestie, die altijd wel weer ergens opduikt, dat sensueel geklede vrouwen misbruik over zich afroepen is schandalig, en kan niet hard genoeg bestreden worden, want mannen hebben gewoon hun handen thuis te houden, hoe groot de verleiding ook is. (Je vindt in Amsterdam zoals bekend ook mannen die zo beheerst worden door hun verlangens dat ze hun vrouwen dwingen geheel bedekt over straat te gaan; de Tunesische Amina moet vrezen voor haar leven na het posten van een topless zelfportret op haar blog, terwijl nergens meer porno wordt gekeken dan in de Arabische wereld.) Maar wie zich halfnaakt in het openbaar begeeft kan niet verwachten dat mannen doen of hun neus bloedt. En dat is natuurlijk ook de verwachting niet. Het ergste wat een meisje van 14 kan overkomen is dat de jongens op school de andere kant op kijken als ze langsloopt. Maar wat is er gebeurd met hard to get? Denken die meisjes dat de kwaliteit van manlijke aandacht toe zal nemen met het prijsgeven van hun lichaam, of zijn ze al tevreden met kwantiteit?
 
Een van de redenen waarom ik geen sterke kinderwens heb is de angst voor onuitstaanbaar nageslacht. Niet alleen kan je dochter gekmakend oppervlakkig en ijdel uitvallen ('Roos bespreekt dagelijks voor ze naar school gaat via de whatsapp met haar vriendinnen wat ze die dag zullen aantrekken.'), ze is ook nog eens in staat de krant te bellen om haar recht op hoerigheid op te eisen. Want de jongens vinden het leuk! Maar begrijpelijkerwijs zijn niet alle vrouwen verguld met aandacht die ze aan hun uiterlijk in plaats van hun karakter of prestaties te danken hebben. Een succesvolle vrouw krijgt vaak het verwijt ofwel zich te manlijk te gedragen, ofwel te veel gebruik te maken van haar vrouwlijkheid. Zolang wij leiderschap, slagvaardigheid en ambitie als manlijke eigenschappen blijven zien komt daar natuurlijk nooit verandering in. Het wordt tijd dat mannen onderkennen dat vrouwen in zulke situaties niet op mannen lijken, maar dat mannen én vrouwen op mensen lijken. Tegelijkertijd zullen vrouwen nooit ophouden hun seksuele aantrekkingskracht om te zetten in gewin van velerlei soort. Maar waarin verschilt dat van de wijze waarop Kennedy, Clinton en Obama zich aan den volke presenteren?
 
Boven mijn aanrecht hangt een ingelijste foto van drie activisten van de Oekraïense groepering Femen. Op hun naakte borst staat geschreven: 'NEW FEMINIST', 'I AM FREE' en 'PAS UN OBJET'. Op de muur achter ze is gekalkt: NOTRE DIEU EST LA FEMME / NOTRE MISSION EST DE PROTESTER / NOS ARMES SONT NOS SEINS NUS. De foto blijft me fascineren. Je lichaam gebruiken om tegen seksisme te strijden – ik kan nooit naar Femen kijken zonder aan Mulisch' befaamde essay 'Het ironische van de ironie' te denken. Toch hebben ze groot gelijk, denk ik als ik sta te koken. Niet alleen had ik de foto niet uit de krant geknipt als de dames niet topless waren – de krant, dat weet ik wel zeker, had hem niet eens geplaatst. Hoe nobel het streven ook is dat Femen verkondigt, ze moeten uit de kleren om gehoord te worden, daarmee hun punt onderstrepend. De moeilijkheid van Femens pr lijkt me bij gevolg wel het bereiken van de juiste doelgroep. Weliswaar wordt dankzij hun stripacties in de duistere kelders van het mannendom, zoals Geenstijl, over feminisme gediscussieerd – de werkelijke doelgroep, de Vrouw, die in opstand moet komen, is minder ontvankelijk. De dienstbaarheid van Roos en haar vriendinnen aan de gemakzuchtige behoeften van de man lijken me de dood in de pot voor een werkelijk feminisme.

terug

hennepteelt (2013)

Doordat we twee kabinetten hebben, die nu eens gezamenlijk en dan weer zelfstandig opereren, kan minister Opstelten van Veiligheid en Justitie tegen de zin van coalitiepartner PvdA een wetsartikel invoeren dat de voorbereiding van illegale hennepteelt verbiedt. Dat illustreert mooi de verdeeldheid die onder politici en juristen heerst over de wenselijkheid van deze aanpassing van de Opiumwet. Het voornaamste doel van het voorgenomen artikel 11a is het verbieden van growshops, zaken waar je alles kunt kopen wat je nodig hebt voor je hennepplantage, van welke omvang dan ook. Deze winkels zijn de minister een doorn in het oog, omdat het vermoeden bestaat dat illegale kwekerijen hoofdzakelijk vanuit growshops gefaciliteerd en in sommige gevallen gefinancierd worden. Toch hebben critici verschillende bezwaren tegen de wetswijziging.

Het politieke bezwaar, verwoord door PvdA-kamerlid Myrthe Hilkens, is dat de maatregel vooral symptomen bestrijdt. Met de growshops verdwijnt natuurlijk niet hun assortiment. Hilkens stelt terecht dat het gedoogbeleid het probleem is: we staan coffeeshops toe wiet te verkopen, maar willen niet weten waar die vandaan komt. De meest geruststellende verklaring zou zijn dat coffeeshops hun waren betrekken bij particulieren die af en toe de vijf toegestane plantjes snoeien die ze op hun balkon hebben staan, maar de werkelijkheid is natuurlijk anders. Dat zal met de nieuwe wet zeker niet veranderen, want een waarschijnlijk gevolg is dat de 'goeden' zullen lijden onder de 'kwaden': juist de kleinschalige, 'recreatieve' teler zal moeite hebben zijn hobby voort te zetten als er geen growshop meer aan de Dorpsstraat zit, terwijl de bedrijfsmatige, illegale productie alleen maar nog iets illegaler zal worden dan ze al is, en wellicht iets winstgevender. Maar dit is veeleer een bezwaar tegen het gedoogbeleid in het algemeen dan tegen artikel 11a in het bijzonder.

Onder het nieuwe artikel wordt strafbaar 'hij die stoffen of voorwerpen […] te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, aanwezig heeft [etc.] dan wel ruimten [...] voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van [illegale hennepteelt].' Het juridische bezwaar, onder meer geuit door SP en D66, is dat burgers strafbaar kunnen worden zonder dat zij de bedoeling hadden een misdrijf te plegen. Volgens de Volkskrant 'vrezen de partijen dat iemand die met verwarmingslampen toevallig in de richting van een boerderij rijdt in potentie strafbaar is'. Hoe serieus dat vrezen is hangt samen met de invulling die je aan het begrip 'ernstige reden om te vermoeden' geeft. Een rechter is geen automaat die bij een grammaticale overtreding van een wetstekst een corresponderende straf oplegt. Zo worden er nooit verkopers van Blokker veroordeeld omdat zij een mes geleverd hebben waarmee een moord is gepleegd (terwijl voorbereiding van moord wel strafbaar is). Waarom wordt medewerker van een tuincentrum straks dan 'een spannende baan', zoals de Amsterdamse hoogleraar strafrecht Borgers betoogd heeft? Loopt hij het risico gearresteerd te worden als hij een schoffel verkoopt aan een klant die later een hennepteler blijkt te zijn?

Nee, natuurlijk niet. Een ernstig vermoeden wordt niet zomaar gewekt, en dat zal elke rechter onderkennen. Als een dronken man tierend op zijn vrouw een keukenzaak binnenstormt en een mes wil kopen, dan verwachten we van de verkoper dat hij zijn gezond verstand gebruikt en de man niet helpt. Datzelfde geldt voor een elektricien die verzocht wordt stroom af te tappen voor een zogenaamde aardbeienplantage op zolder. Wie daarentegen een appartement verhuurt, daarvoor maandelijks een marktconform bedrag ontvangt en nooit klachten ontvangt van buren hoeft niet te vermoeden dat in zijn ruimte hennep wordt geteeld. Bij de behandeling van het wetsvoorstel werd gevraagd hoe het met producenten van plastic zakjes zit waarin wiet in de coffeeshop verkocht wordt. Is het ongewoon dat zo'n producent een klant tienduizend zakjes levert? Nee, dat is het niet. Geen rechter zal van hem een vermoeden van onraad verwachten. De vraag geeft aan hoe abstract tegenstanders van het voorgenomen artikel zijn gaan denken. Wie wel een ernstig vermoeden zal hebben dat hij illegale hennepteelt faciliteert is de uitbater van een growshop of de klusjesman die op zondag een afgelegen loods prepareert. Zij zullen dus strafbaar worden, en dat is precies de bedoeling. Het nieuwe verbod zal volgens mij bereiken wat het beoogt, zonder dat wie een zak kunstmest in de schuur heeft staan zich zorgen moet gaan maken.

terug


goede vrijdag (2013)

Que les Évangiles soient en partie légendaires, c'est ce qui est évident, puisque ils sont pleins de miracles et de surnaturel; mais il y a légende et légende.
Ernest Renan


Vandaag herdenken we dat bijna 2000 jaar geleden op een heuvel in Jeruzalem door het Romeinse gezag op voorspraak van Joodse leiders de prediker Jezus van Nazareth gekruisigd werd. Voor een ongelovige als ik is dit, Goede Vrijdag, de meest betekenisvolle christelijke feestdag. 25 december is gewoon een populaire geboortedag voor goden die later ook aan Jezus meegegeven is - de Bijbel noemt geen geboortedag (en een onjuiste geboorteplaats). Pasen, Hemelvaart en Pinksteren zijn helemaal twijfelachtige feesten, omdat ze gebeurtenissen herdenken die nooit plaatsgevonden kunnen hebben. Dat Jezus echter, als hij geleefd heeft, en dat is geen heel omstreden opvatting, aan het kruis is gestorven is niet onwaarschijnlijk. Keizer Tiberius en zijn prefect Pontius Pilatus schrokken niet terug voor (politieke) executies, en kruisiging was een daartoe vaker voorkomende vernederende methode. Jezus' opvattingen waren op zichzelf al subversief, en door geldwisselaars uit de tempel te verjagen toonde hij aan ook actie niet te schuwen. Maar hij is geëxecuteerd niet omdat hij een bedreiging vormde voor de Romeinse heerschappij, maar voor het Joodse geloof. Pilatus voelde een halfslachtige sympathie voor de charismatische Jezus; het Jeruzalemse Sanhedrin, de religieuze rechtbank, wilde echter van hem af – in de groene heuvels van Galilea had hij misschien nog jaren kunnen preken, bekeren en dopen, maar de in hoofdstad liep hij in het oog. Het Sanhedrin wilde Jezus laten kruisigen maar kon dat niet – Pilatus kon hem laten kruisigen maar wilde niet. Ze vereenden opportunistisch hun macht en Jezus werd veroordeeld. Eigenlijk konden alle betrokkenen hun handen wassen in onschuld. Sowieso wisten ze niet wat ze deden, zoals Jezus zelf ook besefte: zijn kruisiging is later immers iconisch geworden, maar zal destijds niet meer dan volksvermaak geweest zijn. Jezus was voor hen een sekteleider, maar niet meer dan dat. Het is dat Golgotha wegens Pesach ontruimd moest worden, anders was hij blijven hangen tot hij door de gieren van het kruis geplukt was. Nu werd hij zo snel weer naar beneden gehaald dat het een wonder mag heten dat hij al dood was.

(Je kunt je afvragen waarom Jezus juist nu gekruisigd werd (op wat waarschijnlijk 15 nisan van het jaar 3793 was) en niet eerder of later. Wat heet! Waarom niet véél eerder? Had Herodes na Jezus' geboorte niet een bevel uitgevaardigd alle Betlehemse jongetjes te doden? Een serieus te nemen dreigement zou dat zeker zijn geweest, want hij had ook al in zijn eigen familie huisgehouden. Maar Herodes was mogelijk al gestorven toen Jezus geboren werd (tenzij dat laatste vóór christus plaatsvond), Jezus komt niet uit Betlehem maar uit Nazareth, etc. etc. De beruchtste infanticide uit de geschiedenis is een mythe, bedoeld om betekenis te geven aan de jongste jaren van Jezus. De erop volgende vlucht naar en terugkomst uit Egypte verzorgt meteen een nostalgische echo uit het oude testament. De jeugd van Jezus is doorspekt met zwarte magie, die zijn goddelijkheid moet bewijzen. Als we lezen dat Jezus een vriendje van het dak duwt en later weer tot leven wekt dwalen de gedachten af naar Harry Potter op zomerverlof. Het tweede-eeuwse kindheidsevangelie van Thomas is dan ook ongeschikt bevonden voor de Bijbel en er nooit in opgenomen. Maar vele, vele andere bedenksels zijn wel een vast onderdeel van de christelijke traditie geworden. Na Jezus' dood en de snelle verspreiding van zijn leer is de geschiedenis naar hem toe geschreven. Zelfs de jaartelling is aangepast. 15 nisan 3793? 3 april 33!)

