renan - leven van jezus

        
leven van jezus
(ernest renan)

voorwoord
plek van jezus in de wereldgeschiedenis
kindertijd en jeugd van jezus
opleiding van jezus
aanvang van de legende van jezus
wonderen
oppositie tegen jezus
jezus' laatste reis naar jeruzalem
dood van jezus
jezus in het graf
het lot van de vijanden van jezus
terug


-
-
-
-
-
-
-
















-
-
-

--
-





-

-

fragmenten uit vie de jťsus, ernest renan, 1863
(bijbelcitaten komen uit de Groot Nieuws Bijbel van 1998 - her en der komen nog inconsistenties voor, met name wat betreft hoofdlettergebruik en meervoudsvormen)

Uit: Voorwoord bij de dertiende editie


   
[...] Ik heb het reeds gezegd en ik herhaal het: als men zich bij het beschrijven van het leven van Jezus ertoe noopt niets anders te vermelden dan zekerheden, zou men zich moeten beperken tot enkele regels. Hij heeft bestaan. Hij kwam uit Nazareth in Galilea. Hij predikte met charme en liet aforismen na die zich diep in de herinnering van zijn discipelen hebben genesteld. Zijn twee voornaamste discipelen waren Petrus en Johannes, zoon van Zebedeus. Hij wekte de haat van orthodoxe joden, die erin slaagden hem door Pontius Pilatus, destijds prefect van Judea, ter dood te laten veroordelen. Hij werd gekruisigd buiten de stadspoort. Men gelooft dat hij even later is wederopgestaan. Dat is wat we met zekerheid zouden weten uit teksten van een onbetwistbare authenciteit en datering, zelfs als de evangeliŽn niet zouden bestaan, of leugenachtig zouden zijn. [...]

Plek van Jezus in de wereldgeschiedenis (hoofdstuk 1)

De voornaamste gebeurtenis in de wereldgeschiedenis is de revolutie waarbij het meest beschaafde deel van de mensheid zijn oude religies, die we verzamelen onder de vage noemer paganisme, verruild heeft voor een religie gebaseerd op monotheÔsme, de drie-eenheid en de menswording van Gods zoon. Deze bekering heeft bijna duizend jaar geduurd. De nieuwe religie had minstens drie eeuwen nodig om vorm te krijgen. Maar de oorsprong van bedoelde revolutie is een gebeurtenis die plaatsvond tijdens de regeringen van Augustus en Tiberius. Er leefde toen een superieur persoon, die door zijn onverschrokken initiatief en de liefde die hij opriep het onderwerp werd en het vertrekpunt schiep van het toekomstige geloof van de mensheid.

Sinds hij zich onderscheidde van de dieren is de mens religieus geweest, dat wil zeggen zag hij in de natuur iets voorbij de werkelijkheid, en voor zichzelf iets voorbij de dood. Die gedachtegang heeft gedurende duizenden jaren de vreemdste wendingen genomen. Bij veel rassen ging het nooit verder dan het geloof in geesten, in de primitieve vorm die we nog steeds aantreffen in sommige delen van OceaniŽ. Bij enkele volkeren leidde het religieuze bewustzijn tot de beschamende slachtingen die de oude religie van Mexico karakteriseren. Andere landen, vooral in Afrika, bleven steken in afgoderij, dat wil zeggen de aanbidding van een voorwerp dat men bovennatuurlijke krachten toekent. Zoals de liefde, die bij gelegenheid nog de meest vulgaire mens boven zichzelf uit doet stijgen, soms overgaat in perversie en ruwheid; zo heeft deze goddelijke neiging tot gelovigheid lange tijd op een gezwel kunnen lijken dat moest worden weggesneden uit de menselijke soort, en was ze aanleiding tot dwalingen en misdaden die door wijze lieden moesten worden bestreden.

De schitterende beschavingen die zich al vroeg ontwikkelden in China, BabyloniŽ en Egypte lieten enige religieuze vooruitgang zien. China bereikte snel een soort doorsnee gezond verstand, dat het behoedde voor grote dwalingen. Het heeft noch de voordelen, noch het misbruik van religie gekend. In elk geval heeft het wat dat betreft geen enkele invloed gehad op de richting waarin de mensheid zich zou ontwikkelen. De religies van BabyloniŽ en SyriŽ kwamen nooit los van een vreemdsoortig, sensueel karakter; die religies bleven, tot hun ondergang in de vierde en vijfde eeuw van onze tijd, scholen van immoraliteit, waaraan af en toe, dankzij een soort poŽtische intuÔtie, heldere inzichten in het goddelijke ontsnapten. Egypte wist, ondanks kennelijke afgoderij, al vroeg tot metafysische wetten en een geopenbaard symbolisme te komen. [Maar...] het geloof van de mensheid komt niet uit Egypte. De elementen van de christelijke religie die, via duizend omwegen, uit Egypte en SyriŽ komen zijn vormelijkheden met weinig gevolg – slak dat zelfs in de zuiverste culten achtergebleven is. De grote tekortkoming van de religies waarover we spreken was hun bijgelovige karakter; ze hebben de wereld miljoenen amuletten en abrasaxen gebracht. Van een door seculair despotisme vernederd en aan de onderdrukking van persoonlijke vrijheden gewend geraakt volk kon geen grootse morele gedachte uitgaan.

De poŽzie van de geest, geloof, vrijheid, eerlijkheid en toewijding zijn op aarde onstaan met de twee grote rassen die, in zeker opzicht, de mensheid hebben gevormd, ik bedoel het Indo-Europese en het Semitische ras. De eerste religieuze intuÔtie van het Indo-Europese ras was in essentie naturalistisch. Maar het was een diepzinnig en moreel naturalisme, een liefdevolle omhelzing van de natuur door de mens, een delicate poŽzie, vol van het idee van oneindigheid, het principe dus dat het Germaanse en Keltische genie, dat Shakespeare, dat Goethe, later zouden uitdrukken. Het was geen religie of moraliteit; het was melancholie, tederheid, verbeeldingskracht; en bovenal een grote ernst –onmisbare voorwaarde voor religie en moraliteit. Het geloof van de mensheid kon daar echter niet vandaan komen, omdat deze oude culten veel moeite hadden het polytheÔsme los te laten en niet tot een voldoende heldere leer kwamen. Het brahmanisme heeft alleen maar standgehouden tot in onze tijd dankzij een verbazende hang naar behoud die India eigen schijnt te zijn. Het boeddhisme faalde in al zijn pogingen zich naar het westen uit te breiden. Het druÔdisme bleef een nationale aangelegenheid zonder universele reikwijdte. De Griekse pogingen tot hervorming, het orfisme, de mysteriŽn, volstonden niet om de ziel te voeden. Alleen PerziŽ slaagde erin een dogmatische, bijna monotheÔstische en wijs georganiseerde religie te ontwikkelen – maar het is goed mogelijk dat die organisatie een imitatie of een ontlening was. Hoe dan ook: PerziŽ heeft de wereld niet bekeerd; het is integendeel zelf bekeerd toen het aan zijn grenzen de monotheÔstische vlag van de islam zag verschijnen.

Het is het Semitische ras dat de eer heeft de religie van de mensheid te hebben ontwikkeld. Ver buiten bereik van de geschiedschrijving, vanuit een tent die verschoond was gebleven van de wanorde van de toen al gecorrumpeerde wereld, heeft de BedoeÔense aartsvader het geloof van de wereld voorbereid. Een sterke antipathie tegen de wellustige culten van SyriŽ, een grote rituele eenvoud, de complete afwezigheid van tempels, de afgod tot onbetekenende theraphim gereduceerd – vandaar de superioriteit. Van alle Semitische nomadenvolkeren was dat van de kinderen van IsraŽl toen al uitverkoren een bepalende rol te vervullen. Oude relaties met Egypte, met als gevolg mogelijke ontleningen die lastig te ontrafelen zijn, deden hun afkeer van afgoderij alleen maar groeien. Een īWetī, of thora, al in een vroegere tijd op stenen tafelen geschreven, volgens hen door hun grote bevrijder Mozes, was de bron van het monotheÔsme en droeg, vergeleken met de instituties van Egypte en BabyloniŽ, krachtige kiemen in zich van sociale gelijkheid en moraliteit. Een draagbare kist, verfraaid met een sphinx, met ringetjes aan de zijkanten waar draagstokken doorheen gestoken konden worden, was hun enige religieuze attribuut; daarin waren alle heilige voorwerpen van het volk verzameld: de relieken, de gedenktekens, ten slotte het īboekī, een dagboek dat altijd open lag voor het volk, maar waarin men met grote terughoudendheid schreef. De familie die verantwoordelijk was voor het dragen van de ark en waakte over zijn inhoud, die altijd op het boek kon beschikken, vergaarde snel aanzien. Daar komt echter niet de institutie vandaan die de toekomst heeft bepaald. De Hebreeuwse priester verschilt niet veel van andere priesters van de oudheid. Het kenmerk dat IsraŽl essentieel van andere theocratische volkeren onderscheidt is dat het priesterschap er altijd ondergeschikt geweest is aan individuele inspiratie. Behalve priesters had elk nomadisch volk zijn nabi, of profeet, een soort levend orakel dat men raadpleegde over obscure kwesties waarvan de oplossing een hoge mate van scherpzinnigheid vereiste. De nabis van IsraŽl, georganiseerd in groepen of scholen, waren superieur. Ze waren verdedigers van de oude democratische gedachte, vijanden van de rijken, gekant tegen elke vorm van politieke organisatie en alles wat IsraŽl in de vaart der volkeren zou betrekken, ze waren de ware werktuigen van het religieuze primaat van het Joodse volk. Al vroeg spraken zij hun onbegrensde verwachtingen uit, en toen het volk, deels als gevolg van zijn apolitieke houding, werd verpletterd door Assyrische mogendheden, verkondigden zij dat Judea voorbestemd was tot onbeperkte heerschappij, dat op een dag Jeruzalem de hoofdstad van de wereld zou zijn en dat de hele mensheid Joods zou worden. Jeruzalem met zijn tempel kwam hen voor als een stad op een berg waar alle volkeren op af zouden komen, als een orakel waar universele wetten vanuit gingen, als het centrum van een ideaal bestuur, waar het menselijk ras, tot vrede gebracht door IsraŽl, de heerlijkheden van het paradijs zou vinden.

Onbekende elementen zijn al waarneembaar die de martelaar ophemelen en de kracht van de īlijdende mensī vieren. Voor een van hen, die, net als Jeremia, met zijn bloed de straten van Jeruzalem kleurde, schreef een profeet een lofzang op het lijden en de triomf van de īdienaar Godsī, waarin alle profetische kracht van het IsraŽlische genie geconcentreerd leek: Dit zegt de Heer: īMijn dienaar zal slagen; hij zal in aanzien stijgen, de hoogste eer valt hem te beurt. Velen waren verbijsterd, zo mishandeld was hij, zo geschonden, nauwelijks nog een mens. Velen ook zal hij in verbazing brengen, volken en koningen zullen sprakeloos staan: zij zien wat hun niet was verteld, zij vernemen waarvan zij nooit hadden gehoord.ī[En zie verder Jesaja 53.]

Tegelijkertijd ondergaat de Thora ingrijpende veranderingen. Nieuwe teksten, die pretenderen de ware wet van Mozes te zijn, worden geschreven, zoals Deuteronomium, en brengen een gezindheid die sterk afwijkt van die van de oude nomaden. Een groot fanatisme was het onderscheidende kenmerk van deze stroming. Dolle gelovigen entameren onophoudelijk gewelddadigheden jegens een ieder die zich buiten de culte van Jehova plaatst; een bloedwet wordt ingevoerd, die de doodstraf voor religieuze delicten voorschrijft. Vroomheid brengt bijna altijd bijzondere, vurige of juist lieflijke, tegenstand met zich mee. Zulke geestdrift, onbekend in de primitieve eenvoud van de tijd van Richteren, inspireert tot bewogen prediking en tedere zalving waarmee de wereld tot dan toe niet bekend was. Een sterke belangstelling voor sociale vraagstukken was al merkbaar; utopieŽn en fantasieŽn over de ideale samenleving kregen een plek in de tekst. Een mengeling van patriarchale moraliteit, geestdriftige toewijding, primitieve intuÔtie en vrome fijnzinnigheid die de geest van een Hizkia, een Jozias, of een Jeremia kenmerkte, komt aldus samen in de Pentateuch zoals wij die kennen, en wordt voor eeuwen de absolute basis van de nationale gezindheid.

Toen dit boek er eenmaal was, ontvouwde zich de geschiedenis van het Joodse volk met een onstuitbare drang. De grote rijken die elkaar opvolgden in West-AziŽ ontnamen het alle hoop op wereldse heerschappij, en het richtte zich met een somber soort passie op zijn religieuze dromen. Het was weinig begaan met de nationale dynastie of politieke onafhankelijkheid en accepteerde elke regering die het vrij liet in het belijden van zijn religie en het praktiseren van zijn gebruiken. Het enige doel van het IsraŽlische volk was dus nog dat van zijn religieuze enthousiastelingen, zijn enige vijand was de vijand van de goddelijke ťťnheid, en zijn enige vaderland de Wet.

En die Wet, het moet gezegd, was zeer sociaal en moreel. Het was het werk van mensen die een hoge standaard hadden voor het leven op aarde en geloofden de juiste middelen gevonden te hebben om die te behalen. Iedereen was ervan overtuigd dat een strikte naleving van de Thora tot niets dan volmaakt geluk kon leiden. Deze Thora heeft niets gemeen met Griekse of Romeinse wetten, die weinig abstract waren en zich nauwelijks bemoeiden met kwesties van geluk of persoonlijke moraal. Je weet bij voorbaat dat de gevolgen van de Joodse wet van sociale orde zijn, en niet politiek, dat deze mensen aan het koninkrijk van God werken, niet aan een burgerrepubliek; een universele heerschappij, niet een nationaliteit of een vaderland.

Ondanks vele moeilijkheden heeft IsraŽl deze roeping bewonderenswaardig hooggehouden. Vrome mannen, verteerd door ijver voor de Wet – Ezra, Nehemia, Onias, de MaccabeeŽrs – volgen elkaar op om de oude instituties te verdedigen. Het idee dat IsraŽl een volk van heiligen is, een door God uitverkoren en met hem verbonden stam, schiet onuitroeibare wortels. Een immense verwachting neemt bezit van de mensen. De hele Indo-Europese oudheid heeft het paradijs aan het begin geplaatst; al haar dichters hebben een verloren gegane gouden tijd betreurd. IsraŽl plaatste de gouden tijd in de toekomst. De Psalmen, de eeuwige poŽzie van religieuze zielen, komen voort uit dit geŽxalteerd piŽtisme. IsraŽl wordt werkelijk en bij uitstek Gods volk, terwijl in omringende gebieden de heidense religies steeds verder gereduceerd worden; tot staats-charlatanisme in PerziŽ en BabyloniŽ; tot platte afgoderij in Egypte en SyriŽ; tot parades in de Griekse en Romeinse wereld. Dat wat de christelijke martelaren gedaan hebben in de eerste eeuwen van onze jaartelling, en wat de slachtoffers van orthodoxe vervolgingen, binnen datzelfde christendom, tot in onze tijd gedaan hebben, dat deden de Joden in de twee eeuwen die aan het christelijke tijdperk vooraf gingen. Ze protesteerden voluit tegen bijgeloof en religieus materialisme. Hun buitengewone ideeŽn, uitkomend op geheel tegenstrijdige resultaten, maakte hen in die periode het meest opvallende en originele volk ter wereld. Hun verspreiding langs de hele Mediterrane kust en hun gebruik van het Grieks, waarvan zij zich buiten Palestina bedienden, bereidden de weg voor een propaganda waarvan de samenlevingen van de oudheid, versnipperd in kleine nationaliteiten, nog geen voorbeeld kenden.

Tot de tijd van de MaccabeeŽrs had het jodendom, ondanks de volharding in de boodschap dat het op een dag de religie van de hele mensheid zou zijn, hetzelfde karakter als andere culten van de oudheid: het was een culte van families en stammen. De IsraŽliet vond zijn culte wel de beste en sprak met minachting over vreemde goden. Maar hij meende ook dat het geloof in de ware God er alleen voor hem was. Men omarmde de culte van Jehova wanneer men toetrad tot een Joodse famile – en daar bleef het bij. Geen IsraŽliet dacht eraan het buitenland te bekeren tot een culte die het erfgoed van Abraham was. De ontwikkeling van de vrome stroming, vanaf Ezra en Nehemia, bracht een veel striktere en logischer opvatting met zich mee: het jodendom werd het ware geloof in absolute zin; men liet toetreden wie dat wilde, en binnen de kortste keren was het heilig werk om zoveel mogelijk mensen binnen te halen. Ongetwijfeld bestond de ruimhartigheid waarmee Johannes de Doper, Jezus en Paulus zich verhieven boven pietluttige raciale ideeŽn nog niet: paradoxaal genoeg werd naar de bekeerlingen (proselieten) niet omgekeken en werden zij met dedain behandeld. Maar het idee van een alomvattende religie, het idee dat er iets op aarde superieur is aan het vaderland, aan het lichaam, aan de wet, het idee dat apostelen en martelaren zou maken en breken, was geboren. Elke Jood heeft voortaan een diep medelijden met heidenen, hoe goed het hen ook gaat in wereldse zin. Aan de hand van een aantal legenden, bestemd om voorbeelden te geven van ferme onverzettelijkheid (DaniŽl en zijn gezellen, de moeder van de MaccabeeŽrs en haar zeven zonen, het verhaal over het hippodroom van AlexandriŽ), proberen de leiders het volk bovenal in te prenten dat deugd bestaat uit een hechte verknochtheid met bepaalde religieuze instituties.

