verhalen



de ochtendwandeling
de overval
het onderzoek
de man met het hondje
een broer onder broers
de dame met het pontje
de ontmoeting
laatste aantekening van een mug
eerste liefde
terug




-
-
-
-
-
-
-
-
-





-
-
-
-
-
-
-
-
-










de ochtendwandeling

Het is zaterdagochtend vroeg. De zon is op, maar de bevolking nog niet. De Amsterdamse straten zijn leeg. Zelfs de bakker is nog dicht. Alleen de krantenbezorgers krijgen kranten bezorgd. (Maar er is geen nieuws.) Onze held, die de vroegte getrotseerd heeft – zelfs vóór de wekker met enige opwinding wakker geworden is – loopt van de Helmersbuurt naar het Vondelpark. De zon staat zo laag dat het in de noord-zuidstraten nog fris is als de nacht. Achter de gesloten voordeur van de CoffeePlaza staat een krijtbord: you're only as strong as your coffee. Maar die koffie laat nog even op zich wachten. Bovendien, onze held heeft net zijn mond gespoeld met een koud wodkaatje. Je moet aan je adem denken op dit tijdstip. In een bundel licht die geheel onbelemmerd vanaf de zon, langs de hoogbouw van het Wg-Plein, door het gebladerte van de Brederodestraat, op het dak van een geparkeerde auto valt zit een kat zijn pootjes te wassen. Even denkt onze held aan het nachtelijk leven dat niemand kent: dat van de muizen en vleermuizen, de ratten en de katten. Hij nadert de Overtoom en besluit blind over te steken – laat God hem een teken sturen als hij niet goed bezig is. Voor de zekerheid neemt hij het zebrapad, maar hij hoort geen verkeer. Op zijn linkerwang voelt hij de zon. De geur van de manege waait hem tegemoet. Ook de paarden zullen nog wel slapen. Het is vreemd stil in de Kattenlaan, zonder het geluid van stuiterende tennisballen. Onder de stoel van de umpire zit een konijntje. In het park voelt hij zich een boswachter die zijn ronde doet in een uithoek van zijn domein. Op een drassige oever houdt een gezinnetje nijlganzen zich warm. De pulletjes slapen, de ouders houden een reiger in de gaten. Onze held wil bij de ooievaars gaan kijken, maar heeft geen tijd voor een ommetje en loopt door, langs het openluchttheater en het theehuis en langs Vondel zelf. Onder de brug wordt zowaar viool gespeeld, terwijl de zwervers nog slapen. Bedelaars is vrede schaars, dacht onze held, in Vondels geest. Hij loopt toch maar zachtjes, om zijn stappen niet te laten weergalmen. Zelfs de flessenhals van het park, later vandaag de drukste straat van de stad, is uitgestorven. De stayokayers liggen stoned in hun stapelbedden. Als hij het smeedijzeren hek passeert groet hij eerbiedig de Stedemaagd. Er rijdt een lege tram voorbij. Op de Hein Donnerbrug negeren de duiven en meeuwen elkaar – maar de wandelaar, die helemaal actief en opgeladen is, negeren ze niet: ze maken ruim baan. Goddank, denkt hij, zelfs het Max Euweplein is leeg, dit is hét moment om dat hele zootje in de fik te steken: Irish Pub, Hard Rock Café, Holland Casino. Het zou veel beter zijn als de Maagd alleen Paradiso, De Balie en het Barlaeus hoefde te zien, en als later de bladeren vallen Pathé. Maar nee, geen tijd, de Bastille is al in zicht. Onze held wrijft een slaapje uit zijn oog, ademt nog eens diep de frisse morgenlucht in, begroet de beveiliger en posteert zich bij de deur. Ze praten drie minuten over Ajax. Dan komt een wankel meisje naar buiten. Ze is mooi genoeg. Hij slaat een arm om haar heen en kust haar wang. 'Wat kun jij dansen, schat. Taxi!'