Het is, gezien zijn postume belang, jammer dat bijna alles wat ons bekend is over Jezus uit zeer onbetrouwbare bron stamt: de evangeliën. Om een beeld te krijgen van de Jezus die destijds zijn volgelingen inspireerde en via hen miljoenen anderen is het misschien nuttig de informatie uit de evangeliën op te delen in drie categorieën: aantoonbare onzin (geboorte uit een maagd, lopen over water, wederopstanding, etc.), waarschijnlijke propaganda (toespelingen op het messianisme) en Jezus' levensleer (de Bergrede, de gelijkenissen, etc.). De eerste categorie is makkelijk te scheiden van de rest: alles wat natuurwetenschappelijk onverklaarbaar is schuif je terzijde. Propaganda en Jezus' levensleer lopen echter veel onmerkbaarder door elkaar. De Bijbel, en het Christendom in bredere zin, barsten van de verzonnen elementen die ooit in enig belang moesten voorzien – vaak het bekeren van andere volkeren. De Joden wachtten op de messias, dus maken we van Jezus de messias. Romeinse mannen aanbidden Mithras, dus we geven zijn geboortedag aan Jezus. Romeinse vrouwen aanbidden Isis, dus we geen ze ook een christelijke vrouw om te vereren, etc. Een halve eeuw na Jezus' dood verspreidde Marcion van Sinope al de overtuiging dat de goedhartige Jezus van Nazareth nooit de boodschapper van de kwaadaardige Jahweh kon zijn. Hij werd door andere christenen geëxcommuniceerd, maar pas eeuwen later is zijn leer volledig in onbruik geraakt. De stichter van de islam, Mohamed, vereerde Jezus als een belangrijke profeet, maar zag god als één en ondeelbaar. God was de Vader, maar er was geen Zoon, en ook geen Heilige Geest. Het ontkoppelen van Jezus en god heeft diepe wortels.

De woorden 'christelijk' en 'christendom' zijn een aantal keer gevallen. Hoe komen we van 'Jezus' bij 'christendom'? De Joodse gelovigen wachtten in de eerste eeuw vol spanning op de in hun heilige geschriften aangekondigde komst van de Messias. Natuurlijk waren er op aanzien en macht beluste mannen zich als die Messias voordeden, zoals later mensen zich voor Romanov uitgaven om de schatten van de Russisch tsaren te erven. En ook het omgekeerde kwam voor: men meende de Messias te herkennen, maar de bedoelde persoon ging er niet in mee. Het bekendste voorbeeld daarvan is Johannes de Doper, die beweerde slechts het pad te effenen voor degene die na hem zou komen. Na hem kwam Jezus, die zelfs zijn (waarschijnlijk boeddhistische) dooptraditie overnam. Dat Jezus werkelijk de messias was, en/of de zoon van god, daarover is hij zelf allerminst duidelijk – en dat terwijl het christendom eeuwen de tijd heeft gehad om hem woorden in de mond te leggen! Hij noemt god zijn vader, maar doen ook al zijn volgelingen dat niet in hun gebeden? Hoe dan ook, voor de discipelen van Jezus die na zijn dood zijn leer wilden verspreiden verleende de Aramese term Messias een welkom cachet. Letterlijk betekent het De Gezalfde, maar het had in de Joodse traditie een goddelijke bijklank. Vertaald naar het Grieks werd het: Χριστός, Christos. In de Griekse wereld verviel natuurlijk de connotatie en werd Jezus de 'gepommadeerde heer'.

Jezus is waarschijnlijk de invloedrijkste mens (en mensenzoon) uit de geschiedenis. Wie hij was, wat hij deed en hoe hij dacht is niet meer met zekerheid vast te stellen, maar wat er al dan niet waar is van de overlevering laat onverlet dat er een min of meer consistent gedachtegoed bestaat dat we toeschrijven aan Jezus. Van dat gedachtegoed hebben we allemaal een vaag idee en we noemen het doorgaans 'christelijk'. Om verschillende bovengenoemde redenen is die term dubieus, maar de brave, zachte bijklank die het woord in het Nederlands gekregen heeft vind ik niet misplaatst – het lijkt Jezus weer enigszins te zuiveren van zijn vermeende goddelijkheid. Il y a légende et légende.

(Ik heb voor dit stuk rijkelijk geput uit La Vie de Jésus van E. Renan, Het Algemeen Betwijfeld Christelijk Geloof van J. M. Kuitert, The Rise of Christianity van P. Stephenson en verschillende evangeliën.)

terug

gezin gezocht (2013)

Het land, althans de pers, is in rep en roer. Waarom? Omdat een ander land, Turkijke, althans de Turkse pers, in rep en roer is. Een in Nederland uit twee Turkse ouders geboren jongetje (Yunus) is door de Nederlandse overheid in een pleeggezin met twee moeders geplaatst - overigens al jaren geleden. De biologische moeder, begrijpelijk verbitterd omdat haar zoon haar afgenomen is, stelde Turkse journalisten de retorische vraag: 'Hoe zou jij het vinden als je kind door twee lesbiënnes wordt opgevoed?' Elders op tv gaf een Haags-Turks jongetje van tien, aan wiens mening de Nederlandse Publieke Omroep blijkbaar voldoende waarde hecht, antwoord: 'Nee, dat is niet goed dat hij bij twee lesbi's woont. Straks wordt hij zelf een lesbi!'

Nu zal dat niet de voornaamste zorg zijn van de moeder. Wel is het, vanuit haar standpunt, ongelukkig te noemen dat een jongetje dat het geluk had als moslim te worden geboren zijn geloof dreigt kwijt te raken onder invloed van twee vrouwen die, indien al moslim, quod non, niet erg recht in de leer zijn. Alle hoop is nog niet verloren, want aangenomen kinderen gaan in de puberteit vaak op zoek naar hun 'ware' identiteit, en Yunus zal in het Nederlands onderwijs vaak genoeg in aanraking komen met andere Turken en moslims, maar een goede start maakt hij niet, en hoewel hij er zelf niets aan kan doen valt het nog te bezien of Allah hem dat vergeeft.

Het is niet helemaal duidelijk of de seksuele geaardheid van de pleegmoeders voor de echte moeder de directe aanleiding tot actie is, of dat zij hun seksleven vooral als manifestatie van hun inferieure Westerse cultuur ziet. Journalisten lijken voetstoots van de eerste lezing uit te gaan, ongetwijfeld omdat moslim-homo een mediagenieke botsing is. Laten we even aannemen dat de geaardheid van je opvoeders invloed heeft op je eigen opvattingen over seksualiteit. Waarschijnlijk zullen de pleegouders Yunus seksuele toleratie bijbrengen: sommige mensen vallen op het eigen, andere op het andere geslacht, respecteer dat. (Het zal samenhangen met zijn sociale omgeving of hij dat respect werkelijk gaat voelen.) Aan de andere kant: seculiere pleegouders zullen hun kinderen minder snel blootstellen aan de talloze voorbeelden van seksuele aberratie in oude maar populaire religieuze geschriften, en de kans dat ze op vakantie worden meegenomen naar landen waar mannen hand in hand over straat gaan is ook minder groot. Het ligt daarbij niet voor de hand dat lesbische pleegouders hun pleegzoon een ongewoon seksueel verlangen naar mannen meegeven. Daar tegenover staat weer dat lesbische paren statistisch meer (openlijk) homoseksuele mannen kennen dan islamitische stellen. Lastige kwestie dus!

Maar in alle ernst: ik ken de redenen niet waarom de echte moeder haar moederlijke rechten verloren heeft (als dat wel zo was zou haar privacy ernstig geschonden zijn) maar stel je voor dat je als meisje van twintig naar Turkije verhuist om met een Nederlandse man te trouwen die daar woont. Je krijgt een kind en voedt het naar Nederlandse normen op. Je bent geen al te beste moeder en de Turkse regering transfereert je kind naar een islamitisch gezin. De pleegouders zijn neef en nicht en vinden dat een acceptabel huwelijk! Daarnaast brengen ze Jantje islamitische waarden bij die niet passen bij de Nederlandse cultuur. Dat zou wel op medelijden van de Telegraaf kunnen rekenen.

Ik ben geen cultuurrelativist, en ongetwijfeld is de ene opvoeding beter dan de andere. Yunus zal in zijn huidige gezin sneller tot moderne Nederlander uitgroeien dan wanneer hij bij zijn ouderwetse moeder was blijven wonen. Maar het Modern Nederlanderschap hoeft Yunus' levensdoel toch niet te zijn? In een Turks gezin zal hij misschien meer leren over bijvoorbeeld gastvrijheid, liefdadigheid en ouderenzorg (nog los van zijn kansen op een eeuwig leven in de hemel). Als we via de media voor elk kind een geschikt huis gaan zoeken kunnen we er net zo goed een SBS-show van maken. (Of eerst een RTL-show, en dan een SBS-rip-off.) Volgens onderzoek (Volkskrant 20 maart) worden Marokkaanse kinderen thuis drie keer vaker mishandeld dan Nederlandse kinderen. Dit komt deels doordat ons begrip 'mishandeling' en het Marokkaanse idee van 'opvoeding' overlap vertonen - wat niet verhindert dat een meerderheid van de Nederlanders vindt dat Marokkaanse jongetjes strenger opgevoed moeten woren.

Het belang van het kind staat natuurlijk voorop, maar niet in zoverre dat voor elk kind een ideaal gezin moet worden uitgezocht. Het woont in Nederland en mag als het later groot is zelf bepalen welke god en welk geslacht het aanbidt. Hopelijk komt daar binnenkort een derde recht bij: het recht met rust gelaten te worden door de media.

terug

aardse oorlog (2013)

Als honderd Nederlanders naar een ander land gaan om daar oorlog te voeren tegen het plaatselijke bewind is er een kans dat Nederland bij die oorlog betrokken raakt. Omdat wij liever niet bij oorlogen betrokken worden, en al helemaal niet op instigatie van een paar burgers, wordt dit soort bellicoos gedrag met tien jaar gevangenschap bedreigd in art. 100 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel wordt zelden tot nooit ingeroepen, maar misschien is er nu eens een aanleiding en hoeft het toch niet te verstoffen. Volgens de AIVD zijn de afgelopen maanden zo'n honderd jihadisten vanuit Nederland naar, vooral, Syrië vertrokken. Die formulering is een beetje verwarrend. Bij P&W zat enige tijd geleden een naïeve, avontuurlijke jongen aan tafel die ook in Syrië gezeten had, maar niet in het kader van de jihad: hij was fotograaf. Hij spaarde voor een kogelvrij vest. Sommigen van die honderd 'jihadisten' zijn misschien moderne Nightingales. De meerderheid zal voor de gewapende strijd komen, maar om dat meteen jihad te noemen? De jihad kun je beter voeren in de Amsterdamse metro - ook grotere kans dat je een paar heidenen doodt. In Syrië is geen jihad gaande, maar een ordinaire aardse burgeroorlog van, for the record, moslims tegen moslims. Volgens de Volkskrant krijgen Nederlandse vrijwilligers vooral onbevredigende logistieke klussen (wat ze een trauma kan schelen, maar wel een minderwaardigheidscomplex bezorgt) of worden ze juist aan Assads kanonnen gevoerd - geen warm welkom. Sommige schrijvers zijn wereldberoemd geworden door hun deels idealistische, deels avontuurlijke betrokkenheid bij burgeroorlogen in Spanje en Griekenland, en de behoefte van jongeren aan een carrière als oorlogsheld in plaats van vakkenvuller is ergens wel begrijpelijk. Probleem is natuurlijk dat het vermoeden zich opdringt dat deze jongens in Nederland geen vakkenvullers waren, maar scooterdieven, of haatpredikers. Veel Nederlanders zullen daarom niet treuren om hun vertrek, en zelfs niet om hun dood (vorige week is een Marokkaanse Nederlander uit Delft in Syrië omgekomen). Ook de AIVD maakt zich vooral zorgen om hun terugkeer: ze kunnen geradicaliseerd zijn, gedesillusioneerd of getraumatiseerd. Die kans lijkt me inderdaad groot, ik hoef ze eerlijk gezegd ook niet terug. Aan de andere kant: was ik niet voor ingrijpen in Syrië? En zou ik even hard oordelen als honderd Nederlandse soldaten ten strijde waren gestuurd? Nee, natuurlijk niet. Het is dus aangenaam verwarrend voor de bevooroordeelde geest om aan dezelfde kant te staan als degenen die je veracht.

Los daarvan is Nederland niet in oorlog met Syrië en hebben Nederlandse onderdanen niets te zoeken in die strijd. Naast de provocaties uit art. 100 ligt het voor de hand dat de Honderd verscheidene andere strafbare feiten zullen plegen die, ook in het buitenland begaan, gewoon bestraft kunnen worden. Een paar huiszoekingen doen wellicht wonderen. Zelfs geen warme thuiskomst dus.

terug


het fètakaasschap (2012)

Mij is op de basisschool geleerd met 't kofschip te varen, terwijl anderen 't fokschaap belijden. Daar ontstaat al verwarring. Kofschip en fokschaap worden immers met andere klinkers geschreven. Dat tot nu toe niemand een woord heeft kunnen vinden met alle betrokken eindletters maar zonder klinkers is goed voorstelbaar, maar levert verwarring op bij werkwoorden wier stam op een klinker eindigt. Die zijn gelukkig zeldzaam, maar als twee scholen op wintersport gaan kan het zijn dat de een daarna geskied heeft en de ander geskiet, afhankelijk van of ze resp. 't fokschaap of 't kofschip aanhangen. De oplossing van dit probleem laat zich weliswaar beluisteren - wie niet uit West-Friesland komt klinkt 'skiete' vreemd in de oren – maar spelling op uitspraak funderen en andersom kan tot kip-ei-problemen leiden (denk aan vies/vieze tegenover kies/kiese). In het skigeval geldt natuurlijk gewoon de hoofdregel: verleden tijdsvormen worden met een 'd' geschreven, tenzij de stam eindigt op een medeklinker uit 't kofschip of 't fokschaap. (Dat schaap is trouwens in de mode gekomen toen niemand meer wist wat een kofschip was. Voor de duidelijkheid: dat is een basisschool in Zevenaar.)