De vervolgingen onder Antiochus Epifanes versterkten dat idee in hoge mate. Iets vergelijkbaars gebeurde onder Nero, 230 jaar later. Woede en wanhoop brachten de gelovigen visioenen en dromen. De eerste apocalyps, het boek van DaniŽl, verscheen. Het was als een wedergeboorte van het profetisme, maar in heel andere vorm, en met een veel beter zicht op wat zich afspeelde in de wereld. Het boek van DaniŽl was de ultieme uitdrukking van messianistische hoop. De Messias was geen koning meer in de trant van David en Salomon – een theocratische, Mozes-achtige Cyrus – het was een īmensenzoonī die in een nevel verschijnt, een bovennatuurlijk wezen, in menselijke gedaante, die over de wereld kan oordelen en voorgaat in de gouden tijd. Misschien is de Sosiosch van PerziŽ, de grote profeet die de weg moet bereiden voor het koninkrijk van Ormuzd, een inspiratie geweest voor dit nieuwe ideaal. De onbekende schrijver van het boek van DaniŽl heeft in elk geval een beslissende invloed gehad op de ontwikkeling van de religie die de wereld zou veranderen. Hij heeft de regie gevoerd van het nieuwe messianisme en men kan op hem van toepassing verklaren wat Jezus over Johannes de Doper zei: īTot hem, de profeten; na hem, het koninkrijk Godsī. Enige jaren later ontwikkelden deze ideeŽn zich verder onder de patriarch Enoch. Het essenisme, dat in direct verband lijkt te hebben gestaan met de apocalyptische school, ontstond rond dezelfde tijd en heeft als ruwe schets gediend voor de grote leer die spoedig zou worden aangewend ter opvoeding van de menselijke soort.

Men moet echter niet denken dat deze zo vurige en diep religieuze beweging bepaalde dogmaīs als vehikel had, zoals daarvan sprake was bij alle twisten die uitgebroken zijn onder de rokken van het christendom. De Jood van die tijd was zo min mogelijk theoloog. Hij speculeerde niet over het wezen God; het geloof in engelen en de goddelijke hypostase, ideeŽn over het doel van het leven, waarvan de eerste zaadjes al ontkiemden, waren vrije gedachten, meditaties waaraan een ieder zich naar eigen inzicht overgaf, maar waarvan massaīs mensen nog nooit hadden gehoord. Juist de meest orthodoxe Joden waren terughoudend met zulke verbeeldingskracht en hielden vast aan de eenvoud van de leer van Mozes. Er bestond nog geen enkele dogmatische macht vergelijkbaar met die die het orthodoxe christendom de Kerk zou toeschuiven. Het is pas in de derde eeuw, wanneer het christendom in handen is gevallen van rationele rassen, gek van dialectiek en metafysica, dat de koortsachtige zoektocht naar definities aanvangt die van de geschiedenis van de kerk een geschiedenis van immense controverse maakt. Maar ook onder de Joden werd gediscussieerd: geestdriftige scholen droegen voor bijna alle vraagstukken tegengestelde oplossingen aan; maar in deze strijd, waarvan de hoofdlijnen in de Talmoed bewaard gebleven zijn, valt geen woord speculatieve theologie. De Wet volgen en handhaven omdat de Wet goed is en, indien goed gevolgd, geluk brengt – dat was het hele Jodendom. Geen credo, geen symboliek. Maimonides, product van de meest vermetele Arabische filosofie, heeft het orakel van de synagoge kunnen worden omdat hij een zeer geoefend wetgeleerde was.

Onder de regeringen van de laatste HasmoneeŽn en die van Herodes nam de geestdrift nog toe. Een onophoudelijke reeks religieuze bewegingen passeerde de revue. Naarmate de macht seculariseerde en in ongelovige handen terechtkwam leefde het joodse volk minder en minder voor het wereldse en werd het meer en meer in beslag genomen door bijzonderheden binnen hun gemeenschap. De wereld, afgeleid door andere gebeurtenissen, had geen idee van wat zich afspeelde in deze vergeten hoek van de OriŽnt. Welingelichte mannen waren echter verstandiger. De gevoelige en scherpzinnige Virgilius lijkt, als een geheime echo, in te gaan op de tweede Esajas: de geboorte van een kind brengt hem aan het dromen over universele wedergeboorte. Zulke dromen waren gemeengoed en vormden een literair genre dat men sibillen noemde. De recente vorming van het Keizerrijk sprak tot de verbeelding, het grootse tijdperk van vrede dat men betrad en de gevoelvolle melancholiek die men ervoer na een lange periode van revoluties deed overal een grenzeloze hoop leven.

In Judea waren de verwachtingen hooggespannen. Heilige personen, onder wie de legende de oude Simeon schaart, die Jezus in zijn armen zou dragen, en Anne, dochter van Phanuel, die als profetes beschouwd wordt, brachten hun leven vastend en biddend nabij de tempel door, want het heeft God behaagd hun leven niet weg te nemen zonder ze de verwezenlijking van IsraŽls hoop te laten zien. Men voelt een machtig ophanden zijn, de nadering van iets onbekends.

Deze vage melange van vergezichten en dromen, deze afwisseling van teleurstelling en hoop, deze ambities, steeds teruggedrongen door de vijandige realiteit, vonden een stem in de onvergelijkelijke man die onder algemene instemming de titel Zoon van God verleend is, en geheel terecht, want hij heeft de godsdienst een stap laten zetten die nooit geŽvenaard is en waarschijnlijk nooit geŽvenaard zal worden.

Kindertijd en jeugd van Jezus (hoofdstuk 2)

    Jezus werd geboren in Nazareth, een klein stadje in Galilea, dat daarvoor geen enkele bekendheid genoot. Heel zijn leven werd hij 'van Nazareth' genoemd, en slechts dankzij een nogal onbeholpen list heeft men hem in de legende in Bethlehem geboren kunnen laten worden. We zullen later het motief van deze veronderstelling zien, en hoe zij de onvermijdelijke consequentie was van de messiaanse rol die Jezus toegedicht is. Men weet niet precies wanneer hij geboren is. Het was onder Augustus' heerschappij, waarschijnlijk omstreeks het jaar 750 na de stichting van Rome, dat wil zeggen enige jaren voor het jaar 1 van het tijdperk dat alle beschaafde volkeren laten beginnen met zijn geboorte.

De naam Jezus die hem gegeven werd is een variant op Josuť. Het was een zeer algemene naam, maar uiteraard zocht men er later mysteriŽn in en een toespeling op zijn rol als Verlosser. Wellicht was Jezus zelf, zoals alle mystici, verrukt van zulke praatjes. Zo zijn er meer historische roepingen geweest waartoe een zonder bijbedoeling gegeven naam aanleiding gaf. Mensen met een vurige natuur leggen zich er nooit bij neer dat wat hun overkomt toeval is. Voor hen is alles zo door God bedoeld en zij zien in de meest onbetekenende omstandigheden een teken van de Voorzienigheid.

De bevolking van Galilea was zeer gemengd, zoals de naam van de streek al aangeeft. Onder de inwoners van deze provincie waren, in de tijd van Jezus, veel niet-Joden (FeniciŽrs, SyriŽrs, Arabieren en zelfs Grieken). Bekeringen tot het jodendom waren allerminst zeldzaam in zulke gemengde gebieden. Het is dus onmogelijk hier de kwestie van Jezus' afstamming op te helderen en te onderzoeken welk bloed door de aderen stroomde van de man die er het meest aan heeft bijgedragen het door bloed bepaald onderscheid onder mensen uit te bannen.

Hij behoorde tot de volksklasse. Zijn vader Josef en zijn moeder Maria waren handwerklieden die leefden van hun werk, in welvaart noch misŤre, een staat die zo normaal is in het Midden-Oosten. De ultieme eenvoud van het leven in die contreien, waar geen behoefte bestaat aan zaken die ons leven aangenaam en gerieflijk maken, zorgt ervoor dat rijkdom een bijna nutteloos privilege is en dat iedereen in vrijwillige armoede leeft. Daarbij, het totale gebrek aan smaak voor de kunsten en voor dat wat bijdraagt aan de elegantie van het materiŽle bestaan, geeft ook een huishouden waar het aan niets ontbreekt een armoedige aanblik. Los van een zekere vuiligheid en weerzinwekkendheid die de islam met zich mee heeft gebracht in heel het Heilige Land, verschilde de stad Nazareth in Jezus' tijd misschien niet veel van hoe hij nu is. In de steenachtige steegjes en de kleine viersprongen die de hutten scheiden zien we de straten waarop Jezus speelde als kind. Het huis van Josef leek ongetwijfeld veel op de armzalige boetiekjes, verlicht door het deurgat, die tegelijkertijd dienen als werkplaats, keuken, slaapkamer en die als inboedel een mat hebben, enige kussens, een paar aardewerken vazen en een beschilderde kist.

De familie, of ze nu uit een of meerdere huwelijken voortkwam, was redelijk uitgebreid. Jezus had broers en zussen, van wie hij de oudste lijkt te zijn geweest. Over hen is ons niets bekend, want het lijkt erop dat de vierde personen die doorgaan voor zijn broers, en van wie tenminste ťťn, Jacob, een belangrijke rol gespeeld heeft in de eerste jaren van de verspreiding van het christendom, zijn neven waren. Maria had namelijk een zus die ook Maria heette, die met een zekere Alpheus of Kleopas (die namen lijken dezelfde persoon aan te duiden) getrouwd was en die de moeder was van meerdere zonen die een aanmerkelijke rol speelden onder de eerste discipelen van Jezus. Deze neven, die de jonge meester volgden, terwijl zijn echte broers hem tegenstand boden, kregen de titel 'broeders van de Heer'. De echte broers van Jezus kregen, net als hun moeder, pas na zijn dood bekendheid. Zelfs toen lijken zij het aanzien van hun neven, wier bekering oprechter leek, en wier karakters oorspronkelijker, niet te hebben geŽvenaard. Hun namen zijn onbekend gebleven, zozeer dat de evangelist, wanneer hij de inwoners van Nazareth een opsomming van Jezus' volgelingen in de mond wil leggen, de namen van de zonen van Kleopas hem te binnen schieten.

Zijn zusters trouwden in Nazareth en hij bracht er de eerste jaren van zijn jeugd door. Nazareth was een klein stadje, gelegen op een open plek in het landschap dat uitziet op de toppen van het gebergte dat in het noorden de vlakte van Esdrelon begrenst. Er wonen nu drie- ŗ vierduizend zielen en dat aantal zal niet veel veranderd zijn. De winters zijn er fris en het klimaat is zeer heilzaam. Nazareth was, zoals alle joodse dorpen in die tijd, een opeenstapeling van hutjes en moet de dorre en armoedige aanblik hebben gegeven die alle dorpen in semitische landen eigen is. De huizen verschilden, naar het schijnt, niet veel van de van buiten noch van binnen fraaie stapels stenen waarmee de rijkste delen van Libanon vandaag de dag bezaaid zijn. De omgeving, daarentegen, is charmant, en geen andere plek ter wereld is zo geschikt voor dagdromen en absoluut geluk. Zelfs tegenwoordig is Nazareth nog een aangename verblijfplaats, misschien wel de enige in Palestina waar de ziel zich enigszins bevrijd voelt van de last die haar bedrukt temidden van de ongeŽvenaarde troosteloosheid. De bevolking is aimabel en goedlachs; de tuinen zijn fris en groen. Antoninus de Martelaar schetst, tegen het eind van de zesde eeuw, een betoverend beeld van de vruchtbaarheid van de streek, die hij met het paradijs vergelijkt. Enkele valleien ten westen van de stad rechtvaardigen zonder meer zijn omschrijving. De waterput waar zich voorheen het leven en de levendigheid van het kleine plaatsje concentreerde is vernield; de gebarsten stroompjes leveren nog slechts troebel water. Maar de schoonheid van de vrouwen die er 's avonds samenkomen, een schoonheid die al in de vierde eeuw werd opgemerkt, en waarin men een geschenk van de maagd Maria zag, is in opvallende mate bewaard gebleven. Het is het Syrische type, in al haar gratie, vol van verlangen. Het lijdt geen twijfel dat Maria hier bijna alle dagen kwam en met een urn op haar schouder stond te wachten tussen de andere vrouwen, die niet beroemd geworden zijn. Antoninus de Martelaar merkt op dat de joodse vrouwen, die elders neerkijken op christenen, hier vol hartelijkheid zijn. Ook in onze dagen nog zijn de religieuze twisten in Nazareth minder heftig dan elders.

Het blikveld vanuit de stad is beperkt, maar wie een stukje klimt en de vlakte bereikt waar een eeuwige bries waait, die ook de hoogst gelegen huizen verfrist, heeft een schitterend uitzicht. In het westen tekenen zich de fraaie lijnen van het Karmelgebergte af, abrupt eindigend op een steile rots, die zich in zee lijkt te storten. Verderop ontvouwen zich de dubbele bergtoppen die Megiddo domineren, de heuvels van het land van Sichem, met zijn heilige plaatsen uit de tijd van de aartsvaders, de Gilboa-gebergte, de pittorekse groep waaraan de gracieuze of verschrikkelijke herinneringen van Sulem en Endor verbonden zijn, en de Taborberg met zijn afgeronde vorm, die in de oudheid met een borst vergeleken werd. Door het dal tussen Sulem- en de Taborberg is de Jordaanvallei zichtbaar en de hoogtevlakten van Perea, die in het oosten een ononderbroken lijn vormen. In het noorden onttrekken de bergen van Safed, die zich uitstrekken tot aan zee, Acra aan het oog, maar de Golf van Haifa niet. Dat was het blikveld van Jezus. Die betoverde streek, bakermat van het koninkrijk van God, was jarenlang zijn wereld. In zijn kindertijd verliet hij zijn vertrouwde omgeving niet. Want in het noorden, op de flanken van de Hermonberg, ziet men bijna Caesarea, de meest vooruitschoven post van de heidense wereld, en in het zuiden vermoedt men, achter de al minder aanlokkelijke bergen van Samaria, het trieste Judea, uitgedroogd als door een verzengende, dodelijke wind.

Als ooit de mensheid christelijk gebleven zal zijn, maar meer begrip zal hebben van de oorsprong van haar geloof, en haar apocrieve, pietluttige heiligdommen waarop zich in primitieve tijden haar vroomheid heeft gericht zal willen vervangen door authentieke heilige plekken, dan zal ze haar tempel bouwen in Nazareth. Daar, op de plek waar het christendom ontstond, en vanwaar de activiteiten van zijn stichter uitgingen, zou de grootse kerk moeten verrijzen waar alle christenen zouden kunnen bidden. Daar, op de grond waarin de timmerman Josef en duizenden vergeten Nazareners die nooit de horizon van hun vallei overschreden hebben rusten, daar zou meer dan waar ook ter wereld de filosoof een plek kunnen hebben om de loop van het menselijk leven te overdenken, troost te vinden voor de tegenstrijdige instincten die ons teisteren, en zich te verzekeren van de goddelijke koers die de wereld volgt, ondanks zijn ontelbare onvolkomenheden en niettegenstaande de ijdelheid die alom tegenwoordig is.

Opleiding van Jezus (hoofdstuk 3)

Deze zowel grootse als bekoorlijke omgeving was Jezus' leerschool. Hij leerde lezen en schrijven, ongetwijfeld volgens de methode van de OriŽnt, die eruit bestond dat een kind een boek in handen gedrukt kreeg dat hij samen met zijn klasgenootjes hardop moest herhalen tot hij het uit zijn hoofd kende. Het is echter twijfelachtig of hij de Hebreeuwse geschriften goed kon lezen in hun oorspronkelijke taal. Zijn biografen laten hem citeren uit Aramese vertalingen. Zijn manier van exegese, voor zover ons overgeleverd is door zijn discipelen, lijkt op de toen gangbare manier, die de Targoemim en de Midrasj [commentaren bij de Thora] als resultaat heeft gehad.

In kleine Joodse dorpjes was de hazzan, de voorganger in de synagoge, de schoolmeester. Jezus bezocht de hogescholen van de geleerden, de soferim, weinig (in Nazareth was er wellicht geen), en hij bezat geen van de titels die in de ogen van vulgaire mensen het recht op kennis geven. Het zou echter een grote vergissing zijn te veronderstellen dat Jezus wat wij noemen een dommerik was. Hoger onderwijs schept bij ons een diepe kloof, wat betreft persoonlijk aanzien, tussen wie het genoten heeft en wie ervan verstoken is gebleven. In de OriŽnt was het anders; net als elders, in die goede oudheid. De onbeschaafde staat waarin bij ons degene die niet naar school is gegaan verkeert – gevolg van ons geÔsoleerde en individualistische leven – is onbekend in die maatschappijen, waar cultuur, moraliteit en bovenal de tijdgeest door continu persoonlijk contact van mens tot mens overgedragen worden. Een Arabier die geen leraar heeft gehad is vaak niettemin zeer beschaafd, want zijn tent is een soort immer geopende academie, waar door ontmoetingen van geleerde mensen grootse intellectuele en zelfs literaire bewegingen ontstaan. Welgemanierdheid en scherpzinnigheid hebben in de OriŽnt niets gemeen met wat wij educatie noemen. Het zijn juist de geschoolde mannen die voor pedant en slecht gemanierd doorgaan. In zo'n maatschappij is de onwetendheid die bij ons een man zou veroordelen tot laag aanzien een voorwaarde om grootse en oorspronkelijke dingen te kunnen doen.