index

de overval

We dronken champagne, de een wat meer dan de ander. Of, beter gezegd, de anderen wat meer dan een, en die ene was ik. Het was in het Amsterdamse appartement van mijn vriend Anders Baum. De helft van de aanwezigen was net als hij softwareondernemer, de anderen waren academici, ik was sorteerder bij de post. Ik zeg Amsterdams appartement om te verduidelijken dat deze onheilsnacht niet in zijn Californische appartement plaatsvond, noch in zijn Amsterdamse studio. Anders had voor elke ton die hij het afgelopen jaar had verdiend een vriend uitgenodigd, en zo waren we met tweeëntwintig. Ik had de feitelijke jaarwisseling elders in de stad met familie afgewacht, en was onder een bombardement van vuurwerk vanuit mijn westelijke wijk (waar men niet drinkt, maar een warme belangstelling heeft voor explosieven) naar huize Baum aan het Sarphatipark gefietst, waar ik als een van de laatsten arriveerde. Ik begroette Anders en gaf hem een zak oliebollen. 'Het was toch al een vet jaar', zei hij, 'hoe is het bij de post?' -'Altijd goed in december. Drieduizend euro aan fooien binnengehaald.' Hij betwijfelde dit bedrag geen moment. 'En ik heb een auto gekocht, een Saxo VTS.' -'Oh, mooi man! Ik heb er net een vérkocht!' -'Een Saxo?' -'Haha, nee, een Aston Martin. Lekker karretje hoor, maar totaal ongeschikt voor Amerika, veel te laag, ik neem gewoon een Corvette. Kreeg er nog bijna twee ton voor.' -'Oh, dus dát is jouw handeltje! Ik dacht dat je software aan verzekeraars verkocht.' -'Nou, het was wel een verzekeraar, de koper. Klant van me. Trouwens, die twee ton was ik helemaal vergeten, vrek dat ik ben. Had ik Annemarie en Bas ook nog kunnen vragen.' Ik zag een ex, wenste haar al het goede voor het nieuwe jaar, en gaf haar een hartelijke kus. 'Je bent nuchter, viezerik!' Ik liep naar het balkon om een koude krat bier te halen. Anders had me een sigaar toegestopt, die ik opstak terwijl ik naar het laatste vuurwerk keek dat op het Frederiksplein werd afgestoken.

Toen ik terugkwam (het bier was ik vergeten) waren twee nieuwe gasten gearriveerd. Dat zag ik direct, want een van hen sprak en iedereen luisterde. Het waren twee mannen, de één dik en nors, in een wijde, zwarte capuchontrui, de ander lang en gespierd, in een lichtblauw hemd – hij was uitgesproken knap. De aanwezigen waren in zodanige staat dat ieder die twee lange zinnen achter elkaar kon uitspreken de algemene aandacht had. De mannen hadden trouwens, ongepast, bij hun entree de muziek uitgezet. 'Wij zijn hier met hetzelfde doel als jullie, we willen een goeie avond hebben. We willen geen herrie, geen moeilijkheden. Als iedereen zo vriendelijk wil zijn om z'n telefoon in te leveren. Haal je simkaart eruit, ik ben de kwaadste niet. Mijn maat hier is wél makkelijk kwaad te krijgen, dus beter doe je wat ik zeg. Iedereen telefoons, horloges en geld inleveren, en dan naar de slaapkamer. Wordt een beetje krap, maar jullie vermaken je wel. Ruimen wij een beetje op hier.'