Maar hoe eenduidig wordt de regel eigenlijk toegepast? Hoe zit het bijvoorbeeld met liken? Ik wil niemand iets opdringen, maar mocht dit stukje bevallen, en je maakt dat kenbaar, heb je dan geliked of geliket? De stam van het werkwoord lijkt 'like' te zijn, waaruit volgt: 'jij likede / hebt geliked'. Toch zou het 'geliket' moeten zijn. Je kunt niet zomaar de klinker van de stam schrappen (want dan zou je ook 'geskiet' krijgen), dus hebben we een andere regel nodig: de uitzondering van de stomme klinker. Is daarvan (geen, haha) sprake, dan negeren we die en kijken we naar de een-na-laatste letter van de stam. In dit geval is dat een 'k', dus wordt het 'geliket'. Onze Taal, het tijdschrift voor taalvragen, bespreekt dezelfde kwestie aan de hand van timen en racen. Het is dus, volgens Onze Taal, 'getimed' en 'geracet'. Maar dat is merkwaardig! Sinds wanneer zit de 'c' in 't kofschip? De 'ch' moet toch als één teken worden gelezen – anders hoeft het lidwoord van 't kofschip niet verbasterd. Maar het gaat om de s-klank, net als bij faxen, stelt Onze Taal. Eerlijk zat, dacht ik (om niet in het 'Dossier Verengelsing' terecht te komen), daar kan ik mee leven. Mooi meegenomen is dat, bij consequent doorredeneren, een discussie die ik al tijdenlang her en der voer in mijn voordeel lijkt beslist. Wat te doen met 'pushen' en 'douchen'? Zoals gezegd staan de 'c' en de 'h' afzonderlijk in kofschip noch fokschaap, en de Franse 'ch' uit 'douche' heeft een andere klank dan de Hollandse uit 'pochen'. Je kiest óf voor uiterlijke schijn – maar dan verlies je de 'c' en de 'x', óf voor klank - en dan doet de Franse 'ch' niet meer mee. Volgens mij is de keuze al lang op optie twee gevallen. Het moet dus douchde / gedouchd zijn (over een tussen-e valt met mij ook te praten, want 'ik douch' doet vreemd aan) en pushde / gepushd. Toch is Onze Taal het hiermee oneens, net als de Taalunie en diverse liefhebbers aan wie ik dit probleem heb voorgelegd. Ook Van Dale schrijft voor: gepusht en gedoucht. Ik ben niet geconvincet.

terug

mijn biecht (verkiezingen 2012)

Op een mooie meiavond in 2002 liep ik naar buiten om op straat te gaan spelen. Ik werd teruggeroepen door mijn moeder: 'Er is een aanslag op Pim Fortuyn gepleegd!' Het was weliswaar post-9/11, maar dit was Nederland, dat fijne land van onschuld. Die veronderstelling, plus de afgrijselijke behoefte niet verbaasd te klinken (waarvoor ik me nog steeds schaam) maakte dat ik alleen maar zei: 'Cool!'.

-'Het is dit keer geen taart, Joost.'

Pim Fortuyn had mijn, en veler, politieke interesse aangewakkerd. Bij ons thuis werd daarvoor niet veel over politiek gesproken. Mijn vroegste politieke herinnering is een fragment uit het Achtuurjournaal (zoals het Jeugdjournaal toen nog genoemd werd) waarin Frits Bolkestein een schaap imiteert. Of misschien de middag dat ik thuiskwam van de basisschool en verklaarde dat 'ik D'66 (zoals D66 toen nog genoemd werd) zou stemmen'. Helaas was ik niet voorbereid op dat ene woord dat mijn ouders als reactie gaven: waarom? Ik praatte ook maar een klasgenoot na. Zover reikte, tot de opkomst van Pim Fortuyn, mijn interesse – maar toen hij als lijsttrekker van Leefbaar Nederland op televisie verscheen (schijnbaar uit het niets, hetgeen Ad Melkert hem ook eens 'verweet', waarop de nieuweling riposteerde: 'Ik heb tien boeken geschreven meneer Melkert. En u?') was ik verkocht. Nu kwam ik uit een liberaal gezin en zat ik op een keurig gymnasium en ik kende niemand die ook maar overwoog om op Fortuyn te stemmen, dus het kwam niet in me op om daadwerkelijk voor hem te zijn. Maar ondertussen vond ik wel dat wat hij zei hout sneed.

Zonder Fortuyn zou er waarschijnlijk weinig veranderd zijn in de Nederlandse politiek. Daardoor lijkt het of Fortuyn de burgerlijke ontevredenheid waarop hij naar zijn premierschap dreef zelf gezaaid had. Maar dat geloof ik niet. Het is Fortuyns verdienste dat hij de Nederlanders wekte uit hun politieke apathie. En het (in het licht van vandaag) ontroerendste aspect daarvan: het ging niet over geld. Paars II was goed met geld. Het ging goed met de economie en mensen hadden een baan. In zijn boek De verweesde samenleving had Fortuyn al geanalyseerd dat het niet de economie is, stupid! Inmiddels erkennen de meeste economen dat Nederlandse politici bijzonder weinig invloed hebben op de Nederlandse economie. Paars kon zich op twee dingen beroepen: het ging goed met de economie (zie vorige zin) en levensmoede Nederlanders mochten zich euthanaseren. Op zo ongeveer alle andere terreinen, waar ze invloed konden en moesten uitoefenen – de zorg, het onderwijs, het wegennet, de immigratie en integratie van buitenlanders – waren de resultaten ronduit slecht. Fortuyn schreef hier al jaren over in Elsevier en gaf lezingen door het hele land, waar hij tot het besef kwam dat hij aanhang had – een grote aanhang. Het is een groot cliché geworden, maar het valt te vrezen dat politici als Ad Melkert werkelijk de realiteit uit het oog verloren hadden door zich in het partijbureau aan de Herengracht en de Trêveszaal aan het Binnenhof op te houden. Ad Melkert had maar één keer in een file gestaan: onderweg naar het beroemd geworden debat na de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2002 – en toen loog hij. ('Maar dan komt u door de polder', plaagde Fortuyn.) Ze hadden werkelijk geen idee van de problemen in het land. Ik geloof niet dat er kwaadaardigheid achter school, maar ze waren zelfgenoegzaam geworden. Melkert gelooft waarschijnlijk tot op de dag van vandaag dat hij recht had op het premierschap.

Fortuyn veranderde alle regels, en op de een of andere manier gingen politici geloven dat kiezers zich met hen zullen identificeren wanneer ze doen of ze één van hen zijn. Sinds de overwinning van Barack Obama neem ik aan dat voor eens en altijd bewezen is dat kiezers tegen hun leider op willen kijken. Dat je met Ad Melkert niet naar de kroeg wil had juist zijn sterke punt kunnen zijn. We willen immers dat hij zich met pensioenen, uitkeringen, zorgverzekeringen en andere saaie, ingewikkelde zaken bezighoudt – niet met pakweg voetbal. Ter illustratie een dialoogje tussen de 'man van het volk' Pim Fortuyn en de 'afstandelijke regent' Melkert. (Netwerk, 12 april 2002)

Presentator De Poel: 'Meneer Fortuyn. Gefeliciteerd!'
Fortuyn (verbaasd): 'Waarmee?'
De Poel: 'Met Feyenoord, natuurlijk!'
Fortuyn (verrast, maar ongeïnteresseerd): 'Oh! Ja, ja, we hebben gewonnen, dat klopt. Maar ik ben voor Sparta...'
Publiek lacht. De Poel: 'Dus ik moet eigenlijk bij u zijn meneer Melkert, want u bent een gekend Feyenoord-fan volgens m...'
Melkert (emotieloos): 'Ja, ik ben dolgelukkig. Fantastisch resultaat.'
Hij was blijkbaar doodsbang dat het regentesk zou zijn als hij het voetbal niet volgde – zeker zo'n volksclub als Feyenoord! (En dan kwam Melkert nog uit Gouda. Wouter Bos (Amsterdam) en Jan Marijnissen (Oss) affilieerden zich ook graag met de club.) Of laten we het positief bekijken: Melkert was wel degelijk oprecht fan van Feyenoord, maar had geen zin om over zulke bagatellen te spreken, in verkiezingstijd, op tv. Maar dat gold ook voor Fortuyn! Mogelijk had Melkert nog niet door hoe serieus, hoe oprecht en hoe betrokken Fortuyn eigenlijk was. Hij was geen carrièrepoliticus, maar zag problemen en zocht oplossingen. (Over het fileprobleem zei hij: 'Ik weet niet hoe we dat moeten oplossen', wat op zichzelf een verademing was.) Als onafhankelijk denker had Fortuyn zich via een interview in Elsevier gekandideerd voor het premierschap. Hij zou lijsttrekker van het CDA of Leefbaar Nederland worden, en anders een eigen partij beginnen. Alleen al die strategie was ongekend. Leefbaar Nederland durfde het met hem aan, maar werd snel te klein voor hem. In feite was dat ook maar een anti-PvdA-PvdA. Met deze monoloog (binnenskamers) nam hij na enkele maanden afscheid van de partij, met medeneming van vrijwel het gehele electoraat:

'Het is vijf voor twaalf. Niet alleen in Nederland, maar in Europa. En wilt u dat? Ik sta voor dit land! Voor wat in vijf, zes eeuwen is opgebouwd. We hebben hier godverdomme gewoon een vijfde – laat ik nu maar alles zeggen – een vijfde colonne! Van mensen die het land naar de verdommenis willen brengen! En daar ga ik niet voor. En ik zeg: u mag hier blijven, maar u past u aan. En ik moet daar horen: Allah is groot, ik ben een vies varken. U bent een christenhond! Dat zeggen zij! En u vindt het goed! En ik ben heel beheerst tot nu toe geweest. Ik heb het nooit herhaald. Maar u laat over zich lopen! En ik doe het niet meer! En dat is waar ik die zetels vandaan haal, want dit land is het zat! C'est ça! Daar sta ik voor! En als ik dat anders moet verwoorden, prima! Maar het gaat om uw kinderen, om uw kleinkinderen. Waar gaat het anders om? Moet ik nog meer hier neerzetten? Ik kan niet anders! En ik doe niet anders. Dan maar ik afgemaakt. Oké, prima. Maar het probleem, meneer, dat blijft. Dat blijft! Mensen hebben er meer dan genoeg van. Godverdomme in mijn stad! Marokkaanse jongens. Turkse jongens. Die niet die Turken, niet die Marokkanen beroven, maar u en mij. Oude vrouwtjes. En de politie? Wat doen ze. God-ver-domme niks! Die zeggen: als je dat zegt, discrimineert u. En dat verwoord ik, van het Nederlandse volk. En ik sta ervoor. Ik sta ervoor. Mag het niet? Oké. Ik respecteer u. C'est ça.'

Wie dit filmpje op YouTube bekijkt weet dat Fortuyn elk woord meent. Dit is geen retoriek, dit is de opgekropte woede van een man die het zat is dat moslims alles over homo's mogen zeggen, maar homo's niets over moslims. Daarom had hij in de Volkskrant gepleit voor het afschaffen van art. 1 van de Grondwet, dat discriminatie verbiedt – voor iemand die al breed beschuldigd werd van racisme misschien niet het verstandigste voorstel. Thom de Graaf – een echte heer – zei over Fortuyns ideeën: 'Nieuw is het niet, en fris al helemaal niet. Het exploiteert op een goedkope manier angst.' Wat hij met onfris bedoelde bleek toen hij Anne Frank erbij haalde. Ook op YouTube te vinden: een aflevering van Villa Felderhof met Pim Fortuyn en Connie Breukhoven (zoals ze nog steeds heet, ook al is ze niet meer met een Breukhoven getrouwd). Connie vertelt dat ze twijfelde over haar komst, omdat de bekende racist Fortuyn er ook zou zijn.

Felderhof: 'Doet het je pijn, dat ze je betichten van racisme?'
Fortuyn: 'Ja, tuurlijk. Omdat ik zelf een redelijk... kosmopolitische man ben.'
Felderhof: 'Maar waarom zegt men dat dan?'
Fortuyn: 'Ja, ik denk dat het meer hun probleem is dan het mijne.'
Felderhof: 'Maar je signaleert een zekere verschuiving van... dat de islam naar het westen oprukt.'
Fortuyn: 'Ik signaleer twee dingen: ten eerste dat oorspronkelijke Nederlanders hun cultuur nauwelijks kennen en er niet trots op zijn. En het tweede wat ik zie is dat een groot deel van de mensen uit wat ik dan noem een islamitisch-agrarische cultuur, dus mensen van eenvoudige boerenafkomst, en ook nog islamitisch, die zitten in de onderklasse en niemand bekreunt zich erom. Die worden gewoon totaal aan hun lot overgelaten. [...]'
Felderhof: 'Maar nu lijkt het of je je sterk maakt voor deze groep.'
Oké, dit was ongetwijfeld een één-tweetje met sympathisant Felderhof. Maar Connies bek valt open. (Geloof me.) Ze valt in: 'Ja, ja, ja! Als ik dit zo hoor denk ik dat ook!'
Fortuyn: '[…] Wij laten gebeuren dat in die achterstellingswijken met name islamitische vrouwen door de moskee, door hun mannen, door hun zonen... ongelooflijk worden gediscrimineerd. Verjaagd uit het publieke domein, opgesloten in hun huizen, bemoeienis met partnerkeuze en noem het allemaal maar op.' Om te vervolgen met voorstellen waar Geert Wilders doodziek van zou worden: 'Als die vrouwen een begin van bereidheid hebben om buitenshuis te komen dan moet je ze ook buitenshuis lokken, met cursussen, met allerlei dingen die ze kunnen ondernemen, zodat ze naast hun mannen een evenwaardige positie kunnen krijgen, want dat vind ik heel belangrijk.'
Felderhof tot Connie: 'Wat voor indruk had jij van Pim?'
Connie (in de war): 'Ja, ik had gehoord dat jij juist heel erg discrimineerde! Zo kwam het bij mij over, dat hadden mensen mij verteld. Toen dacht ik: voor ik hier ga zitten wil ik het weten, want ik heb zelf natuurlijk vier hele leuke getinte kinderen, en ik ben zelf joods, en toen dacht ik: het kan haast niet, want hij is homo, dan kun je nooit discrimineren, het staat zo lijnrecht tegenover mekaar. En nu valt mijn bek bijna open als ik dit hoor, want nu is het precies het tegenovergestelde, nu blijk jij juist heel erg op te komen voor die mensen.'