Het is niet waarschijnlijk dat Jezus Grieks kende. Deze taal werd in Judea, buiten de ambtenarij en steden waar heidenen woonden, zoals Ceasarea, weinig gesproken. De moedertaal van Jezus was het met Hebreeuwse vermengde Syrische dialect dat men toen sprak in Palestina. Nog veel onwaarschijnlijker is dat hij enige kennis had van de Griekse cultuur. Die was door Palestijnse geleerden in de ban gedaan met een dubbele vervloeking van hen die 'varkens houden en filosofie onderwijzen'. Sowieso was de Griekse cultuur nog niet doorgedrongen tot kleine stadjes als Nazareth. Niettegenstaande de banvloek van de geleerden was de hellenistische cultuur door enkele Joden wel al omarmd. Onafhankelijk van de Joodse school van Egypte, waar men al tweehonderd jaar pogingen deed het hellenisme en het Jodendom te laten samensmelten, was de Jood Nicolaas van Damas in diezelfde tijd een van de meest vooraanstaande, geleerde en gewaardeerde mannen van zijn tijd geworden. Spoedig zou met Josephus Flavius een ander voorbeeld opstaan van een volledig gehelleniseerde Jood. Maar Nicolaas was enkel Joods van afkomst, Josephus verklaart onder zijn tijdgenoten een uitzondering te zijn geweest en de hele schismatische school van Egypte had zich zodanig losgemaakt van Jeruzalem dat men er niet het minste spoor van aantreft in de Talmud of de Joodse traditie. Het staat vast dat het Grieks in Jeruzalem weinig geleerd werd en dat de studie van het Grieks als gevaarlijk of zelfs kruiperig beschouwd werd, dat men het vooral geschikt vond voor vrouwen, om mee te pronken. Een waardige, serieuze man bestudeerde alleen de Wet. Toen een geleerde rabbijn gevraagd werd wanneer hij zou beginnen de kinderen 'Griekse wijsheid' te leren antwoordde hij: 'Wanneer het dag noch nacht is, want in de Wet staat geschreven: 'Gij zult dag en nacht studeren.'

Direct noch indirect drong dus enig element van de hellenistische leer door tot Jezus. Hij kende niets anders dan het Jodendom; hij had nog die eerlijke naÔviteit die een gevarieerdere cultuur altijd afzwakt. Hij had, in de schoot van het jodendom, geen idee van vaak met zijn werk vergelijkbare inspanningen van anderen. Enerzijds lijkt het ascetisme van de Essenen en de Therapeuten geen directe invloed op hem te hebben gehad, anderzijds waren de mooie pogingen tot religieuze filosofie, ondernomen door de Joodse school van AlexandriŽ, waarvan Philo, zijn tijdgenoot, de briljante spreekbuis was, hem onbekend. De vele gelijkenissen die men tussen hem en Philo aantreft, die uitmuntende maximen over de liefde van God, over liefdadigheid, over vertrouwen op God, die echo's lijken tussen het Evangelie en de geschriften van de illustere Alexandrijnse denker, komen voort uit gemeenschappelijke gedachten die de vraagstukken van de tijd deden opkomen bij alle verheven geesten.

Gelukkig voor hem bestudeerde hij niet de bizarre scholastiek die in Jeruzalem onderwezen werd en die later de Talmud zou vormen. Als enkele FarizeeŽn het al met zich meegebracht hadden naar Galilea, dan ging Jezus niet met hen om, en toen hij later met deze onnozele casuÔstiek in aanraking kwam bracht het niets dan afkeer in hem boven. Men mag echter aannemen dat de leer van Hillel hem niet onbekend was. Hillel had, vijftig jaar voor hem, aforismen geformuleerd die veel met de zijne gemeen hadden. Met zijn leven in armoede, met de zachtheid van zijn karakter, met de tegenstand die hij hypocrieten en priesters bood was Hillel een leermeester voor Jezus, als je van een leermeester mag spreken in geval van zulke originaliteit.

De boeken van het Oude Testament maakten veel meer indruk op hem. De canon van heilige boeken bestond uit twee hoofddelen; de Wet, dat wil zeggen dat Pentateuch, en de Profeten, zoals wij die nu kennen. Al die boeken gingen vergezeld van allerlei allegorische exegese die eruit probeerde te halen wat er niet in stond, maar die antwoordde aan de noden van de tijd. De Wet – die niet de oude wet van het land was, maar eerder een utopie, een kunstmatige wet, een vrome fraude uit de tijd van de piŽtistische koningen – was sinds de natie zichzelf niet meer bestuurde, onderwerp van eindeloze pietluttige interpretaties geworden. Wat betreft de Profeten en de Psalmen was men ervan overtuigd dat alle mystiek in die boeken te maken had met de Messias, en men probeerde eruit op te maken wat voor man het zou zijn die de hoop van de natie zou verwezenlijken. Jezus deelde in de algemene hang naar zulke allegorische interpretaties. Maar de ware poŽzie van de Bijbel, die voorbij ging aan de simpele exegeten van Jeruzalem, openbaarde zich aan hem in al haar schoonheid. De Wet lijkt voor hem niet veel charme te hebben gehad: die meende hij te kunnen verbeteren. Maar de religieuze poŽzie van de Psalmen sloot prachtig aan bij zijn lyrische geest; die verheven verzen bleven zijn leven lang zijn steun en toeverlaat. De profeten, vooral Jesaja en zijn opvolger in gevangenschap, met hun schitterende toekomstdromen, hun onstuimige welbespraaktheid, hun scheldpartijen afgewisseld door momenten van betovering, waren zijn ware leermeesters. Hij heeft vast ook meerdere apocriefe werken gelezen, dat wil zeggen vrij moderne geschriften waarvoor auteurs, ter wille van het gezag dat alleen zeer oude geschriften genoten, de namen van aartsvaders en profeten gebruikten. Vooral het boek van DaniŽl trof hem. Dat boek, van de hand van een geestdriftige Jood uit de tijd van Antiochus Epifanus en door hem aan een oude wijze toegeschreven, was de weerslag van de nieuwe tijdgeest. De auteur, die eigenlijk de geschiedfilosofie uitgevonden heeft, durfde voor het eerst het wereldgebeuren en de opeenvolging van rijken anders uit te leggen dan als ondergeschikt aan het lot van het Joodse volk. Jezus was sinds zijn jeugd doordrongen van dit verheven lot. Misschien heeft hij ook de boeken van Henoch gelezen, die destijds everzeer vereerd werden als de heilige boeken; en vergelijkbare boeken in hetzelfde genre, die zo'n belangrijke rol speelden in de publieke beeldvorming. Men groeide op met vertellingen over de komst van de Messias, met alle grootse en vreeswekkende gevolgen van dien; het een na het andere land dat ineen zou zijgen, de krachtmeting van hemel en aarde; en omdat men meende dat de tijd van die gebeurtenissen naderde en velen probeerden te ramen hoe lang hen nog restte, kwam de bovennatuurlijke orde waarin wij dergelijke visioenen plaatsen op hem volmaakt natuurlijk en vanzelfsprekend over.

Dat hij geen enkele kennis van de rest van de wereld had blijkt uit elk woord van zijn meest authentieke verhandelingen. De wereld was volgens hem nog steeds verdeeld in elkaar bevechtende koninkrijken; hij lijkt geen weet te hebben gehad van de 'pax romana' en de nieuwe staatsvorm die zijn eeuw inluidde. Hij had geen idee van de macht van het Romeinse Rijk, hij kende alleen de naam 'Caesar'. Hij heeft in Galilea en omgeving Herodes' pompeuze projecten – Tiberiade, Juliade, Diocesarea, Caesarea – gebouwd zien worden, die met hun grootse constructies bewondering voor de Romeinse beschaving moesten uitdrukken en eerbied voor de familieleden van Augustus, aan wie, door een speling van het lot, tot op de dag van vandaag, armoedige BedoeÔenengehuchten hun merkwaardige verdraaide namen ontlenen. Hij heeft waarschijnlijk ook de garnizoensstad Sebastia [Nablus] gezien, gebouwd door Herodes de Grote, waarvan de ruÔnes doen geloven dat hij uit ťťn stuk gebouwd is, als een machine die alleen nog maar op zijn plaats gezet hoefde te worden. Die pronkzuchtige architectuur, die duizenden identieke zuilen, smakeloos als in Rue de Rivoli, per vrachtpost naar Judea verscheept – ziedaar de 'glorie der wereldse koninkrijken'. Maar deze luxe-op-bestelling, deze bestuurskundige kunst, beviel hem slecht. Hij hield van de dorpen van Galilea, de hutjes, de pleintjes, de uit rotsen gehouwen pershuizen, de waterputten, de tombes, de vijgen- en olijfbomen. Hij bleef altijd dicht bij de natuur. Het koninklijk hof leek hem een plek van mannen in mooie gewaden. De charmante ondenkbaarheden waarvan het wemelt in zijn parabolen wanneer hij koningen en machthebbers ter sprake brengt bewijzen dat zijn beeld van de aristocratische wereld dat was van een dorpsjongen die de wereld door een prisma van naÔviteit beziet.

Evenmin kende hij het nieuwe, door de Griekse wetenschap ontwikkelde, en door de moderne wetenschap onmiskenbaar bevestigde, idee, grondslag van de hele filosofie, dat de bovennatuurlijk krachten die het naÔeve geloof van de oude tijd de heerschappij over het universum toedichtte, niet bestaan. Bijna een eeuw vůůr hem had Lucretius op bewonderenswaardige wijze uitdrukking gegeven aan de onbuigzaamheid van de natuurwetten. De ontkenning van het wonder, het idee dat alles verklaard kan worden door natuurwetten, zonder persoonlijke inmenging door bovennatuurlijke wezens, werd algemeen geaccepteerd door de grote scholen in alle landen waartoe de Griekse wetenschap was doorgedrongen. Mogelijk waren zelfs BabyloniŽ en PerziŽ en er niet onbekend mee. Jezus wist niets van deze vooruitgang. Hoewel hij geboren werd in een tijdperk waarin al wetenschappelijke principes verkondigd werden, leefde hij in een zeer bijgelovige wereld. De Joden hadden misschien nooit eerder zo gedorst naar wonderen. Philo, die in een belangrijke intellectueel centrum leefde en een zeer complete opleiding had genoten, had maar een schimmig beeld van wetenschap – en wetenschap van laag allooi.

Op dat punt verschilde Jezus helemaal niet van zijn landgenoten. Hij geloofde in de duivel, die hij zag als drijfveer achter het kwaad, en veronderstelde, net als iedereen, dat zenuwziekten veroorzaakt werden door demonen die de patiŽnt bezaten en tot waanzin dreven. Het wonderbaarlijke was voor hem niet uitzonderlijk: het was de normaal. De notie van de onmogelijkheid van het bovennatuurlijke werd pas genomen toen de experimentele natuurkunde werd geboren. Een man die onbekend is met enige fysica, die gelooft door gebed de koers van de wolken te kunnen veranderen, zieken te kunnen genezen en zelfs doden te kunnen opwekken, ziet niets vreemds in een wonder, omdat alles wat hij om zich heen ziet het gevolg is van de willekeur van de Godheid. In deze intellectuele staat verkeerde Jezus nog. Maar een dergelijk geloof leidde in zijn grootse geest tot volstrekt andere resultaten dan bij een doorsnee mens. Bij een doorsnee mens brengt geloof in de willekeur van God een onnozele goedgelovigheid en gevoeligheid voor oplichterij met zich mee. Bij hem leidde dit geloof tot een diep begrip van de vertrouwelijke band van de mens met God en tot een overdreven geloof in de kracht van de mens: prachtige vergissingen die de basis vormden van zijn kracht; want hoewel ze in de ogen van een natuurkundige of een scheikundige zijn ongelijk zouden bewijzen gaven ze hem een invloed op zijn tijd die geen ander voor of na hem gehad heeft.

Al vroeg viel zijn bijzondere karakter op. De legende wil dat hij al jong rebelleerde tegen autoriteit en de gebaande paden verliet om zijn roeping te volgen. Het is in elk geval zeker dat hij niet veel gaf om zijn komaf. Zijn familie lijkt niet van hem te hebben gehouden en hij komt soms hardvochtig over als hij ze noemt. Jezus hield, net als alle mensen die geobsedeerd zijn door een idee, weinig rekening met bloedverwantschap. Ideologische verwantschap is het enige wat zulke mensen erkennen: 'Toen wees hij naar zijn leerlingen: “Daar zijn mijn moeder en mijn broers! Want ieder die doet wat mijn Vader in de hemel wil, die is mijn broer, mijn zuster, mijn moeder.” [Mat. 12:48] Eenvoudige mensen begrepen dit niet en op een dag riep een vrouw die hem tegenkwam uit, zo wordt gezegd: “Gelukkig de schoot die u heeft gedragen en de borst die u heeft gevoed!” Maar hij antwoordde: “Ja, en gelukkig zij die luisteren naar het woord van God en ernaar leven!” [Luc. 11:27] Spoedig zal hij, in zijn koppige opstand tegen de natuur, nog verder moeten gaan en zullen we hem alles zien vertrappen wat menselijk is: bloed, liefde, vaderland; en zal hij alleen nog maar hart hebben voor het idee dat hem voorkwam als de absolute gedaante van het goede en het ware.

Uit: Aanvang van de legende van Jezus (hoofdstuk 15)


Toen Jezus terugkeerde in Galilea had hij zijn joodse geloof geheel verloren en was hij een geestdriftige revolutionar. Hij drukt zijn ideeŽn nu met een perfecte helderheid uit. De onschuldige aforismen van zijn eerste profetische periode, deels overgenomen van vroegere rabbi's, en de mooie moralistische predikingen van zijn tweede periode monden uit in een uitgesproken politiek. De Wet moet worden afgeschaft, en hij is het die hem af zal schaffen. De Messias is gekomen, en hij is het die het is. Het koninkrijk van God wordt weldra onthuld, en hij zal de onthuller zijn. Hij weet heel goed dat hij slachtoffer zal worden van zijn onbevreesdheid; maar het koninkrijk van God kan niet veroverd worden zonder geweld; het zal tot stand komen door crises en pijn. Na zijn dood zal de Mensenzoon in glorie wederkomen, vergezeld van legioenen engelen, en zij die hem verwierpen zullen verslagen worden.

De stoutmoedigheid van een dergelijke opvatting moet ons niet verbazen. Jezus zelf zag zijn band met God al sinds lange tijd als die tussen zoon en vader. Wat bij anderen onverdraaglijke hoogmoed zou zijn moet hem niet te zwaar aangerekend worden.

De titel 'Davids zoon' was de eerste die hij aanvaardde, waarschijnlijk zonder zich in te laten met het onschuldige bedrog waarmee men hem van die naam wilde verzekeren. De familie van David was, zo lijkt het, al sinds lange tijd uitgestorven; noch de AsmoneŽrs, van priesterlijke komaf, noch Herodes, noch de Romeinen hebben maar een moment gedacht dat zich te midden van hen een erfgenaam van de oude dynastie bevond. Maar sinds het eind van de tijd van de AsmoneŽrs leefde in ieders verbeelding de droom van een onbekende afstammeling van de oude koningen die de natie op haar vijanden zou wreken. Er werd algemeen geloofd dat de Messias een zoon van David zou zijn en net als hij in Bethlehem geboren zou worden geboren. Dat was bepaald niet wat Jezus voor ogen had. Zijn hemels koninkrijk had niets te maken met de nagedachtenis van David, waarvan het Joodse volk zo vervuld was. Hij geloofde dat hij de zoon van God was, en niet van David. Zijn koninkrijk en de verlossing die hij voor ogen had waren van geheel andere orde. Maar de algemene mening werkte hem hier min of meer tegen. De onmiddelijke consequentie van de stelling 'Jezus is de Messias' was die andere stelling: 'Jezus is de zoon van David'. Hij liet zich een titel aanleunen zonder welke hij niet kon hopen op enig succes. Het lijkt erop dat hij er uiteindelijk genoegen aan beleefde, want hij verrichtte in zijn beste humeur wonderen wanneer men hem zo aansprak. Wat dit betreft schikte Jezus zich, als bij meerdere gelegenheden in zijn leven, naar ideeŽn die opgeld deden in zijn tijd, ook al strookten ze bepaald niet met de zijne. Hij verbond aan zijn dogma van het 'Koninkrijk der Hemelen' al wat de harten en verbeeldingskracht van de mensen voedde. Zo hebben we hem de doop van Johannes over zien nemen, wanneer hij toch niet veel belang kan hebben gehecht.