Ik zag een van de gasten achter zijn rug een paar pasjes uit z'n portemonnee peuteren, hij stopte ze in zijn broek. Een voor een gaven we onze telefoons, horloges en portemonnees af. De dikke dief hield een juten zak open – de achterkant van pakjesavond. De lange greep een meisje hardhandig bij haar arm, om een gouden armband los te krijgen. Ik had geen horloge, tot ergernis van de knappe dief. 'Waar is je klok?' -'Ik kijk altijd op m'n telefoon.' -'Inleveren!' Ik haalde mijn oude 3310 uit mijn zak. 'Jezus christus, moe-je zien man! Wat moeten we daar nou mee! Hou maar. Of wil je een nieuwe uitzoeken?' Hij graaide voor me in de zak. 'Nee bedankt,' zei ik een beetje lullig. -'Maar we willen nog steeds je geld.' Ik gehoorzaamde. 'Ook geen credit card zeker? Treurig hoor. Wat is je pin?' -'Zes zes zes zes', lalde iemand, 'maar ik zeg niet...' -'Twaalf-vierendertig!' overstemde ik hem snel, zonder te beseffen dat ook die combinatie weinig geloofwaardig was. Maar ze rekenden toch al niet op mijn liquiditeit en vervolgden hun strooptocht. 'Hé bolle, zet de muziek maar weer op!'

We werden naar de slaapkamer gedwongen en alleen gelaten. -'Zijn ze eigenlijk gewapend?' vroeg iemand. Ik zei dat ik geloofde van niet. 'Luister niet naar hem, hij is nuchter!' riep de ex, die bezig was een paar geldbriefjes onder het matras te verstoppen. -'Waarom geven we dan onze spullen mee?' -'Dit is moeilijk komisch!' riep iemand. 'Stephan heeft een goed punt,' zei ik, 'waarom geven jullie je spullen mee?' -'Euuuuhhhh' – en de spreker trok een minachtend gezicht – 'omdat we overvevvvvvállen worden?' -'Waarom discussiëren jullie niet gezellig verder, terwijl ik de politie bel?' -'Gást. Waar wou je mee bellen? Met je lul?' Gelach alom. -'Met mijn telefoon, die ik mocht houden, omdat ze 'm te lelijk vonden...' Ik haalde hem tevoorschijn. '...Alleen jammer dat de batterij leeg is.' Helaas kon mijn reliek hun smartphones niet redden. De knappe dief kwam binnen. -'Verhuizen jongens en meisjes!' Hij bracht ons naar de woonkamer, waar even eerder het feestje nog was. Ze hadden inderdaad opgeruimd – wat zeg ik! De ruimte was volstrekt leeg, het leek wel een showappartement. 'Die gasten zijn moeilijk!' riep iemand bewonderend. -'Hé, bedankt man. Maar waar is m'n tv?', vroeg Anders. Er hing een merkwaardige sfeer. De bolle haalde een krat bier van het balkon. 'Maar er een feest van, jongens!' De overvallers verdwenen in de slaapkamer. -'Ik wist niet dat het een slaapfeestje was!' probeerde iemand. 'Zou jij 'm doen?', vroeg een meisje aan haar vriendin. -'Die dikke?' -'Nee, niet die dikke. Die lange.' -'Die dikke is langer dan die lange hoor.' -'Ik zou 'm doen. Zag je die aders op z'n armen? Ik viel bijna in katschuim toen-ie me vastpakte.' Dat is een interessant geval van Stendhal- én Stockholmsyndroom, dacht ik. Ik was de enige die nuchter genoeg was om zich echt op te winden, maar ik was behalve twintig euro en een pinpas niets kwijt, en besloot mijn veiligheid niet te riskeren. 'Zullen wij naar hun huis gaan?' opperde iemand. Hij kreeg bijval en een paar jongens liepen naar de deur. Onmiddellijk kwam de dikke trui tevoorschijn, die een van de revanchisten pijnlijk in zijn maag stompte. 'Of niet', zei een van de anderen laconiek. -'Als ze straks samen naar de plee gaan sluiten we ze op!' -'Homo's!' -'Iemand nog bier?' – en luider: 'Ik ben effe bier halen op het balkon!' –'Yo!', stemden de opruimers in. -'Zo. Vers bier. Ik hoorde trouwens sirenes. Zou dat voor ons zijn?' -'Het zal de brandweer zijn,' zei ik, 'iemand raakt z'n huis kwijt.' Even later namen de dieven de keuken onder handen. Uit het borstzakje van de blauwe bloes staken bankbiljetten. Anders sloop naar zijn slaapkamer. 'Helemaal leeggehaald! Serieus, dit moet een game zijn. Those guys are artists!' Iemand tuurde in de gevorderde nacht. 'Het is al bijna licht. Ze zullen zo toch wel vertrekken...' -'Gast, serieus. Dit is de vetste oud en nieuw ooit.' -'Maak je nooit meer mee', beaamde ik.