Deze politicus was vastberaden om mensen in de onderklasse niet opgesloten te laten in de stagnatie van hun banlieu, maar om ze te emanciperen! Fortuyn was kortom een progressief in de zuiverste zin van het woord. De gevestigde 'progressieven' ruilden uitkeringen voor stemmen en legden zich neer bij Rotterdam-Zuid en Amsterdam-Noord, waar ze zelf toch nooit kwamen. Deze politicus noemde zich professor Pim, liep op Italiaanse maatschoenen, had een Daimler met chauffeur, speculeerde op tv over zijn schaamhaar, schreef in zijn autobiografie dat hij zo van rimmen hield: er was waarschijnlijk niemand in heel Nederland die zich met hem identificeerde. Maar mensen hielden van hem en vertrouwden hem. (Hij was ook niet ordinair. In die spontane belijdenis tegenover het bestuur van Leefbaar Nederland zit maar één ordinaire zin: over oude vrouwtjes. Dat is waarschijnlijk de enige zin die Geert Wilders zou overnemen.) Fortuyn was de anti-politicus, die dingen had kunnen veranderen omdat hij zelf zo anders was.

Maar de visionair werd vermoord, het premierschap kwam er niet. En ik vond het niet 'cool'. Ik stond te huilen op het toilet. Bij een van de buren hing de vlag halfstok. Het zal Stalins wet van statistiek en tragedie zijn die maakte dat 6 mei 2002 mij veel ingrijpender veranderd heeft dan 11 september 2001. Ik raakte bezeten van politiek. Ik keek alle actualiteitenprogramma's, nam een abonnement op HP/De Tijd, las de oude Elseviers van mijn opa en oma, en ging elke zaterdag naar de bibliotheek voor de overige pers. Ik kende alle partijprogramma's uit het hoofd, schreef mijn eigen manifest (nog een reden voor schaamte), ontwikkelde een alternatieve stemwijzer (toen er nog maar één was) en werd tot ergernis van menig klasgenoot een sterk debater. Ik kocht de das die Fortuyn droeg op zijn staatsieportret met hondjes.

In Langedijk, waar ik woonde, ging ik zelf een kleine rol spelen in de lokale politiek. In aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen was ik co-presentator van een politiek programma op de lokale radio en aan de vooravond van de stemming mocht ik een lijsttrekkersdebat leiden. Twee partijen hadden al geprobeerd me met een zetel te kopen, wat verleidelijk was, want ik had het jongste Nederlandse raadslid ooit kunnen worden, jonger dan mijn oom Dick, die rond zijn twintigste het college van Zijpe liet vallen. Ik verkoos echter onafhankelijkheid en de dochter van Jan Marijnissen (net als ik 17) stal de eer. Vier jaar later had ik wel kleur bekend (VVD, want liberaal, liberaal, want tegen bemoeizucht), maar omdat ik op het punt stond om naar Amsterdam te verhuizen stelde ik me niet beschikbaar voor de raad. (En trouwens, niemand had me gevraagd.) Wel schreef ik mee aan het verkiezingsprogramma, onder leiding van een al wat oudere vastgoedontwikkelaar die om allerlei redenen, behalve idealisme, in de gemeentepolitiek zat. Ik schrapte een stuk of dertig taalfouten en enkele pijnlijke frasen als 'een uitkering is een vangnet, geen hangmat', die weliswaar zeer geschikt zijn voor een borrel op de hockeyclub, maar wat mij betreft onsmakelijk in het openbaar. Het bezwaar werd terzijde geschoven, maar een dag later kreeg ik een e-mail van de lijsttrekker waarin hij schreef toch overtuigd te zijn. Dat beschouw ik als mijn enige waardevolle bijdrage aan de politiek. Zoals iedereen dezer dagen op verkiezingsposters kan zien heeft mijn afkeer van ordinaire slogans verder geen enkele weerklank gevonden in de partij. Ik schaam me kapot en kan voor één keer zeggen dat ik de Jonge Socialisten steun, die er rake satire van hebben gemaakt ('Villasubsidie voor de rijken, huurders moeten niet zeiken'). Overigens heeft mijn lidmaatschap van de VVD me al veel geld gekost (ik was vergeten contributie te betalen en kreeg prompt een deurwaarder achter me aan) en mijn stem op Halbe Zijlstra mijn beste vrienden nog meer.

Nu weet ik het niet meer.

Waar is het misgegaan? Wanneer werd ik cynisch? Rond het referendum over de Europese grondwet. Ik voelde een grote behoefte om tegen te zijn. Ik was ook tegen, maar alleen omdat de integratie wat mij betreft niet ver genoeg ging. Maar ik was dus pro-Europa. Net als de VVD, die in tv-spotjes met oorlog dreigde wanneer het nee zou worden. Ik kreeg toch zo'n zin om het Den Haag moeilijk te maken... Helaas mocht ik niet stemmen, maar mijn landgenoten wel en zij stemden in meerderheid tegen. Dat was, hoe idioot het ook klinkt, geen scenario waar de initiatiefnemers van het referendum rekening mee hadden gehouden. Sterker nog: het was geen scenario dat ze accepteerden. Ze staken hun middelvingers op, beweerden dat het helemaal niet om een 'grondwet' ging, verplaatsten ergens een komma en namen een grote, cynische gok: ze beloofden een nieuw referendum, maar zouden het nooit houden. In een gezonde democratie zou zoiets onmogelijk zijn, maar in ingeslapen landen kom je ermee weg. (Hetzelfde geldt in feite voor het benoemen van burgemeesters. De PvdA – je denkt eraan terug en gelooft het bijna niet – de PvdA slaagde erin om twee van de twee kandidaten voor de burgemeesters'verkiezing' in Utrecht te leveren. In het stadsdeel Amsterdam-Oost moest PvdA'ster Fatima Elatik aftreden vanwege de verdwijning van enige miljoenen euro's en na een zoektocht naar een opvolger werd geconcludeerd dat er eigenlijk maar één geschikte kandidaat was: Fatima Elatik – en ze werd herinstalleerd. Provincies verdienen miljoenen door onze energievoorzieningen aan het buitenland te verkopen en verliezen de opbrengst op IJsland. Dat zo'n gang van zaken tot kritische stukjes op weblogs leidt, maar er verder niets gebeurt, niets verandert, is een illustratie van hervonden apathie.) Ik ben niet de enige die pessimistisch is, die denkt dat ze 'toch allemaal hetzelfde zijn'. Ons kiezers is altijd verteld dat we moeten stemmen of anders niet zeiken. Inmiddels neig ik steeds meer naar het tegendeel: als je stemt moet je niet zeiken, want je legitimeert het systeem, je laat je corrumperen. Het zou me niets verbazen als de opkomst bij de komende verkiezingen (12 september?) historisch laag uitvalt.

Elke uitslag zal trouwens idioot zijn – niet alleen omdat er per definitie een coalitie zal worden gevormd die niemand wil, en ook niet alleen omdat negentig procent van de gekozenen alleen maar is meegelift op de relatief geringe onpopulariteit van hun lijsttrekker, en ook niet alleen omdat een derde van de nieuw parlementariërs eigenlijk af wil van Europa – maar omdat de stemmen niet op kennis gebaseerd zijn. Ik heb persoonlijk geen idee hoe we uit de crisis moet komen – en ik ben nog hoogopgeleid en lees dagelijks een krant. 'Een schuldencrisis los je niet op door je nog dieper in de schulden te steken' – dat klinkt plausibel, maar niet plausibeler dan 'Waarom zou je geen geld lenen nu het heel goedkoop is?', of, inderdaad, dan 'Een uitkering is een vangnet, geen hangmat.' Ik wil wel geloven dat je een economie kunt doodbezuinigen, maar ook dat je een economie kunt dooddrukken – met de geldpers bedoel ik.

Hoe dan ook: ik weet niets, en stemmen voelt als een riskante gok. Onze politici weten waarschijnlijk ook niets, en het gaat weer uitsluitend over geld. (Het is dan ook een uitzonderlijk ongetalenteerde generatie.) Wat moet ik nu? Wie tot hier doorgelezen heeft en een onderbouwd stemadvies geeft heeft mijn onverdeelde aandacht.

terug

respect voor naema tahir! (2012)

Naema Tahir is een mooie vrouw. Maar dat is niet het enige! Ze heeft romans geschreven, is getrouwd met een gespierde professor, is Zomergast geweest en heeft een column in het prestigieuze programma-met-inhoud Buitenhof. Ze is dus een vooraanstaand Nederlands intellectueel, en dat is knap als je bedenkt dat ze uit Slough komt – bekend van de Britse 'mockumentary' The Office. Naema debuteerde met het boek 'Een moslima ontsluiert' – ik neem aan geen taalfout – waarin ze 'op zoek gaat naar de mens in de moslim'. Later kwamen 'Kostbaar bezit', 'Eenzaam heden' en 'Bruid van de dood' – om een idee te geven van de literaire smaak van deze dame. Twee weken terug nam ze het standpunt in dat politici hun eigen criticasters moeten mogen uitzoeken, onder bijval van haar stompzinnige man (niets ten nadele van gewichtheffers!) die alle televisiecamera's van het Binnenhof wil weren. (En, het is een feit, de aanwezigheid van Pownews' camera belemmerde Kinneging nogal in het zichzelf-zijn – hij moest steeds met één vuist de lens afwenden.) Nu is het op zichzelf te prijzen dat een columnist een verrassend standpunt inneemt en voor iemand in Naema's positie is saaiheid waarschijnlijk funester dan domheid. Ik was hoe dan ook nogal teleurgesteld dat ze vanochtend in beide bleek uit te steken, en ook nog op honingzoete toon. Haar betoog was ongeveer zo:

'Liberalen vinden dat je alles moet kunnen doen als consenting adults [een spoortje Slough] wanneer derden daar geen last van ondervinden. Daarom vinden liberalen dat je drugs mag gebruiken, als prostituee je geld mag verdienen en een einde aan je leven mag maken als je het zat bent. Toch zouden liberalen niet willen dat hun eigen dochters drugs gebruiken, zich als hoer verhuren en voor de trein springen. Daarom moeten we respect hebben voor elkaars heilige boeken, of het nu de Bijbel of de Koran betreft.'

Ik heb geen verstand van argumentatieleer, maar het verkeerd voorstellen van andermans standpunten en die vervolgens tegenspreken lijkt me foul play (pardon). Liberalen vinden uiteraard dat de Staat zich niet mag bemoeien met drugs, seks en euthanasie. Ik vind dat tot op zekere hoogte ook, maar toch hoop ik dat pakweg mijn zusje zich van zulke zaken verre houdt. Het is niet hypocriet om anderen toe te staan wat je zelf laat liggen – dat lijkt me juist heel ruimhartig. Haar tweede standpunt (en vermoedelijk was er een link met het eerste, maar of zij of ik ben die vergeten), dat je respect moet hebben voor elkaars heilige boeken, lijkt me een open deur. Ik hoop alleen dat de mens in de moslima ook vindt dat respect voor elkaars leven groter moet zijn, want met dit statement op dit moment geeft zij de indruk begrip te hebben voor de aanslagen die volgden op de vondst van enkele Korans bij het afval van Amerikaanse militairen in Afghanistan.

Mijn 21ste-eeuwse fatsoen werkt dus zo: als je bij mij thuis een boek van Milan Kundera uit de kast neemt en bij het vuilnis gooit (of in de fik steekt) dan schop ik je eruit, maar ik blaas je niet op.

terug

persvrijheid (2012)

Persvrijheid is een groot goed omdat de media als enige effectief de macht kunnen controleren en confronteren. Het is zelfs een grondrecht: 'niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren' en 'er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending'. Los van alle bij wet te stellen beperkingen is van belang op te merken dat het hier gaat om een grondrecht met zogenaamde 'verticale werking'. Dat wil zeggen dat het recht de macht van de overheid ten opzichte van haar burgers inperkt. Personen onderling kunnen zich niet op dit recht beroepen. Een journalist van een bedrijfskrant kan gecensureerd worden door de directie, een geïnterviewde mag eisen een stuk in te zien voor publicatie. Ook is niemand verplicht mee te merken aan uitgaves en uitzendingen - en dáár dreigt onder invloed van moderne/brutale media een misverstand te ontstaan.