Er deed zich een moeilijkheid voor: het algemeen bekende feit dat hij in Nazareth geboren was. We weten niet of Jezus dat bezwaar bestreed. Misschien werd het niet opgeworpen in Galilea, waar het idee dat de zoon van David een Bethlehemmer moest zijn minder verbreid was. Voor een idealistische GalileŽr was de titel 'zoon van David' trouwens voldoende gerechtgevaardigd als degene aan wie men hem had toegekend de glorie van zijn volk zou doen herleven en de mooie dagen van IsraŽl terug zou laten keren. Erkende hij door zijn zwijgen de fictieve stambomen die zijn aanhangers gefabriceerd hadden om zijn koninklijke afstamming te bewijzen? Had hij weet van de legenden die verzonnen werden om hem in Bethlehem geboren te doen worden, en in het bijzonder van de kunstgreep waarmee zijn Bethlehemse origine in verband werd gebracht met de volkstelling die plaatshad op bevel van de Romeinse proconsul Quirinius? We weten het niet. De onnauwkeurigheid en de tegenstrijdigheid van de stambomen staven het vermoeden dat zij het werk waren van verschillende auteurs bij verschillende gelegenheid, en dat geen enkele door Jezus bevestigd is. Nimmer beweert hij zelf de zoon van David te zijn. Zijn discipelen, veel minder verlicht dan hij, overdreven soms de dingen die hij zelf gezegd had; meestal hij had geen weet van deze overdrijvingen. Laat me nog opmerken dat gedurende de eerste drie eeuwen belangrijke stromingen binnen het christendom de koninklijke afstamming van Jezus en de authenticiteit van de stambomen hardnekkig bestreden.

Zijn legende was zodoende gevolg van een grote, spontane samenzwering, en kreeg al vorm toen hij nog leefde. Geen enkele grote historische gebeurtenis heeft zich voltrokken zonder aanleiding te geven tot een reeks fabelen, en Jezus kon, zo hij het wilde, deze populaire verdichtselen geen halt toeroepen. Misschien had een scherpzinnig oog toen al de kiem kunnen herkennen van de vertellingen die hem een bovennatuurlijke geboorte moesten toedichten, hetzij vanwege het in de oudheid wijd verspreide denkbeeld dat een buitengewoon mens niet geboren kan worden uit de ordinaire vereniging van de twee seksen; hetzij om overeenstemming te vinden met een verkeerd begrepen hoofdstuk uit Jesaja, waar men uit dacht op te kunnen maken dat de Messias geboren zou worden uit een maagd; hetzij ten slotte als gevolg van het idee dat de 'Heilige Geest', die al in een goddelijk Zijn was verwezenlijkt, een beginsel van vruchtbaarheid was. Al over de kindertijd van Jezus doet wellicht meer dan een enkele anekdote de ronde die is verzonnen met als bedoeling in zijn levensloop de vervulling van het messiaanse ideaal te kunnen aanwijzen, of, beter gezegd, de profetieŽn die de allegorische exegese van die tijd aan de Messias verbond. Een algemeen geaccepteerd denkbeeld was dat de Messias aangekondigd zou worden door een ster, en dat boodschappers van verre volkeren hem vanaf zijn geboorte eer zouden komen bewijzen en geschenken zouden komen brengen. Men neemt aan dat die waarzegging vervuld werd door vermeende astrologen uit Chaldea die rond die tijd naar Jeruzalem kwamen. Dan weer liet men hem al vanaf de wieg omgaan met grote mannen als Johannes de Doper en Herodes de Grote en twee grijzaards, Simeon en Anna, die voor zeer heilig werden gehouden. Een nogal zwakke chronologie beheerst deze samenvoegingen, die merendeels op ware, maar verdraaide feiten gebaseerd zijn. Maar deze fabelen ademden een bijzondere geest van zachtmoedigheid en goedheid en een door en door volks karakter, en werden een aanvulling op zijn prediking. Vooral na de dood van Jezus namen dergerlijke relazen een enorme vlucht; we kunnen er echter vanuit gaan dat ze al tijdens zijn leven circuleerden, zonder op iets anders dan vrome goedgelovigheid en naÔeve adoratie te stuiten.

Dat Jezus er nooit aan gedacht heeft zich uit te geven voor een reÔncarnatie van God zelf valt niet te betwijfelen. Een dergelijk idee was de Joodse geest geheel vreemd, er is geen spoor van te vinden in de synoptische evangeliŽn; men treft het pas aan in die delen van het vierde evangelie die het minst als echo van Jezus' gedachtegoed te beschouwen vallen. Soms lijkt Jezus voorzorgsmaatregelen te treffen om een dergelijke doctrine te verwerpen. De beschuldiging dat hij zich voor God of Gods gelijke uitgeeft wordt, zelfs in het vierde evangelie, gepresenteerd als laster van de Joden. In dit laatste evangelie verklaart Jezus zich de mindere van zijn vader. Elders geeft hij toe dat zijn vader hem niet alles geopenbaard heeft. Hij ziet zichzelf als groter dan de gewone mens, maar van God gescheiden door een oneindige afstand. Hij is de zoon van God, maar in zekere zin is iedereen dat, of kan iedereen het worden. Iedereen moet God dagelijks zijn vader noemen; alle wederopgestanen zullen kinderen van God zijn. De afstamming van God werd in het Oude Testament toegekend aan wezens die men geenszins aan God gelijk wilde stellen. Het woord 'zoon' heeft in semitische talen en in de taal van het Nieuwe Testament de breedst denkbare betekenis. Trouwens, het beeld dat Jezus van de mensheid had was niet het schamele beeld dat door een kil deÔsme is geÔnstigeerd. In zijn poŽtische opvatting van de natuur waart ťťn enkele geest in het universum: de menselijke geest is de geest Gods; God huist in de mensheid, leeft door de mensheid, evenzoals de mensheid in God huist en door God leeft. Het transcedente idealisme van Jezus stond hem nimmer toe zich een duidelijk beeld van zijn persoon te vormen. Hij is zijn Vader, zijn Vader is hem. Hij leeft door zijn discipelen, hij is altijd met hen; zijn discipelen zijn ťťn, zoals hij en zijn Vader ťťn zijn. De idee is voor hem alles; het lichaam, dat individuen van elkaar onderscheidt, is niets.

Wonderen (hoofdstuk 16)

Volgens de tijdgenoten van Jezus konden slechts twee bewijsmiddelen, wonderen en het uitkomen van profetieŽn, een bovennatuurlijke roeping aantonen. Jezus en vooral zijn discipelen wendden deze bewijsvoeringen te goeder trouw aan. Sinds lange tijd was Jezus ervan overtuigd dat de profeten hem op het oog hadden toen zij schreven. Hij vond zichzelf terug in hun heilige voorspellingen; hij zag zichzelf als de spiegel waarin de profetische geest van IsraŽl de toekomst had gelezen. De christelijke school probeerde, misschien toen zijn stichter nog leefde, te bewijzen dat Jezus perfect voldeed aan dat wat de profeten over de Messias hadden voorspeld. In veel gevallen waren die overeenkomsten geheel uiterlijk en kunnen wij ze nauwelijks meer opmerken. Het waren meestal toevallige of onbetekenende gebeurtenissen uit het leven van de meester die de discipelen bepaalde profetieŽn of passages uit de Psalmen in herinnering brachten, waarin zij, door hun constante preoccupatie, schilderingen zagen van wat zich voor hun ogen afspeelde. De exegese van die tijd bestond zo dus bijna geheel uit woordenspel, uit kunstmatige en willekeurig aangehaalde citaten. De synagoge had geen officieel goedgekeurde lijst van passages die verband hielden met de toekomstige heerschappij. De toepassing van teksten op de Messias stond ieder vrij en zo ontstonden eerder stilistische kunstgrepen dan een serieuze argumentatie.

Wat betreft wonderen, men hield die in die tijd voor onmisbare tekenen van het goddelijke en van een profetische roeping. De legendes van Elia en Elisa waren er vol van. Er werd verwacht dat de Messias er vele zou verrichten. Niet ver van Jezus, in Samaria, verwierf een magiŽr genaamd Simon zich een bijna goddelijk prestige. Later, toen men de roem van de in zwang geraakte Apollonius van Tyana wilde onderbouwen en wilde bewijzen dat zijn leven de reis van een god op aarde was geweest, geloofde men niet dat dat op andere wijze mogelijk was dan door het verzinnen van een enorme reeks wonderen. Ze worden zelfs de Alexandrijnse filosofen, Plotinus en de anderen, toegeschreven. Als gevolg daarvan werd Jezus voor de keuze gesteld: of afstand nemen van zijn missie, of een wonderdoener worden. We moeten beseffen dat de hele oudheid, met uitzondering van de grote Griekse wetenschappers en hun Romeinse volgelingen, het bestaan van wonderen aanvaardde; dat Jezus zelf er niet alleen in geloofde, maar niet het minste idee had van het bestaan van natuurwetten. Zijn kennis op dit vlak was geenszins superieur aan die van zijn tijdgenoten. Sterker nog, ťťn van zijn diepst gewortelde overtuigingen was dat de mens door geloof en gebed alle kracht van de natuur verkreeg. Het vermogen om wonderen te verrichten werd beschouwd als een gift die God soms schonk aan de mens, dat had niets verbazends.

De tijden zijn veranderd en dat wat de grote stichter zijn macht gaf is voor ons iets heel storends geworden. Als de positie van de cult van Jezus onder de mensen ooit verzwakt, komt dat door precies die dingen die eens in hem deden geloven. Critici voelen zich allerminst in verlegenheid gebracht door zulke historische fenomenen. Wonderdoeners van onze tijd, behalve de zeer naÔeven, zoals bepaalde Duitse gestigmatiseerden, worden gehaat omdat zij wonderen verrichten zonder er zelf in te geloven – zij zijn charlatans. Maar neem Franciscus van Assisi en de zaak ligt al heel anders; de reeks wonderen die ten grondslag ligt aan de stichting van de Franciscaner Orde stoort ons niet, maar doet ons integendeel genoegen. De stichters van het christendom leefden in een minstens zo complete staat van poŽtische onwetendheid als de heilige Claire van Assisi en de tres socii. Zij vonden het volstrekt aanvaardbaar dat hun meester zich onderhield met Mozes en Elia, dat hij de elementen beheerste en dat hij zieken genas. Men moet trouwens ook beseffen dat elke idee iets van haar puurheid verliest zodra ze zich wil verwezenlijken. Men slaagt nooit ergens in zonder dat als gevolg daarvan de kwetsbaarheid van de ziel gekrenkt wordt. De menselijke geest is zo zwak dat beste zaken gewoonlijk onderbouwd worden met slechte redenen. De betogen van de eerste verspreiders van het christendom berusten op zeer zwakke argumenten. Mozes, Columbus en Mohamed konden hun hindernissen pas overwinnen door elke dag opnieuw de zwaktes van de mens uit te buiten en niet altijd hun werkelijke beweegredenen te onthullen. Jezus' wonderen troffen zijn omgeving waarschijnlijk meer dan zijn goddelijke predikingen. Laten we ook niet vergeten dat Jezus' roem, voor zowel als na zijn dood, leidde tot enorme overdrijvingen van het aantal wonderen. Het genre van evangelische wonderen biedt in feite weinig variatie; ze herhalen elkaar en lijken navolgingen van een heel klein aantal voorbeelden, die overeenkomstig de smaak van het volk worden aangepast.

Het is onmogelijk om uit de vermoeiende opsommingen van wonderlijke gebeurtenissen die de evangeliŽn geven onderscheid te maken tussen de wonderen die Jezus door volksgeloof zijn toegeschreven, zij het tijdens zijn leven of na zijn dood, en die waarbij hij welwillend een rol speelde. Het is bovendien onmogelijk om te weten of ergerlijke bijzonderheden als zijn inspanningen, zijn moeite, het trillen van zijn lichaam, en andere details die naar goochelarij zwemen, historisch zijn, of de vrucht van het geloof van de schrijvers, die nogal bezig waren met godsdaden, en in dat opzicht ideeŽn hadden die lijken op die van de 'spiritisten' van onze tijd. De algemene opinie wilde in feite dat goddelijke vermogens bij de mens iets hadden van kramp of epilepsie. Bijna alle wonderen die Jezus zou hebben verricht lijken genezingswonderen te zijn geweest. De geneeskunde was in die tijd in Judea dat wat ze in de Midden-Oosten vandaag de dag nog steeds is, dat wil zeggen geenszins wetenschappelijk, maar geheel overgeleverd aan persoonlijke ingevingen. De wetenschappelijke geneeskunde, vijf eeuwen eerder in Griekenland gegrondvest, was in de tijd van Jezus vrijwel onbekend bij de Joden van Palestina. In dergelijke omstandigheden is de aanwezigheid van een superieur mens, die de zieke met goedmoedigheid behandelt en met enkele welgekozen gebaren het vertrouwen in zijn genezing herstelt, vaak een effectieve remedie. Wie zou durven beweren dat in veel gevallen, los van uitwendig letsel, de aanraking door een voortreffelijk mens niet evenveel waarde heeft als de middelen van de farmacie? Het genoegen zo iemand te zien heeft genezende werking. Hij geeft wat hij kan bieden, een glimlach, een sprankje hoop, en dat is niet vergeefs.

Jezus had, evenals het merendeel van zijn landgenoten, geen weet van de rationale medische wetenschap; hij geloofde net als bijna iedereen dat genezing vooral door religeuze rituelen tot stand moest komen, en een dergelijk geloof was volkomen consequent. Wanneer men ziekte beschouwde als de bestraffing van een zonde, of als de daad van een demon, en niet als gevolg van fysieke oorzaken, was de heilige mens, die macht had in bovennatuurlijke sferen, het beste medicijn. Genezing werd beschouwd als een morele daad; Jezus, die zich bewust was van zijn morele kracht, moet zich in het bijzonder uitverkoren hebben gevoeld tot genezer. Ervan overtuigd dat de aanraking met zijn mantel, de oplegging van zijn handen en de aanwending van zijn speeksel zieken goed deed zou het hardvochtig zijn geweest hun die lijden de verlichting die hij bieden kon te onthouden. De genezing van zieken werd beschouwd als een van de tekenen van het koninkrijk van God, en altijd geassocieerd met de verheffing van de armen. Beide tekenen wezen op de grote revolutie die moest resulteren in het herstel van alle gebreken. De Essenen, die zo verwant waren aan Jezus, gingen ook door voor zeer krachtige spirituele genezers.

Een vorm van genezing die Jezus dikwijls verichtte is exorcisme, ofwel de uitdrijving van demonen. De vreemde neiging om in demonen te geloven waarde alom rond. Het was een universele overtuiging, niet alleen in Judea, maar over de hele wereld, dat demonen bezit nemen van het lichaam van bepaalde personen en die tegen hun eigen wil in laten handelen. Een Perzische demon die meermaals genoemd wordt in de Avesta, AŽschmadaŽva, 'de demon van de begeerte', die de Joden onder de naam Asmodeus hadden overgenomen, werd de oorzaak van alle hysterische aandoeningen van vrouwen. Epilepsie, geestesziekten en zenuwaandoendingen, waarbij de patiŽnt zichzelf niet meer in de hand lijkt te hebben, en aandoeningen zonder aanwijsbare oorzaak, zoals doofheid en stomheid, werden op dezelfde manier verklaard. Hippocrates' bewonderenswaardige verhandeling 'Over de heilige ziekte', waarin vierenhalve eeuw voor Jezus de werkelijke medische achtergronden van dergelijke condities waren vastgesteld, had zulke onwetendheid lang niet uit de wereld geholpen. Men ging ervan uit dat er min of meer effectieve procťdťs waren voor het uitdrijven van demonen; exorcist was een geaccepteerd beroep, net als arts. Het is boven twijfel verheven dat Jezus tijdens zijn leven de reputatie had de fijne kneepjes van dat werk te beheersen. Er waren toen veel krankzinnigen in Judea, ongetwijfeld als gevolg van de verhitte gemoederen. Deze gekken, die men los liet rondlopen, zoals dat nog steeds gebeurt in die regio, bewoonden verlaten grafspelonken, de gebruikelijke schuilplaats van zwervers. Jezus had veel invloed op deze ongelukkigen. Over zijn genezingen werden talloze wonderlijke verhalen verteld, waarbij alle goedgelovigheid van die tijd goed van pas kwam. Maar ook hier moeten we de moeilijkheden niet overdrijven. De aandoeningen die men verklaarde door bezetenheid waren vaak niet ernstig. Mensen met een kleine bijzonderheid beschouwt men in SyriŽ in onze tijd als gek of bezeten (die twee dingen zijn hetzelfde, medjnoun). Een lief woord volstaat in zo'n geval vaak voor de uitdrijving van de demon. Dat was ongetwijfeld de methode die Jezus toepaste. Wie zegt dat zijn faam als exorcist zich niet verspreidde zonder dat hij daar weet van had? Aan personen in het Midden-Oosten wordt soms, door verloop van tijd, tot hun eigen verrassing een grootse reputatie als genezer of duivelsuitdrijver toegekend, zonder dat ze zich kunnen herinneren welke gebeurtenissen aanleiding gegeven hebben tot zulke verbeeldingen.

Veel omstandigheden lijken er overigens op te wijzen dat Jezus pas laat en met tegenzin een wonderdoener werd. Vaak verricht hij zijn wonderen pas na gebeden te hebben, in een slecht humeur, en verwijt hij degenen die hem erom gevraagd hebben de vulgariteit van hun geest. Een schijnbaar onverklaarbare bijzonderheid is de moeite die hij zich getroost om zijn wonderen verborgen te houden en het beroep dat hij doet op degenen die hij geneest om er niemand over te vertellen. Als de demonen hem tot Zoon van God willen uitroepen verbiedt hij hun hun mond open te doen; het is zijns ondanks dat zij hem erkennen. Deze eigenschap is vooral karakteristiek in Marcus, die bij uitstek de evangelist van wonderen en duivelsverdrijvingen is. Het lijkt of de discipel die de uitgangspunten van dit evangelie heeft verschaft Jezus hinderde met zijn bewondering voor wonderen, en dat de meester, moe van een reputatie die hem tegenstond, hem vaak gezegd heeft: praat er niet over. Eenmaal leidt deze onenigheid tot een opmerkelijke uitbarsting, een aanval van ongeduld waaruit blijkt hoe vervelend Jezus de eeuwige verzoeken van zwakke naturen vond. Je zou nu en dan zeggen dat hij de rol van wonderdoener onaangenaam vind en dat hij zo min mogelijk ruchtbaarheid probeert te geven aan de wonderen waarbij hij op enige wijze betrokken was. Wanneer zijn vijanden hem vragen om een wonder, een hemels wonder nog wel, een meteoor, weigert hij koppig. We mogen dus geloven dat zijn reputatie als wonderdoener hem opgedrongen werd, dat hij er niet veel tegen deed, maar dat hij er ook niet aan bijdroeg, en dat hij zich in elk geval bewust was van de ijdelheid van de openbare mening op dit punt.