Een bedrijf in opspraak, een rechter, een minister – zodra ze weigeren de media te woord te staan roepen sommige journalisten 'en dat noemen ze persvrijheid!'. Het PowNews wijdde onlangs een item aan de aanwezigheid van andere journalisten in Lech. Sommige cameralieden weigerden te reageren en wilden niet gefilmd worden. Dat is hun goed recht, maar de verslaggeefster beklaagde zich verontwaardigd over het gebrek aan persvrijheid in dit land (welk land daar ook mee bedoeld werd). Het recht te zwijgen is net zo'n fundamenteel onderdeel van de vrijheid van meningsuiting als het recht te spreken en te publiceren. De rol van hoeder van de democratie stijgt sommige journalisten nog wel eens naar het hoofd, en programmamakers die journalistje spelen nemen die karakterfout over. Daarbij dienen veel journalisten veeleer een commercieel dan een ideëel doel, en daaraan hoeft zeker niemand belangeloos mee te werken.

De rechtsfilosoof Andres Kinneging stelde gisteren in Pauw & Witteman voor om niet-inhoudelijk opererende journalisten te weren van het Binnenhof. Zijn partner Naema Tahir deed daarbovenop de ongelukkige suggestie de politiek te laten bepalen welke verslaggevers wel en niet welkom zijn. Dat lijkt me bij uitstek een schending van de persvrijheid. Een journalist negeren, de deur wijzen of wegsturen daarentegen is volstrekt toelaatbaar en in sommige gevallen aan te bevelen. Iemand die de publiciteit zoekt verspeelt daarmee nog niet zijn recht op privacy. Alleen zwaarwegende belangen (zwaarder dan het ego van een journalist) rechtvaardigen dat iemand ongevraagd gefilmd en ondervraagd wordt in zijn huis of op zijn stoep. En dat Kinneging een man bedreigt die zijn acht maanden zwangere vriendin in haar eigen huis wil lastig vallen, daarvoor heb ik niets dan begrip.

terug

allah en assad (2012)

De Volkskrant kopt vandaag: 'Na alles wat ik heb meegemaakt, zeg ik u: God kan niet bestaan'. Dat heb ik altijd een opmerkelijke redenatie gevonden – zowel vroeger, toen ik nog in een opperwezen geloofde, als nu, nu ik vrees dat leven op chemisch toeval berust.

Ibrahim, de Syrische afvallige die de krant haalde, kwam tot inzicht na enkele nachten in Assads martelkelders: 'hoe kan een God toestaan dat een man als Assad op de aarde rondloopt?'. Dat is zowel naïef als egocentrisch. Naïef omdat hij de pest vergeet, de slavenhandel, de holocaust en de gruweldaden die God in zijn Boeken begaat. In 2 Koningen 2 bijvoorbeeld worden 42 kinderen die de profeet Elisa 'kaalkop' noemen vervloekt en terstond door twee berinnen verscheurd. (Dat is de ironie van het gelijk.) Egocentrisch omdat Ibrahim geheel voorbij gaat aan de mogelijkheid dat God wel bestaat, maar niet aan zijn kant staat. Maarten 't Hart heeft eens uitgerekend hoeveel mensen God doodt in de Bijbel: hij kwam tot 600.000, de zondvloed niet meegenomen. Dat God sympathiseert met Assad is dus niet ondenkbaar.(Die God is weliswaar Ibrahims Allah niet, maar wie de eerste soera's van de Koran leest weet dat ze in dat opzicht niet zo verschillend zijn.)

'Na de kopvoddentax en het MOE-meldpunt zeg ik u: Geert Wilders bestaat niet.' Dat klinkt toch niet houdbaar. Een kraker krijgt een baan en denkt: het communisme bestaat niet. Je wordt aangereden en denkt: verkeer bestaat niet.

Dat mensen 'God bestaat' en 'God is goed' zo vanzelfsprekend aan elkaar koppelen geeft wel aan dat religie een woekerend gevolg van wishful thinking is. Maar als we de wereld in beschouwing nemen kun je toch niet anders concluderen dan dat als God almachtig is en kan ingrijpen waar en wanneer hij wil, dat daaruit dan volgt dat hij een voyeuristische sadist is? Zelfs wanneer je gelooft dat het slechte wat ons overkomt een straf is voor afvalligheid (zo zijn er die denken dat God bermbommen in Irak legt om homoseksualiteit in Amerika te wreken) moet je toch inzien hoe wreed het is iemand zo hard te straffen voor de gebreken die je zelf geschapen hebt. Dit alles beseft Ibrahim ook, want hij besluit: 'als God bestaat heet hij misschien wel Assad'. 

ps. Het valt op dat De Volkskrant besluit 'God' te schrijven in plaats van 'Allah', wat toch een gangbaar woord is in de Nederlandse taal. Vond men 'Allah kan niet bestaan' geen verstandige kop?

terug

hero brinkman (2012)

Volgens Hero Brinkman (die niet met modder gaat gooien) heeft Geert Wilders hem verzocht het parlement te verlaten en zijn zetel ter beschikking te stellen aan de partij. 'Ik weigerde natuurlijk, ik sta mijn zelfverdiende zetel niet af.' Ik vroeg me al af waarom iedereen – van oppositie tot Pauw en Witteman – wilde weten of Hero het kabinet zou blijven steunen – wat van meet af aan duidelijk was – maar niet of hij zijn zetel zou inleveren. Van Witteman zou de vraag ook minder hypocriet geweest zijn dan van Wilders, die immers zelf in 2004 zijn VVD-zetel behield en een eenmansfractie begon. In tegenstelling tot Wilders destijds is Hero Brinkman met voorkeursstemmen in de Tweede Kamer gekozen. Ruim 18.000 van de anderhalf miljoen PVV-stemmers gaven in 2010 via Hero te kennen dat zij een democratischer organisatie van de partij wensten. Dat zijn veel voorkeursstemmen, veel meer dan sommige anderen kregen die nu minister zijn. Aan de andere kant: de kiesdeler was 62.773 (d.w.z. een zetel vertegenwoordigt 62.773 stemmen). De Nederlandse kieswet stelt dat wie meer dan een kwart van de kiesdeler aan voorkeursstemmen binnenhaalt op persoonlijke titel in de Kamer gekozen is, mits de lijst waarop hij staat daarvoor voldoende zetels behaalt. Staatsrechtelijk gezien is Brinkmans zetel dus 'zelfverdiend'. Maar 'zelfverdiend' betekent nog niet 'op eigen kracht': zonder Wilders geen Brinkman. De enige PVV-kamerleden die op eigen kracht hun plekje verdiend hebben zijn Wilders zelf en Fleur Agema (wier kracht vermoedelijk vooral haar geslacht was). Het is natuurlijk zo dat de PVV in plaats van Brinkman een anonymus zou installeren die in 2010 evenveel stemmen kreeg als zijn familie groot was, maar Hero, met zijn 'rotsvaste democratische overtuiging', zou eerlijk moeten zijn en zeggen: ik zat dankzij Geert in de Kamer, maar nu scheiden onze wegen. Ik stel mij beschikbaar bij de volgende verkiezingen en schrijf ondertussen een boek over mijn fijne tijd bij de ME en over de financiering van de PVV, die niet helemaal koosjer is – of hoe je het maar bekijkt.'

terug

de arabische lente (2012)

De Arabische lente begon in Tunesië. Mohamed Bouazizi, een verbitterde groenteman die gek was geworden van corruptie en bureaucratie – de politie had zijn kraam gesloten – stak zichzelf voor een overheidsgebouw in brand en ontketende wekenlange manifestaties. President Ben Ali, met een gemankeerd oog voor publiciteit en in een waan van onaantastbaarheid, bespoedigde zijn eigen ondergang door aan Bouazizi's sterfbed te poseren als meelevende vader des vaderlands. De groenteman zelf kon niet meer protesteren: hij was volledig in verband gehuld. Bouazizi's familie zal er niet mee geholpen zijn, maar zijn wanhoopsdaad heeft Tunesië, Libië, Egypte en Jemen van hun despoten bevrijd. Maar wat is er voor dat despotisme in de plaats gekomen? Wat heeft de Arabische Lente gebracht? Waartoe zijn Bouazizi en na hem vele anderen gestorven?

In 2007 kwam de Britse essayist Christopher Hitchens – de wetenschap heeft zijn lichaam – goedgeluimd terug van een bezoek aan Hannibals geboortegrond: Tunesië. Hij had een land gezien, schreef hij in Vanity Fair, met een sterk groeiende economie, een hoge levensverwachting en weinig armoede. Negentig procent van de huishoudens was aangesloten op stroom en water. Christelijke, joodse en sjiitische minderheden werden proudly getolereerd. De straten waren schoon, de taxi's betrouwbaar, de vrouwen stijlvol, de sfeer was soms quasi Left Bank Parisian. Vergeleken met andere landen in de regio (het Libië van Kaddafi, het decennialang in oorlog en terreur verwikkelde Algerije, het door olie en religie verscheurde Soedan, het door nomaden geplunderde Tsjaad) was het in Tunesië zo slecht nog niet. Toch waren de intellectuelen met wie Hitchens dineerde ontevreden: hun land was immers een dictatuur. Over de lang zittende president Ben Ali schreef Hitchens: I have not met the man, but within hours of landing in the country I could have passed an exam in what he looks like, because his portrait is rather widely displayed. Tunesië was onder Ben Ali's bewind een favoriet doelwit van organisaties als Amnesty, vanwege geringe politieke vrijheid. Er waren verkiezingen, maar niemand was verkiesbaar; oppositieleden werden gevangen gezet. Ook had Ben Ali op grote schaal het land geplunderd: het vermogen van de familie Ben Ali werd op 3,5 miljard dollar geschat. Alle belangrijke politieke en economische posities werden door familieleden of vertrouwelingen bezet. Er was kortom alle reden om Ben Ali af te zetten. Maar het land had ook veel te verliezen; was volgens Hitchens menaced by the harsh extremists of a desert religion. Geen gekke benaming voor de salafisten die in heel Noord-Afrika aanslagen plegen om een terugkeer af te dwingen naar de leefwijze die Mohamed zelf, in de zevende eeuw, propageerde en praktiseerde.

Inmiddels is in alle betrokken landen gebleken dat Hitchens angst voor de radicale politieke islam niet overdreven was en lijkt zijn voorkeur voor wat hij noemt African Gaullism, where the presidential rule keeps a guiding, but not tyrannical hand, goed verdedigbaar. Dat de bevolking van Tunesië na persoonlijke ook politieke vrijheid begeerde is begrijpelijk. De ironie is alleen dat zij door die begeerte nu beide dreigen te verliezen. In het ondemocratische prerevolutionaire Tunesië kon een opgemaakte vrouw een glas wijn drinken op een terras, zolang ze Ben Ali niet afviel. Nu kun je Ben Ali beschimpen wat je wil, als je maar een sluier draagt, water drinkt en Allah aanbidt – althans, die kant dreigt het op te gaan. In een ander essay ergerde Hitchens zich aan de gastvrijheid die het Verenigd Koninkrijk verleende aan islamfanaten als Rachid Ghannouchi, die vanuit Londen was allowed to broadcast his hysterical incitements into Tunisia. Bij de eerste kans die de vrijgevochten Tunesiërs kregen hielpen ze Ghannouchi's partij aan de macht.

De grootste slachtoffers van de politieke islam zijn waarschijnlijk gematigde moslims: zij zien niet alleen hun mensenrechten ingeperkt, maar ook hun geliefde geloof bezoedeld – terroristische en totalitaire ondernemingen van moslimsextremisten hebben de islam bepaald geen goede naam bezorgd. De Frans-Tunesische journalist Béchir ben Yahmed – alleenheerser bij het toonaangevende tijdschrift Jeune Afrique – schreef vorige week dat het hem tijd leek 'de noodklok te luiden. De beroemde Arabische Lente heeft islamisten de macht bezorgd in Tunesië, in Egypte, in Libië en zelfs Marokko. [...] Hebben zij zich oprecht en onomkeerbaar verbonden aan de democratie, aan haar regels en lasten? Of gebruiken ze democratie om aan de macht te komen en te blijven? [...] De voortgang die ze hebben geboekt blijkt absoluut (dramatiquement) onvoldoende te zijn. In de vier Noord-Afrikaanse landen waar ze de macht hebben veroverd zijn hun prestaties zo middelmatig dat degenen die hen gekozen en hoopvol verwelkomd hebben een toontje lager beginnen te zingen. […] Sommigen verlangen zelfs terug – zonder het hardop te zeggen – naar het tijdperk van de dictatuur. Daar blijkt wel uit dat de teleurstelling immens is.' Toch hebben zij de maatschappij wel degelijk veranderd.

Verderop in het tijdschrift wordt de salafistische islam besproken onder de titel 'Die zeer verontrustende godsdienstwaanzinnigen'. Let wel: Jeune Afrique is geen atheïstisch manifest en autrice Frida Dahmani heeft ongetwijfeld een moslimachtergrond. Bedoelde godsdienstwaanzinningen worden aangeduid als barbus – baardmannen. Zij zijn de vijand van de gematigde islam. Het moge duidelijk zijn dat wie in Tunesië modern is en goed opgeleid met afschuw naar de opkomst van ces fous de Dieu kijkt. Elk volk krijgt de regering die het verdient – maar salafisten zijn een ander volk, een anachronistisch volk. Inmiddels zijn kunstenaars gemolesteerd, bioscopen geplunderd, bars afgebrand, scholen vernield – want meisjes die ongesluierd onderwijs krijgen, dat getuigt van weinig respect voor de vrouw... De reactie van machthebber Ghannouchi? 'Het zijn onze kinderen. Wij zijn allemaal islamisten.' Frida Dahmani schrijft: De extremisten van Tunesië willen terug naar het verloren paradijs van het begin van de moslimbeschaving en het complot van het Westen tegen de islam ontrafelen. Datzelfde Westen dat hun asiel verleende toen ze het regime van Ben Ali ontvluchtten.

In een democratische rechtsstaat worden bepaalde rechten van meerderheden zowel als minderheden gegarandeerd. Een democratie zonder rechtsstaat is niets meer dan een dictatuur van de meerderheid. Ik hoef niet in een democratie te leven waar de helft van de bevolking uit idioten bestaat. (Denk daar niet te lang over na.) Waar is de levensstandaard hoger? In het democratische Ghana of in de dictatuur Singapore? Met de overwinning van de islamist Mohamed 'Jeruzalem wordt onze hoofdstad' Morsi bij de Egyptische presidentsverkiezingen is de democratie een pijnlijke afgang bespaard gebleven. Had niet Morsi, maar Mubaraks oud-premier Shafiq gewonnen – het scheelde niet veel – dan was de revolutie geannuleerd, nog geen anderhalf jaar na haar losbarsten. De mensenrechten daarentegen hebben verloren: meisjesbesnijdenis en kindhuwelijken worden gelegaliseerd, de sluier zal terrein winnen. Lijken hebben het al moeilijk: zij mogen wettelijk verkracht worden. Homo's houden zich beter schuil, Kopten hoeden zich. Toeristen, maak haast: een regime dat fantaseert over het innemen van Jeruzalem is ook in staat de piramides op te blazen: pre-islamitische relikwieën immers, net als de boeddha's van Afghanistan.

terug

professor bratus (2011)

Drie winters heb ik les gehad van Bratus, een Russische professor in de Neerlandistiek. Bratus was een oude man (maar Russen worden jong oud) in een groen wollen jasje die langzaam liep en langzaam sigaretten rookte op de trappen van het faculteitsgebouw. Hij is in mijn vijf jaar studie de enige geweest die voldeed aan de verwachtingen die de professorstitel schept: bedachtzaam maar beslist, vriendelijk maar onbenaderbaar. Als hij sprak, proefde hij de woorden: Hij nam ze in de mond, sprak ze langzaam uit en liet ze lettergreep voor lettergreep van zijn tong glijden.

Hij sprak ontegenzeggelijk met een accent, maar een niet thuis te brengen accent: het accent van perfectie. Bratus sprak, en dat is zeldzaam, zonder enige vanzelfsprekendheid. Hij sprak niet vanzelf. Elk los woord had voor hem naast betekenis (vóór betekenis misschien) vorm. Bratus sprak Nederlands zoals Glenn Gould Mozart speelde. Bratus zou Couperus moeten inspreken, of Bloem, en dat zenden we dan prime-time uit: niemand zal ooit nog schamper spreken over onze taal.

Bratus gaf dus jaarlijks gastlessen aan de Universiteit van Amsterdam, maar in 2009 werd hij wegbezuinigd, dat wil zeggen: niet meer uitgenodigd. Twee gepensioneerden, hobbystudenten, stuurden Bratus een ticket en regelden onderdak, waarop de universiteit een donkere kelderruime ter beschikking stelde. Hij kwam voor een maand en naast de weldoeners toonden drie studenten belangstelling in zijn lessen. Die lessen waren eenvoudig van opzet: Bratus knipte een eenkoloms artikeltje uit de Metro of de Spits en liet ons dat woord voor woord naar het Russisch vertalen. Je nam dus een woord, 'buitengewoon' bijvoorbeeld, en stelde voor: чрезвычайно, tsjrezvytsjajno, en dan bleef het even stil en sprak hij: buuiii-ten-ge-wooon.... Tsjrezzz - vy - tsjaj -no... Hij liet al zijn zintuigen erop inwerken en aan zijn blik moest je dan aflezen wat hij vond: keek hij vrolijk op een spottende manier, dan was het goed, maar keek hij spottend op een vrolijke manier, dan moest je met iets beters komen.     We stuitten op het woord 'Schiphol', en nadat Bratus over het verschil tussen 'lucht-ha-ven' en 'vlieg-veld' gesproken had vroeg hij ons het woord te transscriberen. Wij schreven: схипхол, schipchol. Het Russisch kent geen 'h', dus zit er niets anders op in voorkomende gevallen een 'г/g' of een 'х/ch' te gebruiken (zoals in Herzen/Герцен resp. swahili/свахили). Bratus herhaalde enkele keren 'Schip-chol' maar was niet tevreden: 'Hoe kunnen we dit woord uitspreken?', vroeg hij zich ontredderd af. Hij had gelijk, want een onbeklemtoonde o-klank bestaat niet in het Russisch, en je moet dus kiezen tussen Schipchal of Schipchool. Bij elke andere docent zou ik iets over de armoede van de Russische taal hebben gemompeld - een onacceptabele gedachte voor elke Rus - maar nu dacht ik alleen maar: gelukkig dat er toch al steeds meer Nederlanders zijn die Schipool zeggen. (En ook noordpool trouwens, alsof dat hetzelfde is.) In twee uur behandelden we zo een paar zinnen, en nooit daarvoor of daarna heb ik zo intensief gelezen als op die wintermiddagen, in een kelder aan de Spuistraat.    

Bratus moet niet op tv, hij moet elke avond aan mijn bed komen zitten en Eline Vere voorlezen.

terug

boelgakov vertaald (2012)

Master i Margarita is het lievelingsboek van vele Russen, en van vele studenten Russisch. Wie het Russisch echter niet verstaat, of niet voldoende, zoals ik, zal zich moeten verlaten op een van de Nederlandse vertalingen van De Meester en Margarita.  Uitgeverij Van Oorschot verkoopt in Nederland de mooiste (en duurste) drukken van vertaalde Russische literatuur en ook 'de Meester' is in haar Russische Bibliotheek opgenomen. De vertaling is verzorgd door Marko Fondse en Aai Prins. (Ik moet er steeds aan herinnerd worden dat Aai een vrouw is, anders dan z'n naam doet vermoeden.) Voor 39 euro wisselt het van eigenaar, zoals Fondse en Prins zouden zeggen. Maar doet deze vertaling recht aan het in 1940 voltooide maar pas  26 jaar later voor het eerst uitgegeven origineel van Michail Boelgákov? 

Literatuur is een kunstvorm en van kunstenaars mag je een zekere originaliteit verwachten. Wie een zin schrijft als 'Jan klom in de pen, schreef een gepeperde brief en besteeg zijn stalen ros om hem te posten' kan geen groot schrijver zijn, maar nog best een 'indrukwekkend' of 'herkenbaar' boek voortbrengen en miljonair worden. Master i Margarita wordt wereldwijd goed verkocht en is  dus bij voorbaat verdacht. Hebben we hier te maken met literatuur, of met wat Nabokov noemt een 'Filistijns' product?  Het boek opent met een weerbericht. Dat belooft weinig goeds. Vervolgens lezen we over 'het ondermaanse', een 'muzenzoon' en twee 'letterdienaars'. Die Boelgakov had, kortom, ook bovenstaande zin over Jan kunnen schrijven. Zitten al die bewonderaars er dan naast met hun oordeel? Toch het origineel er eens bij pakken... 

Ook dat begint met het weer, alas, maar op pagina 10 van de vertaling lezen we dat 'Jezus als persoon nooit bestaan had op dit ondermaanse en dat alle verhalen over zijn persoon botweg verdichtsels waren'. In het Russisch staat er botweg dat 'die Jezus, als persoon, nooit bestaan had op deze aarde en dat alle verhalen over hem gewoon verzinsels zijn'. Dat is nogal een verschil. Boelgakov drukt zich eenvoudig en helder uit, en dat vraagt om een passende vertaling.  In het eerste hoofdstuk komt 24 keer het woord poet voor, dat uiteraard niets anders dan 'dichter' betekent. Marko en Aai hebben op de vertaalschool geleerd dat het literair is om te variëren, want weer op pagina 10 wordt een 'muzenzoon' toegesproken. Nu kun  je zoiets in het Russisch best zeggen, alleen deed Boelgakov dat niet, hij schreef gewoon poet. Een vertaler heeft zo'n keuze maar  te volgen. In dezelfde zin komen trouwens ook 'konterfeitsels' voor. Brontekst: figurku. Op pagina 7 heten literatory 'letterkundigen', op p. 13 'letterdienaren', op p. 16 'geletterden' en aan het eind van het hoofdstuk zijn ze weer 'letterkundigen'. Die Boelgakov beschikt over een gevarieerd vocabulaire, denkt de Nederlandse lezer! De meest voor de  hand liggende vertaling, het Nederlandse woord 'literator', doet volgens mij nog het meeste recht aan het origineel. Op pagina 14  wordt het voorstel gedaan Kant met z'n godsbewijs naar een kamp te bonjouren. Hé, denkt de tweetalige lezer, hoe zou dat in het  Russisch zijn? Bonzjurovat'? Teleurgesteld stelt hij vast dat er gewoon 'otpravit'' staat - het meest gangbare woord voor 'wegsturen'. 

Een memorabele gebeurtenis in het derde hoofdstuk is de plotselinge dood van Berlioz, die onder de tram komt. 'Rollend langs de helling stuiterde het [donkere, ronde voorwerp] over de klinkers van de Bronnaja. Het was het afgehakte hoofd van Berlioz.' Aan deze  katastrofa, zoals Russen een verkeersongeval noemen, wordt in het eerste hoofdstuk gerefereerd met de woorden: 'En dan komt  de tragische ontknoping: de man die zojuist nog meende iets te bedisselen ligt plotseling star tussen zes planken en de omstanders,  die wel inzien dat ze van hem niets zinnigs meer hoeven te verwachten, schuiven hem een crematorium in.' In het origineel ligt de  overledene 'in een houten kist' en schuiven ze hem 'de oven in'. Niet alleen is 'tussen  zes planken' een te vermijden cliché, ook heeft het een connotatie van dood en reeds begraven. En wie een 'crematorium ingeschoven wordt' is nog niet verbrand toch? De meeste mensen verlaten een crematorium immers levend. Laatst zag ik het cliché trouwens zeer  accuraat gebruikt in een nieuwsbericht: 'Australiër tussen zes planken door planking'.   Het heeft altijd iets dubbels wanneer iemand het over 'Wichtigmacherei' heeft, omdat de spreker door voor dat woord te kiezen ook zichzelf verdacht maakt. Datzelfde doet zich voor wanneer de vreemdeling de letterkundigen 'met een zeker poids' toespreekt op  pagina 19. In het Russisch staat er vesko, dat niets meer of minder dan 'gewichtig' betekent, zoals we kunnen lezen op p. 87. Op p. 146 heet het trouwens 'afgemeten', op p. 350 weer 'gewichtig'.  

Het lijkt er sterk op dat Fondse en Prins een bepaalde opvatting over literatuur hebben (een opvatting met een zeker poids) die ze  de Nederlandse lezers door de strot willen duwen. Met hun slechte smaak doen ze de schrijver Boelgakov geen eer aan: hij bedenkt  weliswaar de meest fantastische verhalen, zijn stijl daarentegen is heel gewoon, in de zin van: helder, eenvoudig, toegankelijk. Het  moge duidelijk zijn dat zulke bemoeials met zo'n onliteraire smaak ongeschikt zijn voor het vertalen van de grootste kunstwerken uit de Russische letterkunde. 

Toen ik het regiovoetbal nog versloeg bij de Alkmaarsche Courant las ik 's ochtends wel eens woorden als 'goalie' terug in mijn stukjes. Dat had ik zelf zo niet geformuleerd, maar dan was de eindredacteur enthousiast bezig geweest als ik tweemaal het woord 'doelman' of 'keeper' gebruikt had - had-ie onthouden van het eerste college op de School voor de Journalistiek. Misschien moeten de synoniemverslaafden Fondse en Prins in Alkmaar solliciteren, zodat ze verhalen over Feyenoord kunnen larderen met termen als 'de club uit de  Maasstad' of 'de stadionclub', en mocht Cruijff het ondermaanse eens voor de eeuwige jachtvelden verruilen en tussen zes plankjes belanden, dan vullen ze de krant voor mijn part met duizend variaties op 'Verlosser'. Dan zijn we allemaal verlost.

ps. De besproken vertaling is weliswaar van 1997, maar wordt nog steeds gedrukt.

terug

lees maar, er staat niet wat er staat (2012)

Dat iedereen de wet moet kennen is een even gangbaar als onmogelijk principe van het Nederlands en Europees strafrecht. Veel  minder wordt geclaimd dat iedereen zou moeten weten wat recht is. Toch gaan rechters veelal uit van onze juridische intuïtie  wanneer zij in de letter van de wet niet vinden wat zij zoeken. Toen de jurist Martinus Nijhoff de bekende woorden ‘Lees maar,  er staat niet wat er staat’ schreef, besefte hij misschien niet dat hij een regel van geldend recht citeerde. Maar zouden rechters  zich wel mogen beroepen op onze intuïtie om recht te vinden? 

Het is helaas, of gelukkig, niet mogelijk om elk denkbaar menselijk gedrag te voorspellen, te omschrijven en met straf te bedreigen, dus zullen we het altijd moeten doen met een onvolledig wetboek van strafrecht en zal er altijd in enige mate onzekerheid bestaan  over wat strafbaar is, en wat niet. De schrijver Rozemond beweert dat de strafrechtelijke rechtsvinding zo'n driekwart eeuw  achterloopt bij het privaatrecht en de rechtsfilosofie, en dat een van de oorzaken daarvan is het nogal conservatief vasthouden  aan het legisme door strafjuristen. 