Het zou geen goede geschiedschrijving zijn om te veel naar onze afkeren te luisteren. De essentiŽle voorwaarde van waarachtige kritiek is het tonen van begrip voor een andere tijd en het zich ontdoen van instinctieve gewoonten die de vrucht zijn van een puur rationele educatie. We zouden de zaken die in de ogen van zijn tijdgenoten tot zijn voornaamste prestaties behoorden niet moeten wegstoppen om ons te kunnen onttrekken aan bezwaren die geopperd zijn tegen het karakter van Jezus. Het zou gemakkelijk zijn om te zeggen dat het toevoegingen zijn van discipelen die ver beneden hun meester stonden, en die, omdat ze zijn werkelijke grootheid niet konden bevatten, gepoogd hebben hem te verheffen met een prestige dat hem onwaardig is. Maar de vier vertellers van het leven van Jezus zijn unaniem in het pochen met zijn wonderen. Een van hen, Marcus, spreekbuis van de apostel Petrus, legt er zo de nadruk op dat als men het karakter van Jezus uitsluitend op zijn evangelie zou baseren, men zich Jezus voor zou stellen als een duivelverdrijver in het bezit van zeldzaam effectieve middelen, als een zeer machtig tovenaar die angst zaait en bij wie men liefst uit de buurt blijft. We zullen dus zonder aarzeling toegeven dat handelingen die tegenwoordig als tekenen van illusie of gekte worden beschouwd een voorname plaats in het leven van Jezus innamen. Moeten we aan dit lelijke aspect het sublieme van zijn leven opofferen? Laten we daarvoor waken. Een simpele tovenaar zou geen morele revolutie teweeg hebben gebracht zoals Jezus dat gedaan heeft. Als de duivelsuitdrijver Jezus de moralist en godsdienstvernieuwer Jezus overschaduwd had zou uit hem een school van duivelsuitdrijvers voortgekomen zijn, en niet het christendom.

Hetzelfde probleem doet zich daarnaast voor bij alle heiligen en alle grondleggers van religies. Vandaag de dag morbide zaken als epilepsie, visioenen waren destijds tekenen van kracht en grootsheid. Een arts kan de naam van de ziekte noemen die Mohameds pad effende. Bijna tot op de dag van vandaag zijn de mensen die het meest gedaan hebben voor het welzijn van hun medemens (zelfs de voortreffelijke Vincentius a Paulo) wonderdoeners geweest, of ze dat nu wilden of niet. Er we ervan uitgaan dat elk historisch personage aan wie daden worden toegeschreven die wij in de 19e eeuw voor redeloos of charlatanesk houden een gek of een oplichter was is elke kritiek vertekend. De Alexandrijnse school was eerbiedwaardig en toch liet zij zich in met extravagante wonderdoenerij. Socrates en Pascal waren niet gevrijwaard van dwalingen. Met moet feiten verklaren uit evenredige oorzaken. De zwakten van de menselijke geest brengen niets dan zwakte voort; grootse zaken hebben altijd hun oorzaak in de grootsheid van de menselijke natuur, evenzeer als zij zich vaak vergezeld weten van kleinzieligheden die er, voor oppervlakkige geesten, hun grootsheid aan ontnemen.

In algemene zin is het dus juist om te zeggen dat Jezus slechts ondanks zichzelf wonderdoener en duivelsuitdrijver was. Zoals dat altijd gaat in een grootse goddelijke loopbaan legde hij zich er eerder bij neer dat er wonderen van hem verwacht werden dan dat hij ze verrichte. Gewoonlijk is een wonder het werk van het publiek, en niet van degene aan wie het toegeschreven wordt. Zou Jezus halsstarrig geweigerd hebben wonderen te verrichten die het publiek voor hem indachtig had; dan zou het grootste wonder zijn dat hij ze niet verrichte; nooit is er zo'n forse inbreuk gemaakt op de wetten van de populaire geschiedschrijving en psychologie. Hij was niet toeschietelijker dan de heilige Bernard en de heilige Franciscus van Assisi in het bevredigen van de zucht naar het wonderbaarlijke van de massa en van zijn eigen leerlingen. De wonderen van Jezus zijn een geweld dat zijn tijd hem heeft aangedaan, een consessie die voorzag in een voorbijgaande noodzaak. Zoals de duivelsuitdrijver en de wonderdoener zijn gevallen, zo zal de godsdiensthervormer in eeuwigheid leven.

Zelfs zij die niet in hem geloofden werden getroffen door zijn daden en probeerden er getuige van te zijn. De heidenen en de mensen die onbekend waren met Jezus ervoeren een gevoel van angst en probeerden hem te verdrijven uit hun streek. Velen waren er wellicht op bedacht hem oproerige bewegingen aan te wrijven. Maar Jezus' geheel morele en geenszins politieke karakter redde hem van die krachten. Zijn koninkrijk onstond in een groep jongeren die zich door een gemeenschappelijke jeudige verbeeldingskracht en gemeenschappelijke hemelse denkbeelden rondom hem verenigd hadden, en verenigd bleven.


Oppositie tegen Jezus (hoofdstuk 20)

Het lijkt erop dat Jezus tijdens het eerste deel van zijn carriŤre geen serieuze tegenstand ontmoette. Dankzij de extreme vrijheid die men genoot in Galilea en het grote aantal meesters dat zich overal opwierp baarde zijn prediking slecht in beperkte kring opzien. Maar vanaf het moment dat Jezus het pad van wonderdoeningen en publiek succes had betreden begon het te rommelen. Meer dan eens moest hij zich verschuilen en vluchten. Antipas hinderde hem echter niet, hoewel Jezus zich soms behoorlijk fel over hem uitsprak. In Tiberiade, zijn gewoonlijke woonplaats, was de tetrach niet meer dan een of twee uur gaans verwijderd van het kanton dat Jezus gekozen had als zijn werkterrein. Hij hoorde spreken over zijn wonderen, die hij ongetwijfeld voor knappe trucs hield, en wilde ze zien. De ongelovigen waren toen zeer nieuwsgierig naar dat soort praktijken. Jezus weigerde, met zijn gebruikelijke tact. Hij paste ervoor zich te begeven in een niet-religieuze wereld die hem zag als onbetekenend amusement; hij wilde slechts het gewone volk voor zich winnen; hij bewaarde zijn simpele manieren voor simpele mensen.

Op een zeker moment ging het gerucht rond dat Jezus niemand anders was dan Johannes de Doper die uit de dood was herrezen. Antipas was bezorgd en ongerust; hij bedacht een list om de nieuwe profeet uit zijn gebieden te verjagen. FarizeeŽn, die deden of zij om Jezus gaven, kwamen hem zeggen dan Antipas hem wilde laten doden. Jezus doorzag ondanks zijn eenvoud de valstrik en vertrok niet. Zijn vreedzame uitstraling en zijn afkeer van opruiÔng stelden de tetrarch uiteindelijk gerust en het gevaar week.

De nieuwe leer kreeg lang niet overal in Galilea een even warm welkom. Niet alleen bleef het ongelovige Nazareth de man afwijzen aan wie het zijn roem zou danken; niet alleen bleven zijn broers hardnekkig weigeren in hem te geloven; zelfs de stadjes aan het meer, meestentijds welwillend, werden niet alle bekeerd. Jezus beklaagt zich vaak over de ongelovigheid en de hardvochtigheid die hij ontmoet, en hoewel het voor de hand zou liggen in zulke verwijten de overdrijvingen van een predikant te zien, en hoewel men er een soort convicium seculi in vermoed, dat Jezus cultiveerde in navolging van Johannes de Doper, is het duidelijk dat het land zich nog verre van overgegeven had aan het koninkrijk Gods. 'Wacht maar, Chorazin, wacht maar, BetsaÔda! Want als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gedaan die bij jullie gedaan zijn, zouden hun inwoners allang het boetekleed hebben aangetrokken, zich met as hebben een bestrooid en een nieuwe leven zijn begonnen. Ik zeg jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan jullie lot. En jij, KafarnaŁm, denk jij hemelhoog verheven te worden? Je zult afdalen tot in het dodenrijk! Want als in Sodom de wonderen waren gedaan die bij jou gedaan zijn, zou het nu nog bestaan! Maar ik zeg je dat op de dag van het oordeel het lot van Sodom draaglijker zal zijn dan jouw lot.' 'Op de dag van het oordeel zullen de inwoners van Nineve opstaan samen met deze mensen hier en hen veroordelen. Want toen zij hoorden wat Jona verkondigde, begonnen zij een nieuw leven. En hier is iets dat groter is dan Jona. De koningin van het Zuiden zal op de dag van het oordeel verrijzen samen met deze mensen hier en hen veroordelen. Want zij kwam van het einde van de aarde om te luisteren naar de wijsheid van Salomo. En hier is iets dat groter is dan Salomo.' Zijn zwervende leven, aanvankelijk vol charme, begon hem zwaar te vallen. 'Vossen hebben holen en vogels nesten, maar de Mensenzoon heeft nergens een plek om zijn hoofd neer te leggen.' Hij beschuldigde de ongelovigen ervan dat zij het bewijs verwierpen. Zijn hart raakte steeds meer vervuld van verbittering en verwijt.

Jezus kon de tegenstand immers niet aanvaarden met de koelheid van een filosoof, die met zijn begrip voor de diversiteit van meningen simpelweg vaststelt dat men het niet met hem eens is. Een van de voornaamste gebreken van het joodse ras is zijn overgevoeligheid bij controverse, en de gekwetste toon die daarbij meestal aangeslagen wordt. Nergens ter wereld vind je zulke hevige twisten als die van de Joden onderling. Het is gevoel voor nuance dat een beschaafd en bescheiden man maakt. Maar gebrek aan nuance is een van de meest constante trekken van de semitische geest. Grote werken als de dialogen van Plato zijn deze mensen geheel onbekend. Jezus, die gevrijwaard was van bijna alle gebreken van zijn ras, en wiens belangrijkste eigenschap juist een onbegrensde fijngevoeligheid was, werd zijns ondanks betrokken in de polemiek van zijn tijd. Evenals Johannes de Doper sprak hij zich fel uit over zijn tegenstanders. Hij ging met voortreffelijke zachtmoedigheid om met eenvoudige mensen, maar hij verbitterde bij ongelovigheid, zelfs in de mildste vorm. Dit was niet meer de lieve meester van de Bergrede, die tegenstand noch moeilijkheden had ontmoet. De hartstocht die ten grondslag lag aan zijn karakter leidde tot hevige uitbarstingen. Deze samenkomst hoeft niet te verbazen. In onze tijd heeft een man hetzelfde contrast met een zeldzame kracht laten zien: namelijk dhr. De Lamennais. In zijn mooie boek 'Woorden van een gelovige' wisselt hij als in een luchtspiegeling een onbeteugelde woede af met de zoetste hernemingen. Deze man, die in de dagelijkse omgang een grootse goedheid betoonde, werd gekmakend onhandelbaar tegenover hen die anders dachten dan hij. Jezus deed niet zonder reden de passage uit het boek Jesaja gelden: 'Hij zal niet twisten en niet schreeuwen. Niemand zal op straat zijn stem horen. Het geknakte riet zal hij niet breken, de nog rokende pit zal hij niet doven, tot hij het recht heeft laten zegevieren.'

Veel van de aanbevelingen die hij zijn discipelen doet leggen evenwel de kiem voor een waar fanatisme, een kiem die zich in de middeleeuwen op wrede wijze zou ontwikkelen. Kan men hem daar een verwijt van maken? Geen enkele revolutie ontrolt zich zonder enige grofheid. Als Luther of de grondleggers van de Franse revolutie de regels van beleefdheid in acht hadden moeten nemen zouden de reformatie en de revolutie er nooit gekomen zijn. Laten we ons gelukkig prijzen dat Jezus nooit gestuit werd door een wet die het beledigen van een groep burgers bestraft. Dan zouden de FarizeeŽn onaantastbaar zijn geweest. Alle grote verdiensten van de mensheid zijn uit naam van rotsvaste principes bereikt. Een kritische filosoof had zijn leerlingen gezegd: 'Respecteer de mening van anderen en onthoud dat niemand ooit evenzeer gelijk heeft als zijn tegenstander ongelijk.' Maar Jezus' handelen had niets gemeen met de objectieve speculatie van een filosoof. Te moeten toegeven dat men even aan het ideaal had geraakt, maar gestopt is door de slechtheid van anderen is een onverdraaglijke gedachte voor een hartstochtelijke natuur. Hoe moet dat dan zijn voor de stichter van een nieuwe wereld!

Een onoverwinnelijk obstakel voor de ideeŽn van Jezus kwam vooral van de FarizeeŽn. Jezus verwijderde zich steeds meer van het orthodoxe jodendom. Wel, de FarizeeŽn waren hart en ziel van het jodendom. Hoewel deze groepering haar centrum had in Jeruzalem had ze ook aanhangers die in Galilea woonden of zich vaak in het noorden begaven. Dat waren, in het algemeen, kleingeestige, stijve, zelfvoldane en zelfverzekerde mannen, met veel aandacht voor uiterlijk vertoon en een minachtende devotie. Hun omgangsvormen waren lachwekkend en deden zelfs hun sympathisanten glimlachen. De bijnamen die ze kregen, en die zwemen naar karikatuur, bewijzen dat. Er was de 'krombenige farizeeŽr' (nifki), die zich voortsleepte door de straten, zijn voeten stotend aan de stenen; de 'farizeeŽr met het bebloede voorhoofd' (kizai) die met zijn ogen dicht liep om geen vrouwen te hoeven zien en zijn voorhoofd zo vaak tegen muren botste dat hij altijd een bebloed gezicht had; de 'stamper-farizeeŽr' (medoukia), die altijd krom stond als de stamper van een bloem; de 'breedgeschouderde farizeeŽr' (schikmi), die met gebogen rug liep alsof hij het volle gewicht van de Wet met zich mee torste; de 'wat-moet-ik-doen-ik-zal-het-doen-farizeeŽr', die altijd een voorschrift zocht om zich aan te kunnen houden. Soms sprak men van een 'geschminkte farizeeŽr', voor wie de in het openbaar uitgedragen devotie niets anders dan een vernis van hypocrisie was. Die gestrengheid was vaak immers slechts uiterlijk vertoon en verborg in werkelijkheid een groot moreel verval. Toch werd het volk erdoor misleid. Het volk, dat altijd een goed instinct heeft, zelfs wanneer het zich ernstig op individuen verkijkt, laat zich makkelijk bedriegen door valse vromen. Het wordt wordt aangetrokken door iets goeds en bewonderswaardigs, maar het heeft onvoldoende diepgang om schijn van werkelijkheid te onderscheiden.

De weerzin die in zo'n hartstochtelijk milieu moest ontstaan tussen Jezus en dergelijke personen is eenvoudig voor te stellen. Jezus wilde slechts een religie van het hart; de religie van de FarizeeŽn bestond bijna geheel uit het naleven van voorschriften. Jezus zocht allerlei nederigen en verstotenen op; de FarizeeŽn zagen hen als een belediging van het geloof van nette mensen. Een farizeeŽr was een onfeilbaar en onberispelijk mens met een zekere arrogantie, die op de voorste rij zat in de synagoge en luidruchtig aan liefdadigheid deed, erop toeziend of men hem wel bedankte. Jezus hield vol dat een ieder Gods oordeel met vrees en beving tegemoet moet zien. De religieuze richting die door de FarizeeŽn vertegenwoordigd werd heerste niet alom. Heel wat mannen vůůr Jezus, of uit zijn eigen tijd, zoals Jezus, zoon van Sirach, ťťn van Jezus van Nazareths werkelijke voorvaderen, Gamaliel, Antigone van Soco, en bovenal de zachmoedige en nobele Hillel, stonden een veel verhevener en al bijna evangelische religieuze leer voor. Maar deze goede pogingen waren in de kiem gesmoord. De mooie spreuken van Hillel, die de hele wet in gelijkheid samenvatten, en van Jezus, zoon van Sirach, die een cult van goeddoen stichtte, waren vergeten of weerlegd. SchammaÔ had met zijn bekrompen en gesloten geest de overhand genomen. Een enorme hoeveelheid 'tradities' had de Wet verstikt, onder het mom haar te beschermen en te interpreteren. Zonder twijfel hadden behoudende maatregelen een nuttige kant; het is goed dat het joodse volk tot waanzin toe van zijn Wet hield, want die razende liefde had het jodendom gered onder Antiochus Epifanus en onder Herodes en het benodigde gist behouden waaruit het christendom rees. Maar strikt genomen waren de oude voorschiften waar het over gaat nogal kinderachtig. De synagoge, die erop toezag, was niet meer dan een slechte moeder. Haar heerschappij was voorbij, maar haar vragen terug te treden was iets te vragen wat het gevestigd gezag nooit gedaan had, en nooit had kunnen doen.

Jezus' strijd met de officiŽle hypocrisie ging door. De gebruikelijke tactiek van hervormers die verschenen in de religieuze omstandigheden die we beschreven hebben, en die je 'traditioneel formalisme' kunt noemen, is het schetsen van een tegenstelling tussen de 'tekst' van heilige boeken en 'tradities'. Religieuze geestdrift is altijd vernieuwend, zelfs wanneer ze uiterst conservatief pretendeert te zijn. Zoals de neo-katholieken van onze tijd onophoudelijk afstand nemen van de EvangeliŽn, zo weken de FarizeeŽn constant van de Bijbel af. Ziedaar waarom een puriteinse hervormer gewoonlijk in essentie 'bijbels' is, uitgaand van de onwrikbare tekst om de theologie te bekritiseren die van generatie op generatie is gaan gelden. Het is wat later de karaÔeten en de protestanten deden. Jezus zette heel wat energieker de bijl aan de wortel. Men ziet hem weliswaar soms de heilige schrift aanhalen tegen valse masora's of tradities van de FarizeeŽn, maar in het algemeen geeft hij weinig exegese; hij appeleert aan het geweten. Hij treft met ťťn slag zowel tekst als commentaar. Hij toont de FarizeeŽn kundig aan dat zij met hun tradities het jodendom ingrijpend veranderen; maar hij pretendeert allerminst zelf terug te keren naar Mozes. Zijn doel lag vůůr, niet achter hem. Jezus was meer dan de hervormer van een oude religie; hij was de stichter van de eeuwige religie van de mensheid.

Onenigheid ontstond vooral om een hoeveelheid praktijken die in de traditie geÔntroduceerd waren, en waar Jezus noch zijn volgelingen gehoor aan gaven. De FarizeeŽn maakten hem daar ernstige verwijten van. Wanneer hij bij hen at, schokte hij ze zeer door zich niet aan de gebruikelijke reinigingen te houden. 'Geef de inhoud van uw bekers en schalen aan de armen en alles is rein voor u.' Wat bovenal zijn delicate gevoeligheid kwetste, was de zelfverzekerde houding van de FarizeeŽn in religieuze kwesties, hun benepen devotie die neerkwam op een ijdele zoektocht naar rangen en titels, en geenszins op de verruiming van hun hart. Een bewonderenswaardige parabool geeft die gedachte met eindeloze charme en juistheid weer: 'Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden; de een was een FarizeeŽr, de ander een tollenaar. De FarizeeŽr ging daar staan en bad bij zichzelf: O God, ik dank u dat ik niet ben zoals de andere mensen: hebzuchtig, oneerlijk en overspelig, of zoals die tollenaar daar! Ik vast tweemaal per week en sta het tiende deel af van al mijn inkomsten. Maar de tollenaar bleef achteraf staan en durfde zelfs zijn ogen niet naar de hemel op te slaan. Hij zei, terwijl hij zich op de borst sloeg: O God, ik ben een zondaar. Wees mij genadig! En ik zeg u: deze man, en niet de FarizeeŽr, ging vrij van schuld naar huis. Want ieder die zichzelf verheft, zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert, zal vergeven worden.'

Een haat die slechts bekoeld kon worden met de dood was het gevolg van deze onenigheid. Johannes de Doper had al vergelijkbare vijandschap uitgelokt. Maar de aristocraten van Jeruzalem, die op hem neerkeken, lieten het eenvoudige volk hem voor een profeet houden. Dit keer was het een strijd op leven en dood. Het was een nieuwe geest die in de wereld verscheen en die alles achter zich liet wat eerder had bestaan. Johannes de Doper was ten diepste joods, Jezus was het nauwelijks. Jezus beroept zich altijd op de verfijning van het moreel besef. Hij is niet twistziek, behalve als hij met FarizeeŽn discussieert, waarbij de tegenstander hem ertoe dwingt zijn toon over te nemen, zoals dat bijna altijd gebeurt. Zijn uitgelezen spot en scherpe provocaties zijn altijd treffend. Als eeuwige littekens zijn zij in de wonde gegrift. Het lachwekkende Nessus-kleed dat de joden, zonen van de FarizeeŽn, sinds achttien eeuwen aan flarden achter zich aan slepen is door Jezus met een goddelijk vakmanschap geweven. Deze meesterwerken van hogere scherts staan in het vlees van de hypocriet en de schijngelovige gebrand. Onvergelijkelijke meesterwerken, het werk van een godenzoon! Alleen een god kan op zo'n manier doden. Socrates en MoliŤre schampen slechts even de huid. Jezus doet het vuur en de pijn doordringen tot het merg van het gebeente.

Maar het was ook onvermijdelijk dat deze grote meester der ironie met zijn leven betaalde voor zijn triomf. Al in Galilea probeerden de FarizeeŽn van hem af te komen en zij zetten een manoeuvre in die later zou slagen in Jeruzalem. Ze probeerden de nieuwe politieke orde te interesseren voor hun twisten. Het gemak waarmee Jezus Galilea ontvuchtte en de zwakte van Antipas' regering verijdelden die pogingen. Hij ging zich blootstellen aan gevaar. Hij zag goed in dat zijn handelen tot mislukken gedoemd was als hij in Galilea bleef. Judea trok hem als met toverkracht aan; hij wilde een laatste poging wagen om de rebelse stad te veroveren en leek zich het gezegde ter harte te nemen dat een profeet nooit buiten Jeruzalem moet sterven.

Jezus' laatste reis naar Jeruzalem (hoofdstuk 21)

Al lange tijd was Jezus zich bewust van de gevaren die hem omringden. Gedurende een periode van naar schatting achttien maanden vermeed hij de heilige stad. Voor het Loofhuttenfeest van het jaar 32 (volgens de gangbare aanname) overtuigden nog altijd onwelwillende en ongelovige familieleden hem echter erheen te gaan. De evangelist lijkt te insinueren dat achter die aanmoediging de bedoeling om hem kwijt te raken schuilging. 'Toon jezelf aan de wereld,' zeiden ze hem, 'dit soort dingen doet men niet in het geheim. Ga naar Judea, opdat men ziet wat je vermag.' Jezus, op zijn hoede voor verraad, weigerde aanvankelijk, maar toen de stoet bedevaartgangers vertrokken was ging ook hij op weg, bijna alleen en zonder dat iemand het wist. Dat was zijn laatste afscheid van Galilea. Het Loofhuttenfeest viel samen met de herfstequinox. Het zou nog zes maanden duren tot de fatale ontknoping. Maar in dat tijdsbestek zag Jezus zijn dierbare noordelijke streken niet terug. De tijd van heerlijkheid is voorbij; nu moet hij stap voor stap de smartelijke weg afleggen die zal eindigen met de verschrikkingen van de dood.

Zijn discipelen en de vrome vrouwen die hem dienden voegden zich in Judea weer bij hem. Maar wat was verder alles anders voor hem! Jezus was een vreemdeling in Jeruzalem. Hij voelde dat daar front van weerbarstigheid dat hij niet zou kunnen breken. De FarizeeŽn vielen hem onophoudelijk lastig met hun bezwaren, listen en kwade wil. In plaats van het heerlijke vermogen onbeperkt de geloven dat hij onder jonge mensen in Galilea gevonden had, in plaats van die goede en zachtmoedige mensen die geen problemen zagen (die altijd het gevolg zijn van onwelwillendheid en weerspannigheid) trof hij hier overal koppige ongelovigheid, waarop de methodes die hem in het Noorden zo van pas waren gekomen weinig invloed hadden. Op zijn discipelen werd neergekeken omdat ze uit Galilea kwamen. Nicodemus, die bij hem was, had zich op een vorige reis, bij een nachtelijke onderhoud, gecompromitteerd tegenover het gezag omdat hij Jezus had willen verdedigen. 'Komt u soms ook uit Galilea?' had men hem gevraagd, 'Ga het maar na, dan zult u ontdekken dat er uit Galilea geen profeet komt.'

Jezus hield, zoals we al gezegd hebben, niet van de stad. Tot dusver had hij grote plaatsen altijd vermeden en er de voorkeur aan gegeven zijn werkzaamheden op het platteland en in minder belangrijke stadjes te verrichten. Verscheidene regels die hij zijn apostelen voorschreef waren absoluut ontoepasbaar buiten een simpele maatschappij van eenvoudige mensen. Omdat hij gewend was aan de lieflijke gemeenschapszin van Galilea en geen idee had van de wereld ontglipten hem continu naÔviteiten die in Jeruzalem vreemd konden overkomen. Zijn verbeeldingskracht en zijn liefde voor de natuur moesten binnen de stadsmuren inschikken. Ware religie komt niet voort uit het tumult van de stad, maar uit de serene rust van de velden.
Hij vond het tempelplein onaangenaam, vanwege de arrogantie van de priesters. Op een dag wilde een van zijn discipelen, die Jeruzalem beter kende dan hij, hem opmerkzaam maken op de bouwkundige schoonheid van de tempel, de prachtige materialen, de rijkdom van de offerplaatsen in de muren
. 'Zie je die grote gebouwen?' zei Jezus, 'Daarvan zal geen steen op de andere blijven; alles wordt met de grond gelijkgemaakt.' Hij wilde niets bewonderen dan een arme weduwe die op dat moment langs liep en een muntje in de schatkist wierp. 'Zij heeft meer gegeven dan de anderen,' zei hij, 'de anderen hebben uitgegeven wat ze over hadden, zij wat ze nodig had.' Doordat hij alles wat zich afspeelde in Jeruzalem op deze manier bekritiseerde, de arme die weinig gaf verhief, de rijke die veel gaf kleineerde, de weelderige clerus laakte die niets deed voor het gewone volk, irriteerde hij natuurlijk de priesterlijke kaste. De tempel, zetel van een behoudzuchtige elite, was, evenals het islamitische heiligdom dat er nu staat, de laatste plek op aarde waar een revolutie zou kunnen slagen – stel je een hedendaagse vernieuwer voor die voor de Omarmoskee de omverwerping van de islam predikt! Want de tempel was het centrum van het joodse leven, een plek waar je moet zegevieren, of moet sterven. Op deze plek, waar Jezus ongetwijfeld meer geleden heeft dan op Golgotha, verliepen zijn dagen in dispuut en verbittering, te midden van vervelende canonieke controverse en exegese, waarbij zijn grote morele verhevenheid hem maar weinig hielp – wat zeg ik! – hem de schijn van minderwaardigheid gaf.

In deze woelige tijden slaagde de gevoelige en
zachtaardige Jezus erin een toevluchtsoord te vinden waar hij heel gelukkig was. Nadat hij de dag in dispuut had doorgebracht bij de tempel daalde Jezus 's avonds af in de Cedronvallei, rustte hij wat uit in de boomgaard van een boerenbedrijf genaamd Gethsemane (waarschijnlijk een producent van olijfolie), die als ontspanningsplek voor buurtbewoners diende en sliep hij op de Olijfberg, die in het oosten de horizon van de stad vormt. Die heuvel is de enige plek in de buurt van Jeruzalem die een prettige, groene aanblik biedt. Olijfbomen, vijgenbomen en palmen waren talrijk rondom de dorpen, boerderijen en hoven van Bethfagť, Getsemane en BetaniŽ. Op de Olijfberg stonden twee grote ceders die nog lang voortgeleefd hebben in de herinnering van de Joden: hun takken boden onderdak aan grote groepen duiven en in hun schaduw waren kleine bazaars opgezet. Deze omgeving was min of meer het thuis van Jezus en zijn discipelen; we zien dat zij de omgeving veld voor veld en huis voor huis kennen.

Het dorpje BetaniŽ, dat bovenop een heuvel lag, met uitzicht op de Jordaan en de Dode Zee, anderhalf uur gaans van Jeruzalem, had Jezus in het bijzonder lief. Hij maakte er kennis met een gezin bestaande uit drie mensen, twee zussen en een derde persoon, wier vriendschap veel voor hem betekende. De ene zus, Marta, was een goedhartige, gedienstige, ijverige vrouw; maar de andere, Maria geheten, beviel Jezus door een soort loomheid, en een goed ontwikkelde intuÔtie. Vaak vergat ze, aan Jezus' voeten gezeten, de verplichtingen van het huishouden. Haar zus, op wie al het werk dan aankwam, beklaagde zich mild. 'Marta, Marta!' antwoordde Jezus haar, 'Je loopt maar te zorgen de je maakt je druk om zoveel dingen; toch is er maar ťťn ding echt nodig. Maria heeft het goede gekozen en dat zal haar niet worden afgenomen.' Een zekere Simon de Melaatse, eigenaar van het huis, lijkt de broer van Marta en Maria te zijn geweest, of in elk geval een familielid. Daar, door hun eerbiedige vriendschap, vergat Jezus zijn walging van het publieke leven. In de vredige woning kwam hij bij van de onophoudelijke pesterijen van de FarizeeŽn en de schriftgeleerden. Hij beklom vaak de Olijfberg, tegenover de berg Moria, waar hij een prachtig uitzicht had op de tempel en de daken, die schitterden in de zon. Dat uitzicht werd door vreemdelingen bewonderd: vooral bij zonsopgang was de heilige berg oogverblindend en leek hij te bestaan uit sneeuw en goud. Maar een diep gevoel van droefheid verpestte voor Jezus het spektakel dat alle andere IsraŽlieten vervulde van blijdschap en trots. 'Jeruzalem, Jeruzalem! U doodt de profeten en stenigt hen die God u gestuurd heeft. Hoe dikwijls heb ik uw kinderen niet willen verzamelen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels! Maar u hebt niet gewild.'

Het is niet zo dat niemand door hem geraakt werd. Maar de invloed van de orthodoxie was zodanig, dat maar weinigen ervoor uit durfden te komen. Men vreesde bij de Jeruzalemmers in diskrediet te raken als men zich met deze school van een GalileeŽr inliet. Je zou riskeren uit de synagoge te worden verjaagd, wat in een bevooroordeelde en kleinzielige samenleving het grootste affront was. Tevens leidde excommunicatie tot inbeslagname van al je bezittingen. Door op te houden Jood te zijn, werd men geen Romein; men werd rechteloos onder de wetten van de strenge theocratie. Op een dag vertrouwden enkele lagere beambten van de tempel, die Jezus gelegenheid tot spreken hadden gegeven en door zijn discours vervoerd waren geraakt, hun twijfels aan de priesters toe. 'Is een van de leden van de Hoge Raad of een van de FarizeeŽn soms in hem gaan geloven? Maar dat volk dat de wet niet kent: vervloekt is het!' Jezus bleef in Jeruzalem aldus een provinciaal die door andere provincialen bewonderd werd, maar verworpen door de aristocratie. Sekteleiders waren zo talrijk dat men niet erg onder de indruk was wanneer er weer een nieuwe verscheen. Zijn stem vond in Jeruzalem weinig weerklank. Raciale en sektarische vooroordelen, directe vijanden van de geest van het evangelie, waren er te diep geworteld.

Het gedachtegoed van Jezus veranderde in deze nieuwe omgeving noodgedwongen. Zijn mooie preken, die berekend waren op de jeugdige verbeeldingskracht en de morele puurheid van zijn toehoorders, sloegen hier niet aan. Hij die zo op zijn gemak was aan de oevers van zijn mooie meer geneerde zich tegenover pedante stedelingen. Zijn redevoeringen werden een beetje langdradig. Hij moest theoloog, exegeet en jurist zijn. Zijn gesprekken, anders zo gracieus, verwerden tot discussies, een onophoudelijke reeks scholastieke disputen. Hij overspeelde zijn harmonieuze genie met zouteloze argumentatie over de Wet en de profeten, terwijl wij hem liever niet in de rol van agressor zien. Hij laat zich met een minzaamheid die ons pijn doet uit over de listige testen die de tactloze haarklovers hem laten ondergaan. Hij werd steeds vakkundig in het nauw gedreven. Zijn redeneringen waren weliswaar vaak subtiel (subtiliteit en eenvoud van geest komen samen als de eenvoudige wil redeneren is het altijd een beetje sofistisch); her en der zie je hoe hij misverstanden eruit pikt en er opzettelijk op doorgaat, maar zijn argumentatie is naar aristotelische maatstaven zeer zwak. Als zijn onvergelijkelijke charme zich echter laat zien wordt het een triomf. Op een dag dacht men hem voor schut te kunnen zetten door hem een overspelige vrouw te presenteren en hem te vragen wat er met haar moest gebeuren. Jezus' bewonderenswaardige antwoord is ons bekend. De tempering door een zalige goedheid van de listige spot van de wereldse man kan niet beter worden tentoongespreid. Maar die combinatie van geestdrift en morele grootsheid kan op weinig waardering van de onnozelen rekenen. Toen hij deze zo juiste en zo pure woorden uitsprak – 'Wie zonder zonde is werpe de eerst steen!' – drong Jezus door tot de kern van hypocrisie, en tegelijkertijd tekende hij zijn doodvonnis.