Legisme houdt kortweg in dat de betekenis van de wet in de wettekst en de wethistorische toelichting gegeven is. Deze wijze van  rechtsvinding wordt bepleit om de rechtszekerheid te garanderen en willekeur te voorkomen (overigens heeft het woord willekeur in de rechtswetenschap een heel andere betekenis gekregen dan in het dagelijks taalgebruik). Wie bestraft wordt had wel moeten kunnen weten welk risico hij liep. Legisten zien natuurlijk ook in dat niet elk gedrag vooraf beschrijfbaar is in een strafwet, maar pleiten voor restrictieve wetsuitleg in onvoorziene gevallen, zoals bijvoorbeeld de advocaat-generaal deed in de onder juristen  beruchte Mensenroof-zaak. 

In deze zaak voor de Hoge Raad der Nederlanden werd een handelaar in illegale adoptiekinderen vervolgd op grond van het uit 1886 stammende artikel 278 Wetboek van Strafrecht – een artikel dat verbiedt ‘iemand over de grenzen van het Rijk in Europa  [dat is Nederland] te voeren, met als oogmerk hem wederrechtelijk onder de macht van een ander te brengen’. Nu heeft verdachte  het eenjarige meisje Lisa weliswaar over de Nederlandse grenzen vervoerd, maar hij deed dat vanuit Brazilië naar Nederland en in de ministeriële toelichting bij art. 278 wordt gesproken van ‘het vanuit Nederland over de grens voeren naar het buitenland’. Voor de terughoudend opererende legist is het duidelijk: verdachte is niet strafbaar, althans niet op grond van dit artikel. Het valt in theorie niet uit te sluiten dat de babyhandelaar in kwestie de  memorie van toelichting bij artikel 278 Sr. kende en in de veronderstelling verkeerde dat hij zonder problemen iemand naar Nederland ontvoeren kon. Maar de belezen man werd tóch vervolgd en beriep zich, vanuit een legistische overtuiging, op het legaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat niets strafbaar kan zijn zonder  voorafgaande strafbaarstelling.  

(Als we nu het legisme laten varen en onze juridische intuïtie laten spreken, komen we tot de conclusie dat verdachte best had  kunnen weten dat wat hij gedaan had strafbaar was, al was het maar omdat zijn handelen wel onder andere bepalingen van de  Nederlandse strafwet valt.)

In de memorie van toelichting wordt gesproken over het gevaar dat slachtoffers vanuit het beschermende Nederlandse  rechtssysteem weggevoerd werden naar een ‘andere taalgemeenschap’ in ‘onbeschaafde’ landen, wellicht bewoond door ‘vreemde rovers’ – naar complete hulpeloosheid dus. Dat artikel 278 ook op personen kon zien die vanuit andere landen Nederland binnen worden gevoerd, lag volgens de Hoge Raad ‘kennelijk buiten de voorstelling van de toenmalige wetgever’  – maar, wordt hiermee geïmpliceerd: niet buiten de bedoeling. In het kader van een aantal ontwikkelingen, waaronder ‘kennis van een of meer talen’ door burgers en de totstandkoming  van een internationale gemeenschap, ‘ligt het niet voor de hand dat […] onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds Nederland en anderzijds “[…] landen bewoond door onbeschaafde volken”, aldus de Hoge Raad. 

Er zijn verschillende redenen denkbaar waarom ontvoering náár Nederland in 1886 niet strafbaar is gesteld door minister Modderman, maar al die redenen zijn uit legistisch oogpunt even oninteressant. Restrictieve wetsuitleg eist dat alles buiten de delictsomschrijving onbestraft blijft. Dit lijkt ook te volgen uit art. 7 lid 1. van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, een gecodificeerd legaliteitsbeginsel. 

Maar het Europees Hof denkt daar anders over, getuige een andere zaak, ‘Legaliteit in Straatsburg’, die aldaar in 1995 speelde: ‘De  voortschrijdende ontwikkeling van het strafrecht door middel van rechterlijke interpretatie, uitmondend in aanpassing aan veranderende omstandigheden is niet in strijd met art. 7, mits de uitleg die in de jurisprudentie wordt gegeven aansluit bij de essentie van het delict en redelijkerwijze voorzienbaar is.’ 

De Engelse verdachte in deze zaak was de woning van zijn echtgenote binnengedrongen - ze woonden al niet meer samen en waren van plan te scheiden - en probeerde haar te verkrachten. Hij zag zich genoodzaakt geweld aan te wenden en kneep haar onder meer de keel dicht. De vraag is nu dus of hij redelijkerwijs had kunnen voorzien dat wat hij deed strafbaar was. Onze juridische intuïtie schreeuwt nu: strafbaar!, maar ’s mans advocaat was koelbloedig genoeg om met de volgende rechtswetenschappelijke toelichting uit 1736 op de proppen te komen: 'The husband cannot be guilty of rape commited by himself upon his lawful wife, for by their matrimonial consent and  contract the wife had given up herself in this kind unto her husband, which she cannot retract.' (We zullen ons maar niet afvragen of er vandaag de dag nog onbeschaafde landen zijn waar vreemde rovers wonen die zulke rechten  genieten, maar tot 1991 kon een hitsige echtgenoot in Nederland ook gewoon zijn gang gaan.) 

Het voorbijgaan aan de juridische intuïtie van de burger is in dit specifieke geval niet te verdedigen - wij zouden verdachtes verdediging  lachwekkend vinden als het allemaal niet zo treurig was geweest, maar we moeten ons wel realiseren dat er tijden waren, namelijk in de achttiende eeuw, waarin een dergelijk beroep wél slaagde. Dat had weliswaar meer met mannelijke hegemonie te maken dan met rechtsstatelijke democratie, maar zuiver legistisch gezien deed deze agressieve verkrachter dat wat hem naar de wet toegestaan en door de bijbel opgedragen was. 

Ik vind het altijd wat merkwaardig wanneer gedaan wordt of het recht een natuurwetenschap is en bepaalde verschijnselen 'verklaard'  worden alsof die niet gewoon door andere juristen verzonnen zijn, maar ik kan in dit betoog niet om de Sprong van Scholten heen, die inderdaad net zo deftig klinkt als het Effect van Doppler, maar nog allitereert ook.   Volgens Scholten is elke wetstoepassing een sprong van de algemene regel naar specifieke feiten. Deze sprong kan nooit precies voorspeld worden door de tekst van de wet of de toelichting van de minister en zodoende springt de rechter mee. Om bijvoorbeeld te bepalen wat  het begrip ‘opzet’ inhoudt is een woordenboek of een memorie niet voldoende en moeten we wel teruggrijpen op wat rechters vinden, en  aangezien die niet altijd synchroon springen kan de burger alleen maar hopen dat zijn intuïtie juist was. 

Belangrijk om vast te stellen is wel dat hoe ernstiger de zaak en de strafbedreiging, hoe vanzelfsprekender de juiste intuïtie geacht mag worden, en dat ons strafrechtstelsel, anders dan in sommige andere landen, het product van onze gezamenlijke juridische intuïtie is. De mensenhandelaar en de verkrachter waren óók criminelen geweest als ze door een legistische maas van de wet gekropen waren. Ik begon dit stuk met te stellen dat de wet aan een ieder bekend geacht wordt, maar het recht niet. Voor de meeste mensen geldt dit  eerder andersom.

terug

je zus is een hoer (2011)
(strafrecht in de multiculturele samenleving)

Je puis surprendre ce petit paysan avec ma femme, et les tuer tous les deux; dans ce cas, le tragique de l’aventure en ôtera peut-être le ridicule. Cette idée lui sourit; il la suivit dans ses détails. Le Code Pénal est pour moi, et, quoi qu’il arrive, mes amis du jury me sauveront.
Stendhal


I

De verspreiding van allerlei culturen over de hele wereld (van de Molukse cultuur in Nederland tot de Japanse in Californië) brengt een aantal problemen met zich mee. Een van die problemen is de legitimiteit van het strafrecht.

Wie in land A woont en de daar geldende wet overtreedt loopt het risico vervolgd en veroordeeld te worden volgens plaatselijk recht. Voor velen is dit een vanzelfsprekend beginsel, maar een enkele keer komt het voor dat iemand met een afwijkende culturele achtergrond gekrenkt wordt door arrestatie en bestraffing omdat hij niet wist dat wat hij deed strafbaar is (hij voert een cognitief verweer) of omdat hij vindt dat wat hij deed niet strafbaar behoort te zijn (het zogeheten volitief verweer).  Een oprecht cognitief verweer kan rekenen op mijn sympathie, zolang het om onschuldige overtredingen gaat (een veel genoemd voorbeeld in de literatuur is een overtreding van de Wet op de lijkbezorging door as uit te strooien waar dat niet mag). Wie willens en wetens de wet overtreedt en zich beroept op groepsdruk (psychische overmacht) of strafmatiging verlangt wegens persoonlijke omstandigheden begeeft zich al op gladder ijs.

Toch zijn er genoeg rechtsgeleerden (en rechters) die dergelijke culturele verweren honoreren. J. M. ten Voorde stelt in zijn proefschrift ‘Cultuur als verweer’ bijvoorbeeld dat strafrecht niet werkt voor wie ‘geen begrip voor de straf’ heeft. ‘Immers, begrijpt hij het niet, dan zal de straf niet speciaal preventief werken.’ Dat is nog maar de vraag. Als ik opgesloten word wegens het dragen van een rode trui zal ik – alle onbegrip ten spijt – voortaan toch zorgvuldiger zijn in mijn kledingkeus. In Nederland (hier wel) wordt in het vonnis uitgelegd welke wetsovertreding bewezen wordt geacht en welke straf daarbij hoort. Onbegrip levert nog geen onrecht op.

Ten Voorde hecht veel waarde aan ‘respect voor cultuur’, een ‘laatkomer onder de mensenrechten’, die gecodificeerd is in artikel 27 van het IVBPR. Dit artikel is in de beste mensenrechtelijke traditie zo vaag mogelijk geformuleerd en het is aan rechter om recht te ‘vinden’ en de grenzen van dit recht af te bakenen. Ten Voorde onderscheidt cultuur met en zonder hoofdletter, waarbij mét schilderijen etc. omvat en zónder ‘een verzameling opvattingen en ideeën die webben van betekenis geven in de wijze waarop mensen handelen’. (Of dit onderscheid wel zo duidelijk is, moet later maar eens aan de orde komen: kan een schilderij niet ook een verzameling opvattingen zijn die webben van betekenis geven, maar dan namens een individu?)

Hoe dan ook, het recht op cultuur met een kleine c zou een recht zijn dat ‘zwaarder weegt dan de collectieve belangen van de samenleving’, en daarmee een strong right zijn. Uiteraard is veel wetgeving, bijvoorbeeld het straf- en belastingrecht, een inperking op het recht ‘in vrijheid te beslissen hoe men het eigen leven richting geeft’, maar voor wie van buiten komt is een dergelijke inbreuk misschien onverwachter en ingrijpender.   

II

Er bestaat een nuttig onderscheid tussen vier soorten cultureel verweer (twee op de x- en twee op de y-as). Er zijn partiële verweren, die ingebed zijn in een bestaand rechtssysteem en de vorm aannemen van een ander verweer, zoals een bewijsverweer of een strafmaatverweer, of een strafuitsluitingsgrond (bijvoorbeeldpsychische overmacht – ‘niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen’). Zulke verweren vragen geen aanpassing van de Nederlandse strafwet, worden inderdaad gevoerd en mogen door de rechter niet ongemotiveerd verworpen worden. Wie meent dat de eer van zijn kinderen door zijn verblijf in de gevangenis zal worden aangetast kan vragen om een voorwaardelijke straf (zoals Dong Lu Chen voor de New Yorkse rechter met succes gedaan heeft).

Sommige juristen pleiten voor het opnemen van een formeel cultureel verweer in de strafwet. Een verdachte krijgt zo de mogelijkheid zich te beroepen op cultureel afhankelijke factoren die aanleiding hebben gegeven tot of oorzaak zijn geweest van de wetschending. Zo’n verweer zou zowel een rechtvaardigingsgrond zijn, omdat het gedrag geëxcuseerd wordt, als een schulduitsluitingsgrond, omdat de verdachte dan geen verwijt treft wanneer hij zich naar aan de wet vreemde, maar toch geaccepteerde groepsnormen gedraagt. Tegen dit systeem (dat het Nederlands recht voorlopig niet kent) is een groot praktisch bezwaar in te brengen: welke culturen worden erkend, door wie, en hoe wordt vastgesteld of een verdachte inderdaad tot die cultuur behoort? De Zuid-Italiaanse mafiacultuur komt toch hopelijk niet in aanmerking, terwijl die misschien wel voldoet aan een aantal belangrijke voorwaarden, waaronder een eigen normenstelsel en moeilijk te weerstane groepsdruk.

Het onderscheid tussen cognitief en volitief cultureel verweer is al eerder gemaakt: wie net over uit Somalië op straat in Nederland qat kauwt en aangehouden wordt zal toch vreemd staan te kijken, en is misschien ook best bereid een volgende keer af te zien van dat – hoewel in zijn ogen onschuldige – aanwensel. Wie echter de zedelijkheid van zijn dochter gewapend verdedigt en daarbij slachtoffers maakt zal aanvoeren dat hij de Nederlandse wet wel kende, maar niet anders kon dan de in zijn gemeenschap geldende normen volgen. Zo’n verweer heeft een wel heel sterk deterministisch karakter (‘ik had geen vrije wil’) en zal toch wel niet snel aanvaard worden?