Het is denkbaar dat Jezus zonder de verbittering die het gevolg was van zoveel lage streken lang onopgemerkt had kunnen blijven en verdwenen was in de vervaarlijke storm die weldra de hele Joodse natie te gronde zou richten. De hogepriester en de sadduceeŽrs voelden eerder minachting voor hem dan haat. De grote priesterlijke families, de BoŽthusim, de familie van Hannan, toonden zich zelden fanatiek, behalve als het hun eigen comfort betrof. De saducceeŽrs keken evenals Jezus neer op de 'tradities' van de FarizeeŽn. Merkwaardig genoeg waren deze afvalligen, die de wederopstanding ontkenden, de orale traditie en het bestaan van engelen, de ware joden, of, beter gezegd, omdat de oude wet n zijn eenvoud niet meer voldeed aan de religieuze noden van de tijd, maakten zij die zich er strikt aan hielden en vernieuwingen afwezen op de gelovigen een oneerbiedige indruk, bijna zoals een evangelische protestant vandaag de dag als ongelovige beschouwd wordt in orthodoxe landen. In elk geval – uit die hoek zou Jezus geen sterke tegenstand kunnen krijgen. Een officiŽle priester, de blik gericht op de macht, en daarmee intiem verbonden, begreep niets van zulke geestdriftige bewegingen. Het was de farizese bourgeoisie, het waren de talloze soferim, of schriftgeleerden, die leefden van hun kennis van de 'traditie', die gealarmeerd waren, en die werkelijk hun denkbeelden en belangen bedreigd zagen door de leer van de nieuwe meester.

De FarizeeŽn waren continu bezig Jezus in een politieke val te lokken en hem met de partij van Judas de GalileeŽr in verband te brengen. Dit was een handige tactiek, want de diepste vindingrijkheid van Jezus moest eraan te pas komen om niet gebrouilleerd te raken met het Romeinse gezag, ondanks zijn afkondiging van het koninkrijk Gods. Op een dag werd hij benaderd door een groep FarizeeŽn en aanhangers van Herodes, die hem onder het mom van godsdienstijver vroegen: 'Meester, we weten dat u eerlijk bent en echt leert wat God van ons wil. Zeg ons dus wat u vindt: mogen wij aan de keizer belasting betalen, of niet?' Ze hoopten op een antwoord dat hun een reden zou geven hem aan Pilatus uit te leveren. Jezus' antwoord was bewonderenswaardig. Hij bekeek de beeltenis op een geldstuk. 'Geef de keizer wat de keizer toekomt, en God wat God toekomt.' Een belangrijke uitspraak die bepalend was voor de toekomst van het christendom! Een uitspraak van volmaakt spiritualisme en van een wonderbaarlijke juistheid, die de scheiding heeft gemaakt tussen het spirituele en het tijdelijke en de basis heeft gelegd voor het ware liberalisme en de ware beschaving!

Zijn zachtzinnige en doortastende geest gaven hem, wanneer hij alleen was met zijn discipelen, prachtige inzichten: 'Ik verzeker u: wie niet door de deur de schaapskooi binnengaat maar op een andere plaats naar binnen klimt, is een dief en een rover. Maar wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen. De man die bij de ingang de wacht houdt, doet de deur voor hem open: de schapen luisteren naar de stem van de herder, hoe roept de schapen die van hem zijn bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als hij ze allemaal naar buiten heeft gebracht, loopt hij voor ze uit en zij volgen hem, want ze kennen zijn stem. De dief komt alleen om te stelen en te vernietigen. Een gehuurde knecht is geen echter herder, de schapen zijn niet van hemzelf. Wanneer hij een wolf ziet komen laat hij ze in de steek en rent weg. Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij. Ik geef mijn leven voor de schapen.' Zijn grote welsprekendheid kwam altijd boven wanneer hij hypocrisie wilde aanpakken. 'De schriftgeleerden en de FarizeeŽn hebben zich bekleed met het gezag van Mozes. Houd u dus stipt aan alles wat zij u zeggen, maar neem geen voorbeeld aan hun daden. Want ze doen niet wat ze zeggen. Zij binden ondraaglijk zware lasten samen en leggen die op de schouders van de mensen, maar zelf willen ze geen vinger uitsteken om bij het dragen te helpen. Alles wat ze doen, doen ze om op te vallen bij de mensen. De banden met schrifttekens die zij op hun voorhoofd en aan hun armen dragen, maken ze extra breed, en de kwasten aan hun kleren maken ze extra lang. Ze zijn gesteld op de beste plaatsen aan tafel en de voorste banken in de synagoge. Ze willen graag gegroet worden op het marktplein en met 'rabbi' worden aangesproken. Wacht maar, schriftgeleerden en FarizeeŽn! Huichelaars! Want u sluit voor de mensen de deur naar het hemelse koninkrijk. Zelf gaat u niet naar binnen, en u verhindert het anderen die wel naar binnen willen. Wacht maar! Want u vaart de zee over en doorkruist het land om ťťn mens te bekeren, en als hij bekeerd is, maakt u hem rijp voor de hel, nog meer dan u zelf al bent. Wacht maar! Want u geeft aan God het tiende deel van kruiden als munt, dille en komijn, maar de belangrijkste voorschriften in de wet verwaarloost u, zoals recht, barmhartigheid en trouw. Juist deze dingen moet u doen zonder die andere te laten. Blinde leiders! U zeeft uw drinken om er een mug uit te halen, maar een kameel slikt u door. Wacht maar, huichelaars! Want u maakt bekers en schalen van buiten schoon, maar van binnen zitten ze vol roofzucht en onmatigheid. Blinde FarizeeŽr, maak bekers eerst van binnen schoon, dan worden ze het van buiten ook! Wacht maar! Want u lijkt op gewitte grafkelders die er van buiten mooi uitzien, maar van binnen vol liggen met knekels en vergane resten. Zo lijkt ook u van buiten wel rechtvaardig, maar van binnen zit u vol huichelarij en zonde. Wacht maar! Want u bouwt graftombes voor de profeten en versiert de monumenten van hen die rechtvaardig geleefd hebben, en u zegt: Als wij geleefd hadden in de tijd van onze voorouders, hadden we niet met hen meegedaan en hadden we de profeten niet gedood! Zo bevestigt u zelf dat u nakomelingen bent van hen die de profeten hebben gedood. Maak de maat van uw voorouders maar vol! De Wijsheid van God heeft dus wel terecht gesproken: Ik stuur daarom profeten, wijzen en schriftgeleerden naar u toe, maar sommigen van hen zult u doden en aan het kruis slaan, anderen geselen in uw synagogen of van stad tot stad vervolgen. Uiteindelijk zal op uw hoofd neerkomen al het onschuldige bloed dat op aarde vergoten is, van het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharias, zoon van Berekja, die u vermoord hebt tussen de tempel en het altaar. Ja, ik verzeker u, dat alles zal neerkomen op deze generatie.'

Zijn angstaanjagende dogma van plaatsvervanging door de heidenen, het idee dat het koninkrijk Gods op anderen zou overgaan, omdat de degenen voor wie het bestemd was het niet wilden hebben, was een enorme bedreiging voor de aristocratie, en zijn titel van Zoon van God, die hij openlijk uitdroeg in levendige parabolen, waarin zijn vijanden de rol van moordenaars van boodschappers van God speelden, was een uitdaging van de joodse wet. Dat hij zich hardnekkig bleef richten tot de lagere klassen was nog gevaarlijker. Hij verkondigde dat hij was gekomen om de blinden te laten zien en de zienden te verblinden. Op een dag ontglipte hem in zijn chagrijn jegens de tempel een onvoorzichtig woord: 'Deze tempel, die door mensen gemaakt is, zal ik afbreken en in drie dagen zal ik een andere bouwen die niet door mensen gemaakt is.' We weten niet goed wat Jezus hiermee wilde zeggen, hoewel zijn discipelen er er vergezochte allegorieŽn in zagen – maar omdat men op zoek was naar een reden om hem te vervolgen, werden de woorden ernstig opgevat. Ze zouden terugkomen in de overwegingen bij Jezus' doodvonnis en hem in de oren weergalmen tijdens zijn doodsangsten op Golgotha. Deze vervelende discussies eindigden altijd in woede. De FarizeeŽn gooiden stenen naar hem, waarmee ze niets anders deden dan het uitvoeren van de Wet, die opdraagt zonder wederhoor iedere profeet, iedere wonderdoener die het volk tot afvalligheid probeert te verleiden, te stenigen. Andere keren maakten ze hem uit voor gek, bezeten, een Samaritaan, of probeerden ze hem te doden. Men gebruikte zijn woorden om de wetten van een intolerante theocratie tegen hem in te roepen, die door de machtige Romeinen nog niet waren afgeschaft.

Dood van Jezus (hoofdstuk 25)

Hoewel het werkelijke motief voor Jezus' dood volledig religieus was, slaagden zijn vijanden er voor de rechtbank in hem een politiek misdrijf aan te wrijven; ze zouden van de skeptische Pilatus geen veroordeling gekregen hebben op theologische gronden. Als gevolg daarvan lieten de priesters het volk om Jezus' kruisiging vragen; als de veroordeling van Jezus een puur joodse aangelegenheid was geweest zou hij zijn gestenigd. Kruisiging was een Romeinse methode, gebruikt voor slaven en in gevallen waarin men de doodstraf wilde verzwaren met vernedering. Door deze straf op Jezus toe te passen behandelde men hem als een struikrover, een overvaller, een bandiet, als een crimineel van laag allooi die de Romeinen de eervolle dood door het zwaard wilde ontzeggen. Het is de denkbeeldige 'koning der Joden', niet de onorthodoxe theoloog, die men bestrafte. Om dezelfde reden werd de executie zelf aan de Romeinen overgelaten. In die tijd fungeerden bij politieke veroordelingen Romeinse soldaten als beulen. Jezus werd dus overgeleverd aan een detachement van huurlingen onder leiding van een centurion, en hij werd blootgesteld aan alle hatelijke martelingen die tot de wrede gebruiken van de nieuwe overheersers behoorden. Het was rond het middaguur. Men trok hem zijn kleren weer aan, die hem afgenomen waren voor de openbare parade. Daar het cohort al twee dieven in bewaring had die ter dood moesten worden gebracht voegde men hen samen en stoet ging op weg naar de executieplaats.

Deze plaats was een plek genaamd Golgotha, buiten Jeruzalem, maar dicht bij de stadsmuren gelegen. De naam Golgotha betekent schedel, komt schijnbaar overeen met ons Chaumont en duidde waarschijnlijk een ontboste heuvel aan die de vorm had van een kaal hoofd. We weten niet precies waar deze heuvel zich bevond. Het was zeker ten westen of noord-westen van de stad, in de onregelmatige hoogvlakte die zich uitstrekt tussen de stadsmuren en de valleien van Cťdron en Hinnom, een nogal alledaagse streek, versomberd door de gevolgen van de nabijheid van een grote stad. Er is geen doorslaggevende reden om Golgotha te situeren op de plek waar, sinds Constantijn, het gehele christendom het vereerd heeft. Maar er is ook geen belangrijk bezwaar dat ertoe verplicht de christelijke traditie op dit punt in verwarring te brengen.

De tot kruisiging veroordeelde moest zelf het instrument van zijn marteling dragen. Maar Jezus, lichamelijk zwakker dan zijn twee gezellen, kon het gewicht van zijn kruis niet aan. De groep kwam een zekere Simon van CyrŤne tegen, die terugkwam van het land, en de soldaten, met de bruuske manieren van een vreemdelingenlegioen, dwongen hem de fatale stam te dragen. Misschien beriepen zij zich hier op een erkende herendienst, omdat de Romeinen het beruchte hout zelf niet mochten dragen. Het lijkt erop dat Simon later deel uitmaakte van de christelijke gemeenschap. Zijn twee zonen, Alexander en Rufus, waren vooraanstaande leden. Hij heeft wellicht meerdere details overgeleverd waarvan hij getuige was. Geen van de discipelen was op dat moment in de buurt van Jezus.

Ten slotte kwam men aan op de executieplaats. Naar joods gebruik bood men de veroordeelden sterk gekruide wijn aan, een benevelende drank die men de veroordeelde uit medelijden gaf, zodat hij zich kon bedwelmen. Schijnbaar werd deze wijn vaak door Jeruzalemse dames naar de ongelukkigen aan het kruis gebracht, maar als zij niet verschenen werd het met publiek geld gekocht. Jezus weigerde te drinken, na met zijn lippen het glas te hebben beroerd. Dit trieste soelaas voor gewone veroordeelden paste niet bij zijn verheven natuur. Hij liet het leven liever in volledige tegenwoordigheid van geest en wachtte bij vol bewustzijn de dood af die hij gewild en over zich afgeroepen had. Toen werd hij uitgekleed en aan het kruis gehangen. Het kruis bestond uit twee balken die een 'T' vormden. Het was niet hoog, zodat de voeten van de veroordeelde bijna de grond raakten. Eerst richtte men het kruis op, vervolgens hing men de veroordeelde eraan door hem spijkers in de handen te slaan; de voeten werden vaak vastgespijkerd, soms alleen met touw vastgebonden. Een houten blok, een soort voelspriet, werd aan de stam van het kruis bevestigd, in het midden, en stak tussen de benen van de veroordeelde door, die erop steunde. Zonder dat zouden de handen uitgescheurd en het lichaam ingezakt zijn. Andere keren werd een horizontaal plankje aangebracht ter ondersteuning van de voeten.

Jezus smaakte deze verschrikkingen in al hun wreedheid. De twee dieven waren naast hem gekruisigd. De beulen, aan wie men gewoonlijk de waardeloze vodden van de gemartelden naliet, lootten om zijn kleren en bewaakten hem, gezeten aan de voet van het kruis. Volgens de overlevering sprak Jezus deze woorden, die, indien niet over zijn lippen, zeker uit zijn hart zijn gekomen: 'Vader, vergeef hen; ze weten niet wat ze doen.'

Boven aan het kruis was, naar Romeinse gebruik, een bordje bevestigd met in drie talen, Hebreeuws, Grieks en Latijn, het opschrift: DE KONING DER JODEN. Die woordkeus had iets bezwaarlijks en kwetsends voor het Joodse volk. De vele voorbijgangers die het lazen waren beledigd. De priesters lieten Pilatus weten dat er voor een formulering had moeten worden gekozen die impliceerde dat Jezus zelf de koning der Joden beweerde te zijn. Maar Pilatus, die genoeg had van deze zaak, weigerde iets te veranderen aan wat geschreven stond.

De discipelen waren gevlucht. De overlevering wil niettemin dat Johannes steeds aan de voet van het kruis gestaan heeft. Met meer zekerheid kunnen we aannemen dat de trouwe vriendinnen uit Galilea, die Jezus naar Jeruzalem waren gevolgd en hem bleven dienen, hem niet in de steek gelaten hadden. Maria Kleopas, Maria Magdalena, Johanna, vrouw van Khouza, Salomť en enkele anderen hielden zich op in zijn nabijheid en verloren hem niet uit het oog. Als we het vierde evangelie moeten geloven was Maria, moeder van Jezus, ook bij het kruis, en zei Jezus, toen hij zijn moeder en zijn geliefde discipel verenigd zag, tegen de ťťn: 'Zie daar uw moeder', en tegen de ander: 'Zie daar uw zoon'. Maar het is onverklaarbaar waarom de synoptische evangelisten, die wel de andere vrouwen noemen, de aanwezigheid van Maria, zo'n opvallend gegeven, onvermeld zouden laten. Misschien is zelfs voor een verheven natuur als Jezus zo'n teder woord niet waarschijnlijk op het moment dat hij slechts nog voor de mensheid bestaat en vervuld is van zijn taak.

Los van deze kleine groep vrouwen, die hem van veraf troostten, had Jezus slechts zicht op het spektakel van de laagheid en domheid van de mens. Voorbijgangers beledigden hem. Op zich heen hoorde hij dwaze scherts en zijn laatste kreten van ellende werden met hatelijke woorden bespot: 'Jij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red nu jezelf, als je de zoon van God bent, en kom van het kruis af!' 'Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet. Hij is toch koning van IsraŽl? Laat hij maar van het kruis afkomen, dan zullen we hem geloven. Hij vertrouwt op God. Laat God hem dan redden, als hij van hem houdt!' Sommigen, vaag op de hoogte van zijn apocalyptische ideeŽn, meenden hem Elia te horen aanroepen en zeiden: 'Ze zullen zien of Elia hem komt bevrijden.' Het lijkt erop dat de twee dieven die naast hem gekruisigd waren hem ook beledigden. De lucht was somber, de wereld, zoals overal in de buurt van Jeruzalem, dor en doods. Volgens sommige verhalen verloor hij even de moed; een wolk bedekte het gezicht van zijn Vader, hij had hopeloze stervenspijn, duizend maal schrijnender dan elke marteling. Hij zag niets dan de ondankbaarheid van de mensen; hij betreurde misschien te hebben geleden voor een verachtelijk ras en riep uit: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?' Maar zijn goddelijk instinct leidde hem nog steeds. Terwijl zijn lijfelijke leven uitdoofde kwam zijn geest tot rust en hervond hij zijn hemelse oorsprong. Hij hernam zich en zag in zijn dood de redding van de wereld; hij verloor het afzichtelijke gebeuren uit het zicht dat zich aan zijn voeten afspeelde, en aan het kruis, ten diepste herenigd met zijn Vader, begon hij aan het goddelijke leven dat hij eeuw na eeuw in de harten van de mensheid zou leiden.

Een bijzonder wreed aspect van de marteling aan het kruis was dat je nog nog drie of vier dagen kon blijven leven in deze gruwelijke staat. Het bloeden van de handen hield snel op en was niet dodelijk. De werkelijke doodsoorzaak was de onnatuurlijke lichaamshouding, die de bloedsomloop vreselijk hinderde, pijn veroorzaakte in hoofd en hart en uiteindelijk leidde tot verstijving van de ledematen. Gekruisigden met een goede gesteldheid konden slapen en stierven pas door honger. De achterliggende gedachte van deze wrede martelmethode was de veroordeelde niet met een fatale verwonding te doden, maar de slaaf vast te spijkeren door de handen waarvan hij geen goed gebruik had weten te maken en hem te laten rotten aan het hout. De delicatie conditie van Jezus bespaarde hem deze langzame dood. Een brandende dorst, een van de kwellingen van de kruisiging, zoals van alle martelingen die hevige bloedingen met zich meebrengen, verscheurde hem. Hij vroeg te drinken. Er was een vat vol posca, een gangbaar soldatendrankje, een mengsel van azijn en water. Soldaten moesten dat bij zich hebben tijdens al hun dienstverrichtingen, waaronder ook executies vielen. Een soldaat doopte een spons in het vat, prikte hem aan het einde van een stok en bracht hem naar Jezus' lippen, die eraan zoog. Men beeldt zich in het Midden-Oosten in dat het laven van gekruisigden en gehangenen de dood bespoedigt: velen geloofden dat Jezus kort na de azijn gedronken te hebben de geest gaf. Het is veel waarschijnlijker dat een beroerte of een gescheurde hartslagader hem na drie uur plotseling doodde. Vlak voordat hij de geest gaf had hij nog een luide stem. Plotseling slaakte hij een vreselijke kreet, waarin sommigen hoorden: 'O vader, ik leg mijn ziel in uw handen!' en ander, meer bedacht op het uitkomen van profetieŽn: 'Het is volbracht.' Zijn hoofd viel op zijn borst en hij stierf.

Rust nu in je glorie, nobele stichter. Je werk is volbracht; je goddelijkheid is gegrondvest. Vrees niet langer door een fout het resultaat van je inspanningen te zullen zien instorten. Voortaan kun je, ongehinderd door lichamelijke kwetsbaarheid, vanuit de hemel van goddelijke vrede, de gevolgen van je handelen aanschouwen. Tegen de prijs van enkele uren lijden, die je grootse geest niet eens aangetast hebben, heb je je de meest volmaakte onstervelijkheid verschaft. De wereld zal duizenden jaren afhankelijk van je zijn! Je zult het vaandel van onze tegenstellingen zijn, het middelpunt van onze vurigste twisten. Je zult na je dood duizend maal levender en duizend maal geliefder zijn dan tijdens de dagen die je op aarde doorbracht, je zult in zulke mate de hoeksteen van de mensheid worden, dat het uitwissen van je naam gelijk zou staan aan het vernietigen van de beschaving. Men zal geen onderscheid meer maken tussen jou en God. Je hebt de dood volledig overwonnen; neem bezit van je koninkrijk, waarnaar eeuwen van aanbidders je zullen volgen via de koninklijke weg die jij bereid hebt.

Jezus in het graf (hoofdstuk 26)

Het was, volgens onze manier van tellen, ongeveer drie uur 's middags toen Jezus stierf. Een joodse wet verbood het lijk te laten hangen op de avond na de executie. Het ligt niet voor de hand dat deze regel gehandhaafd werd bij door de Romeinen ten uitvoer gebrachte executies. Maar omdat het de volgende dag sabbat was, en de sabbat bijzonder plechtig is, spraken de Joden bij de Romeine autoriteiten de wens uit dat die heilige dag niet bevlekt zou worden door een dergelijke omstandigheid. Hun verzoek werd ingewilligd; er werden orders uitgevaardigd om de dood van de drie veroordeelden te bespoedigen en de lichamen van het kruis te halen. De soldaten voerden dit bevel uit door op de twee dieven een andere lijfstraf toe te passen, voortvarender dan de kruisiging, crurifragium, het breken van de benen, de gebruikelijke bestraffing van slaven en krijgsgevangenen. Wat betreft Jezus, hij was al dood en ze vonden het niet nodig zijn benen te breken. Om echter alle twijfel over het overlijden van deze derde gekruisigde weg te nemen, of dit te bewerkstelligen in het geval dat hem nog enige adem restte, stak een van hen hem in zijn zij met een speer. Men meende bloed en water te zien vloeien, wat als een bewijs van zijn dood werd beschouwd.

De vierde evangelist, die hier de apostel Johannes als ooggetuige opvoert, legt veel nadruk op dit detail. Het is immers duidelijk dat er twijfels rezen over de dood van Jezus. Een paar uur aan het kruis leek mensen die vaker kruisigingen hadden gezien onvoldoende voor een dergelijk resultaat. Men haalde meerdere gevallen aan van gekruisigden die, tijdig van het kruis gehaald, met krachtige middelen weer tot leven gewekt waren. Origenes zag zich later gedwongen zich op een wonder te beroepen om zo'n spoedig einde te verklaren. Dezelfde verbazing is terug te vinden in het verslag van Marcus. Het beste bewijs dat een historicus van een dergelijke kwestie heeft is eigenlijk de achterdochtige haat van Jezus' vijanden. Het valt zeer te betwijfelen of de Joden toen al vervuld waren van de vrees dat Jezus voor herrezen zou doorgaan, maar ze zullen er in elk geval op hebben toegezien dat hij werkelijk dood was. Hoe nalatig de oude volkeren soms ook waren als het gaat om juridische nauwgezetheid en een correcte afhandeling van zaken, het is niet voor te stellen dat de belanghebbenden in dit geval, dat hen zo direct aanging, niet enige maatregelen zouden hebben getroffen.

Volgens het Romeinse gebruik had Jezus' lichaam moeten blijven hangen als aas voor de roofvogels. Volgens de Joodse wet moest het 's avonds van het kruis gehaald worden en in het roemloze graf voor geŽxecuteerden gelegd worden. Als Jezus' geen andere aanhangers had gehad dan arme, timide GalileŽrs, zou het hem ook zo vergaan zijn. Maar we hebben gezien dat hij, ondanks zijn geringe succes in Jeruzalem, de sympathie van enkele aanzienlijke personen had gewonnen die het koninkrijk van God verwachtten en die, zonder toe te geven zijn discipelen te zijn, een diepe verbondenheid met hem voelden. Een van deze personen, Jozef, uit het kleine plaatsje Arimathea (HaramathaÔm), ging 's avonds bij de procurator om het lichaam vragen. Jozef was een rijk en eerzaam man, lid van de sanhedrin. De Romeinse wet bepaalde destijds dat het lichaam van een gehangene moest worden overgedragen aan wie erom vroeg. Pilatus, die niet van het crurifragium wist, verbaasde zich erover dat Jezus zo snel gestorven was en liet de centurion komen die op de executie had toegezien, om te weten te komen hoe het zat. Nadat de centurion hem verzekerd had dat Jezus dood was willigde Pilatus Jozefs verzoek in. Het lichaam was toen waarschijnlijk al van het kruis gehaald. Men gaf het Jozef om ermee toe doen wat hij maar wilde.

Ook een andere geheime vriend, Nicodemus, die we zijn invloed al eerder ten gunste van Jezus hebben zien aanwenden, liet zich niet onbetuigd. Hij kwam met een ruime hoeveelheid van de kruiden aan die nodig zijn voor balseming. Jozef en Nicodemus begroeven Jezus volgens Joods gebruik, dat wil zeggen gewikkeld in een lijkwade met mirre en aloŽ. De Galileese vrouwen waren aanwezig en begeleidden het schouwspel zonder twijfel met tranen en schelle kreten.

Het was laat en dit alles gebeurde in grote haast. Er was nog geen plek gekozen waar het lichaam definitief zou komen te rusten. Bovendien had die verplaatsing nog wel een uur kunnen duren en de sabbat kunnen schenden; en de discipelen gehoorzaamden nog altijd gewetensvol aan de Joodse wet. De keuze viel zodoende op een tijdelijk graf. In een tuin in de buurt was onlangs een tombe uit de rotsen gehouwen. Waarschijnlijk was die in bezit van een sympathisant. Grafspelonken bestonden, als ze voor een enkel lichaam bedoeld waren, uit een kleine ruimte waarin uit de achterwand een boog gehouwen was en een kribbe voor het lichaam. Omdat deze spelonken uit steile rotswanden gehouwen werden kon men ze gelijkvloers betreden; de ingang werd afgesloten met een zeer moeilijk te verplaatsen steen. Ze legden Jezus in het graf; ze rolden de steen voor de ingang, en namen zich voor terug te keren om hem een volmaaktere begrafenis te geven. Maar omdat de volgende dag een plechtige sabbat was, werd het werk pas de dag daarna hervat.

De vrouwen trokken zich terug nadat zij zich er zorgvuldig van hadden overtuigd hoe het lichaam erbij lag. Ze gebruikten de overige avonduren om opnieuw voorbereidingen voor een balseming te treffen. Zaterdag rustte iedereen uit.

Zondagochtend vroeg kwamen de vrouwen, Maria Magdalena als eerste, naar de tombe. De steen was voor de ingang weggerold, en het lichaam lag niet meer op de plek waar ze het hadden neergelegd. Intussen hoorde men in de christelijke gemeenschap de vreemdste dingen. De uitroep 'Hij is opgestaan!' ging als een lopend vuurtje onder de discipelen. Hun liefde droeg bij aan hun lichtgelovigheid. Wat was er gebeurd? De oorsprong van de opstandingslegende moeten we onderzoeken als we de geschiedenis van de apostelen behandelen. Het leven van Jezus eindigt voor de historicus met zijn laatste ademtocht. Maar de indruk die hij had nagelaten in de harten van zijn discipelen en enkele toegewijde vriendinnen was zo diep dat hij voor hen nog wekenlang in leven was en hun troost gaf. Wie had zijn lichaam weggenomen? In welke omstandigheden kon door goedgelovig enthousiasme een verzameling verhalen ontstaan waarop men het geloof in de opstanding baseert? Dat zullen we nooit weten, omdat de bronnen elkaar tegenspreken. Maar laten we zeggen dat de sterke verbeeldingskracht van Maria Magdalena hier een belangrijke rol bij heeft gespeeld. De goddelijk kracht van de liefde! Het heilige moment waarop de hallucinaties van een gepassioneerde vrouw de wereld een herrezen God geeft!


Het lot van de vijanden van Jezus (hoofdstuk 27)

Volgens de berekening die wij hanteren viel de dood van Jezus in het jaar 33. Het kan in elk geval niet eerder zijn geweest dan het jaar 29, want de prediking van Johannes de Doper en Jezus begon in het jaar 28, noch later dan het jaar 35, want in het jaar 36, schijnbaar nog voor Pasen, verloren Pilatus en Kajafas hun functies. De dood van Jezus had overigens niet met deze ontslagen te maken. Pilatus heeft bij zijn pensioen waarschijnlijk geen moment bedacht aan de gebeurtenis die zijn trieste roem zou vestigen bij latere generaties. Wat betreft Kajafas, zijn opvolger was Jonathan, zijn zwager, zoon van dezelfde Hanan die in het proces tegen Jezus de hoofdrol had gespeeld. De Sadducese familie van Hanan bekleedde al lange tijd het pontificaat en vervolgde, machtiger dan ooit, de verbeten strijd die men tegen Jezus zelf begonnen was tegen de familie en discipelen van de grondlegger. Het christendom heeft aan Hanan de beslissende aanzet tot haar stichting te danken, maar ook haar eerste martelaren. Hij werd beschouwd als de gelukkigste mens van zijn tijd. De werkelijke schuldige aan de dood van Jezus stierf op het hoogtepunt van zijn roem en aanzien, zonder ook maar een moment te hebben betwijfeld dat ook hij zijn volk een grote dienst bewezen had. Zijn zonen zetten zijn heerschappij rondom de tempel voort, met grote moeite in toom gehouden door de procuratoren, en vaak aan hen voorbijgaand, om hun arrogante, gewelddadige instincten te kunnen botvieren.

Ook Antipas en Herodias verdwenen spoedig van het poltieke toneel. Toen Herodes Agrippa door Caligula tot koninklijke waardigheid was verheven bezwoer de jaloerse Herodias ook koningin te worden. Onder constante druk van deze ambitieuze vrouw, die hem lafheid verweet omdat hij iemand boven zich duldde in zijn familie, overwon Antipas zijn natuurlijke onverschilligheid en begaf hij zich naar Rome om voor zichzelf de titel te vragen die zijn neef gekregen had (jaar 39 van onze jaartelling). Maar de zaak liep uit de hand. Door Herodes Agrippa bij de keizer belasterd werd Antipas afgezet en voor de rest van zijn leven verbannen, eerst naar Lyon, toen naar Spanje. Herodias volgde hem op zijn schaamtevolle pad. Ten minste honderd jaar moest nog voorbij gaan voordat de naam van hun onbetekenende, inmiddels vergoddelijkte onderdaan tot deze verre oorden reikte en bij hun graven de moord op Johannes de Doper in herinnering bracht.

Over de ongelukkige Judas Iskariot doen vreselijke legendes de ronde. Men neemt aan dat hij, met de opbrengst van zijn ontrouw, een stuk grond in de buurt van Jeruzalem heeft gekocht. Er was even ten zuiden van de berg Zion een plek genaamd Hakeldama (bloedveld). Men gaat ervan uit dat dat het eigendom van de verrader was. Volgens de ene overlevering heeft hij zelfmoord gepleefd. Volgens een andere kwam hij ten val op zijn stuk grond, als gevolg waarvan zijn ingewanden zich uitstortten over de aarde. Volgens weer een andere stierf hij aan een vorm van waterzucht, in afgrijzelijke omstandigheden die men voor een kastijding uit de hemel aanzag. Het verlangen in Judas een pendant van Achitofel te zien en de verwezenlijking aan te tonen van de dreigementen die in de psalmen tegen verraad van vriendschap worden uitgesproken heeft mogelijk aanleiding gegeven tot deze legendes. Misschien leidde Judas, teruggetrokken op zijn stuk grond in Hakeldama, een rustig en onbetekenend leven, terwijl zijn oude vrienden de verovering van de wereld voorbereidden en het gerucht verspreidden van zijn schandelijke daad. Misschien ook leidde de ontzettende haat tegen hem tot gewelddadigheden, waarin de hand van God werd gezien.

Los daarvan was de tijd van grote christelijke wraaknemingen nog ver verwijderd. De nieuwe sekte had niets te maken met de karastrofe die het Jodendom spoedig zou ondergaan. De synagoge begreep pas veel later waaraan men zich blootstelt als men intolerante wetten uitvaardigt. Het Romeinse Rijk was er nog lang niet op bedacht dat zijn toekomstige vernietiger geboren was. Bijna drie eeuwen gingen de Romeinen voort zonder te beseffen dat in hun boezem ideeŽn groeiden die bestemd waren om de mensheid compleet te transformeren. Het gedachtegoed van Jezus, tegelijkertijd theocratisch en democratisch, was samen met de invasie door de Germanen de oorzaak van het uiteenvallen van het werk van de keizers. Enerzijds onstond een ieders recht om deel te nemen aan het koninkrijk van God. Anderzijds waren godsdienst en staat nog altijd van elkaar gescheiden. Het recht van het geweten, onttrokken aan de politieke wet, brachten een nieuwe macht tot stand, de 'geestelijke macht'. Deze macht heeft zijn oorsprong meer dan eens verloochend; eeuwenlang waren de bisschoppen prinsen en was de paus een koning. De zogenaamd geestelijke macht heeft zich diverse malen een vreselijke tirannie betoond, gehandhaafd met behulp van martelingen en executies. Maar de dag zal komen waarop de scheiding van godsdienst en politiek zijn vruchten zal dragen, waarop het domein van de geestelijke dingen zich geen 'macht' meer zal noemen, maar een 'vrijheid'. Het christendom is, voortgekomen uit de onverschrokken prediking van een man van het volk, ontloken onder het volk, aanvankelijk geliefd en bewonderd door het volk, doordrenkt van een oorspronkelijk karakter dat nooit meer zal verdwijnen. Het was de eerste revolutionaire triomf, de overwinning van het volk, de troonsbestijging van de eenvoudigen van geest, de huldiging van volkidealen. Jezus heeft in de oude aristocratische maatschappijen de bres geslagen waaraan zij uiteindelijk ten onder gingen.

De politieke machthebbers zijn eigenlijk onschuldig aan de dood van Jezus (ze hebben slechts, ondanks zichzelf, het vonnis geratificeerd), maar ze dragen een zware verantwoordelijkheid. Door toe te kijken bij het schouwspel op de Schedelberg bracht de Staat zichzelf een zeer zware klap toe. Er kwam een legende vol oneerbiedigheden uit voort die de wereld veroverde, een legende waarin de gevestigde orde een gehate rol speelt, waarin de beschuldigde gelijk heeft, waarin de ordetroepen en de rechters samenspannen tegen de waarheid. Het passieverhaal, onder miljoenen mensen verspreid, is bij uitstek opruiend: het laat zien hoe de Romeinen de meest onrechtvaardige straf denkbaar sanctioneren, en hoe Romeinse soldaten die uitvoeren, onder toezicht van een Romeinse prefect. Wat een klap voor de gevestigde orde! Ze zijn er nooit meer helemaal van hersteld. Hoe kun je je tegenover het arme volk een air van onfeilbaarheid aanmeten met de grote schande van Getsemane op je geweten?


Vertaling: Joost de Leeuw


Contact: joostdeleeuw@joostdeleeuw.eu