III

In de wereld van het recht is het cultureel verweer geen nieuw verschijnsel, het levert al decennia interessante jurisprudentie op – dat is het bittere lot van veel gruwelijke zaken. We zagen de Chinese New Yorker Dong Lu Chen al even voorbij komen. Dong woonde nog maar kort in de Verenigde Staten toen hij erachter kwam dat zijn vrouw hem ontrouw was. Hij riep uit haar te zullen vermoorden en voerde zijn dreigement uit. Volgens de ingeschakelde deskundige was de uitroep een normale reactie van een normale Chinese man, voor wie overspel een grove schending van zijn eer is. Wat op het Chinese platteland vervolgens gebeurt is dat andere mannen de bedrogen echtgenoot ervan weerhouden zijn vrouw daadwerkelijk om te brengen. Op die manier worden de eer van de man en het leven van de vrouw gered. Helaas was er in New York geen dorpsgemeenschap om hem tegen te houden en moest Dong wel handelen, om het beetje eer dat hem nog restte niet ook kwijt te raken. Nu kun je je rond deze zaak van alles afvragen – bijvoorbeeld of de eer van een Nederlandse man, die van huis uit zulke normen niet meegekregen heeft, minder waard is dan die van Dong – maar voor de rechter was deze informatie aanleiding om de verdachte niet voor moord, maar voor doodslag te veroordelen. We wisten al dat Dong zelfs wegkwam met een voorwaardelijk straf omdat de eer van zijn kinderen (die het inderdaad al zwaar te verduren hadden) zwaarder woog dan het belang van de samenleving.

De Laotiaan Kong schaakte en verkrachtte de eveneens uit Laos afkomstige Seng - in de Verenigde Staten - en werd vervolgd. Volgens Kong werden zijn gedragingen in Laos niet als verkrachting gekwalificeerd, maar als zij poi nam, en is dat in zijn vaderland een geaccepteerde methode om aan een echtgenote te komen (waarbij de verkrachting een bestendiging van de ontvoering is). Ook Kong kon rekenen op begrip van de rechter en kwam negentig dagen later en duizend dollar armer vrij. Fumiko Kimura mocht blij zijn dat ze Japanse was en geen Amerikaanse, want zij kon verklaren ertoe genoodzaakt te zijn geweest oyako shinjo te begaan, en kreeg niet de doodstraf, zoals in Californië iemand boven het hoofd hangt die een dubbele kindermoord gepleegd heeft.

Twee vergelijkbare gevallen uit de Nederlandse rechtspraktijk verliepen anders. De Veghelse Turk Ali doodde de vriend van zijn zus en beriep zich voor de rechter (partieel cognitief) op overmacht: de Turkse gemeenschap in Veghel pestte hem met het ‘hoerige’ gedrag van zijn zus en zijn vader had hem tenslotte zodanig ‘opgefokt’ dat hem – na een ‘provocatie’ van het slachtoffer -  niets restte dan een wapen te trekken en te schieten. NRC Handelsblad vroeg een lid van de gemeenschap naar de geloofwaardigheid van dit verweer. ‘Je zus is een hoer. Turkse jongens flippen echt totaal als ze dat naar hun hoofd krijgen,’ zegt Ahmet. ‘Zeker als het waar is. Ik bedoel: zeker als je zus echt een vriend heeft.’ De rechter vond dat Ali de druk van zijn vader en de Turkse gemeenschap had moeten weerstaan.

Een Antilliaanse vrouw uit Groningen meende dat haar 5-jarige dochtertje Daartje bezeten was door een kwade geest, waarna in een poging de geest te doden het meisje zelf om het leven kwam – na wekenlang verwaarloosd en verzwakt te zijn. Dit in de Caraïben kennelijk vaker gepraktiseerde brua-ritueel werd door de rechter niet als verzachtende omstandigheid aanvaard, die verder meende dat de vrouw weerstand had moeten bieden aan deze ‘cultureel bepaalde neiging tot bijgeloof en magie’.

Toch is de Nederlandse magistratuur niet geheel onverschillig voor culturele aspecten van delicten. Gebleken is dat Marokkaanse en in mindere mate Turkse daders moeite hebben met het bekennen van een delict, hoe overtuigend het bewijs ook is. Dit kan nadelig zijn, omdat erkennen en spijt betuigen vaak een gunstige uitwerking heeft op de strafmaat. Wie overduidelijk schuldig is maar blijft ontkennen kan in de praktijk rekenen op de toorn van de rechter – die zich weer in zijn eer aangetast ziet. Bovendien wordt voor sommige maatregelen (bijvoorbeeld een taakstraf bij bureau Halt) een bekentenis gevraagd - de dader moet inzicht tonen in zijn schuld. Inmiddels is dit vereiste voor Marokkaanse daders komen te vervallen, zodat Marokkanen niet enkel door het feit dat het hun cultureel gezien zwaar valt te bekennen benadeeld worden. 

IV

Ten Voorde onderscheidt drie argumenten voor cultureel verweer: het garanderen van individuele rechtvaardigheid (het ontkennen van culturele factoren die een rol hebben gespeeld in het delict kan ertoe leiden dat de culturele identiteit van de verdachte wordt miskend, wat strijdt met het IVBPR); respect voor culturele diversiteit; en vergroting van de accuratesse van het strafrecht (door bijvoorbeeld met passender straffen meer resultaat te boeken). Daartegen wordt dan ingebracht dat individuele rechtvaardigheid ook het slachtoffer moet toekomen (en dat bijvoorbeeld de Chinees Dong wel erg mild behandeld werd, als ware hij zelf het slachtoffer, terwijl zijn vrouw dood is); dat respect voor culturele diversiteit ten koste kan gaan van individuen binnen een groep (zij worden ‘opgesloten in een bepaalde interpretatie van de cultuur van zijn groep’); en de schaduwzijde van accuratesse is een te ongelijke en daardoor onvoorspelbare en oneerlijke toepassing van het recht.   

Cultuur mag nooit een vrijbrief worden voor ongewenst gedrag, en we moeten ervoor waken dat respect voor een groep als geheel niet juist nadelig uitpakt voor een individu of een minderheid binnen die groep. Het lijkt er bijvoorbeeld op dat Chinese vrouwen in New York nog maar weinig rechtsbescherming genieten, onder het mom van ‘respect voor culturele diversiteit’. En moet een gematigde moslim die zijn zuster doodt harder gestraft worden dan een fanaticus?

Een maatstaf kan de vraag zijn of de schade van de culturele assimilatie (het verstrooien van as op een daartoe aangewezen plek, het onbesneden laten van kinderen, het verdragen van de schending van familie-eer) groter is dan de schade van het delict, zodat we in elk geval nooit ons respect voor de slachtoffers verliezen.

terug

studenten en democratie (2011)

Ik had al langer de indruk dat de academische wereld bij uitstek ondemocratisch georiënteerd is, en dat veel studenten democratie cynisch tolereren als dekmantel voor hun carrièrezucht. Die indruk werd vanmiddag weer eens bevestigd op een vergadering van wat ik maar zal noemen: de vereniging van studieverenigingen (want de drang om verenigingen intern op te delen in allerlei commissies en subcommissies woekert net zo agressief naar buiten toe: een vereniging moet onderdeel zijn van een andere, overkoepelende vereniging).

Ter sprake kwam het probleem van bestuursopvolging. Elke studievereniging heeft enige moeite met het vinden van nieuwe bestuursleden. Een van de oorzaken hiervan is dat leden opzien tegen het omvangrijke takenpakket van een bestuurslid. Kandidaat-penningmeesters, zo bleek, zijn überhaupt niet te vinden. Nu hebben we het niet over de ANWB, maar over studieverenigingen met enkele tientallen tot hooguit een paar honderd leden, van wie vaak maar een klein percentage deelneemt aan activiteiten. De werkelijke reden waarom leden opzien tegen een bestuursfunctie is natuurlijk dat ze een jaar lang tegen een stel hoofden aan hebben moeten kijken die verkrampt waren door belangrijkheid. (Ik was in de gelegenheid dat op te merken, want in tegenstelling tot echte despoten gedragen bestuurders van studieverenigingen zich ook onderling gewichtig: we zaten bijvoorbeeld in een doorsnee collegezaal, en niet bij Yab Yum.)

Enfin, als er dan toch nog leden bereid waren gevonden moesten zij een selectieprocedure ondergaan, 'zodat we kunnen uitleggen wat er allemaal bij komt kijken en zodat we kunnen peilen wat ze willen met de vereniging. Maar het is allemaal heel informeel hoor, want we kennen elkaar natuurlijk goed van de borrels en de activiteiten.' Binnen mijn vereniging (een oase van transparantie) noemen we dat dan gewoon aanstellerij. Als je elkaar zo goed leert kennen op borrels, kun je ook zulke dingen daar bespreken, en waarschijnlijk beter daar.

Sommige kandidaten vielen af, wegens 'gebrek aan betrokkenheid', 'te oud', 'te onervaren' en ook 'verkeerde intenties'. Deze leden worden niet voorgedragen voor een bestuursfunctie. (Het zij opgemerkt dat bestuurleden vandaag de dag niet meer met alle eerstejaars naar bed gaan, althans niet als regel. Op wat voor ervaring dán gedoeld wordt is me onbekend. Voorzitter van de feestcommissie op je middelbare school is in elk geval onvoldoende, want de meeste verenigingen laten geen eerstejaars studenten toe in hun bestuur.) Het bleek dat ik het enige aanwezige bestuurslid was dat zich niet wilde bemoeien met de samenstelling van het bestuur van volgend jaar. Ik liet een paar begrippen vallen als 'over je graf regeren' en 'kleven aan het pluche', maar daarvan was men niet onder de indruk. Hoe ging dat dan bij ons? Nou, iedereen kan zich kandidaat stellen en de leden kiezen drie bestuurders. Toevallig is de afgelopen jaren gebleken dat onervaren of onbetrokken kandidaten ook bij zo'n gang van zaken weinig kans maken.

De  Bestuursleden waren echter niet gerust gesteld: - 'Maar dan kies je dus mensen die je kent, of die je aardig vindt. Dat is achterkamertjespolitiek!' Ik vroeg me af of dat een grap was. - 'Maar vind je het dan niet zonde dat alle contacten die je hebt gelegd, alle kennis die je hebt vergaard, alles waar je je voor ingezet hebt - dat dat allemaal verloren kan gaan?' Dat klonk behoorlijk onbaatzuchtig, en misschien meende het meisje het oprecht  (ze leek me bijzonder vervelend, maar niet kwaadaardig) - maar het zijn wel precies de woorden waarmee Kaddafi en Gbagbo hún tirannie verdedigen. (Het volk is immers ondankbaar en om te voorkomen dat het volk die ondankbaarheid eventueel zou tonen wordt het maar niets gevraagd.)

Ik zei nog iets algemeens over de essentie van democratie en iemand riep: jij bent zeker een D66'er! - en iedereen hartelijk lachen. (Ze leren snel: binnenskamers hoef je je overtuigingen immers niet hoog te houden.) De vraag is natuurlijk wie de echte D66'er is, ik of zij - ik heb namelijk óók sterk de indruk dat de Jonge Democraten, zoals de aan D66 gelieerde netwerkvereniging heet, uit ongeveer de vijver vist waar ik op dat moment middenin dreef en langzaam in dreigde te verdrinken.

Toen wierp de voorzitter een boei: we hoeven niet allemaal Joost aan te vallen!

Uit betrouwbare bron weet ik dat Jonge Democraten van nu bestuurlijke vernieuwing 'niet als prioriteit beschouwen' - en uit de manier waarop me dat gezegd werd kon ik afleiden dat dat nogal een understatement was. Ik heb D66 altijd bewonderd omdat ze ideeën uitdroegen die hun eigen ondergang konden betekenen – zoals de invoering van een districtenstelsel – maar de jonge garde 'democraten' vindt weer gewoon dat democratie leuk is, maar écht belangrijke zaken toch aan de elite overgelaten moeten worden. (Waarom zou je je trouwens jaren met tong en ellebogen omhoog werken binnen een politieke partij om vervolgens de burgemeestersverkiezing te verliezen van een of andere dorpsidioot?) Dat ze tegen referenda zijn verkopen ze dan met redelijke argumenten (hun handelsmerk immers) als 'hoe kun je een besluit nemen zonder goed voorgelicht te zijn' - wat volgens mij meer een bezwaar tegen democratie in het algemeen is.

Het is een bekend verschijnsel in derdewereldlanden dat hoe democratischer een partij in naam is, hoe despotischer ze in de praktijk blijkt te opereren. Uit Afrika komt altijd wat nieuws, en af en toe wat goeds, maar taalinflatie zal ik altijd bestrijden: een actieve JD’er (en notoire veelvergaderaar) nam mijn suggestie om de moederpartij maar om te dopen in Aristocraten ’11 met net iets te weinig tegenzin in overweging. Het grootste bezwaar vond hij dat het als een snelweg klonk.

Terwijl ik dit schrijf houdt de vereniging van verenigingen een borrel, maar ik, sukkel, ging naar huis. Dat wordt nooit wat. Mijn ervaring als bestuurslid  gaat misschien wel voor altijd verloren…

terug

copywright op alle teksten - contact