index


de man met het hondje

Een lijkwagen rijdt luid toeterend over een druk kruispunt in Lima, Peru. De chauffeur stuurt en claxonneert met één hand en houdt met de andere de kist tegen, die is begonnen te schuiven door het geringe gewicht van Hans van Tree, die erin ligt. Op de bijrijderstoel zit een hondje.

Hans van Tree was jarenlang getrouwd geweest met Alie. Ze hadden geen kinderen, maar wel honden en die honden verbonden hen. Aan tafel spraken ze nooit meer een woord, maar drie maal per dag, tijdens hun wandelingen door het buurtpark, verkenden ze samen de constanten en de extremen van de huisdierenpsychologie. Ze voorspelden het gedrag van hun schnautzer, die nergens bang voor was, en verklaarden de looplijnen van hun labrador, die katten ontweek en fietsers, maar eenden en ganzen vakkundig in een hoek dreef.  Als het struisvogels waren geweest had hij ze opgegeten, zeiden de trotse baasjes dan tegen elkaar, maar eenden en ganzen kunnen vliegen en ontkwamen.

Op een dag stierven beide honden aan een voedselvergiftiging. Die zaak heeft de landelijke pers nog gehaald en de lokale slager duizenden euro’s smartengeld gekost, maar aandacht en geld konden de vergiftiging van Hans en Alies huwelijk niet meer tegengaan.

Beide partners zochten hun heil op internet. Alie borduurde honden van alle rassen op truien en sokken en verkocht die via marktplaats. Hiermee verdiende ze geld dat ze nergens aan uitgaf. Hans vond zijn weg naar een andere markt: die van de internationale liefde. Hij stak zijn smartengeld in premium lidmaatschappen en kwam in contact met de mooiste vrouwen wereldwijd, met wie hij vaak zelfs interesses deelde. Zo was er Aung Li, die net als hij van muziek hield, en Carlita, die ook graag goede wijn dronk. Met Innocence haalde hij herinneringen op aan wijlen hun beider hondjes, maar het meest was hij weg van Cristina, een Peruviaanse met wie hij niets gemeen had dan een ongelukkig huwelijk. Cristina was eind twintig (hij eind vijftig) en uitgekeken op haar Rodri, die al hun geld opdronk en hun meisjes sloeg.

Wat sprak Hans aan in Cristina? Haar denkbeelden: ze maalde niet om leeftijdsverschil, was liberaal in de omgang en hield van haar kinderen zoals hij van Bruno en Franc gehouden had. Haar humor: als Alie een truitje bezorgde, of boodschappen deed, en Hans kon cammen, lachte ze om zijn grappen. Hij was een man die nadacht over humor. Toen hij op zijn werk een goede jodenmop hoorde, verving hij elke Jood door een Mexicaan en maakte hij met enkele woorden Engels, wat Spaans, zijn handen en zijn neus Cristina onbedaarlijk aan het lachen. Ze moest een glas water gaan drinken om niet in haar broek te plassen, zei ze. Hans wist niet of dat nu ook een grap was. Verder, daar wilde hij niet schijnheilig over doen, zag ze er goed uit: ze miste wat tanden, was iets te dik en haar linkerborst was groter dan de rechter, dat kon je door haar kleren heen zien, maar het algemene plaatje sprak hem aan. Hij zei wel eens bij zichzelf: uiterlijk is een, uitstráling is twee. En dan dacht hij erachter aan: vergelijk het eens met Alie. Haar borsten zijn precies gelijk, inderdaad, precies even lelijk.

Eenmaal had hij iemand zijn geheime geluk toevertrouwd: een bevriende overbuurman. Die had echter blijk gegeven van een nogal vulgaire, vrouwonvriendelijke geest door direct over ‘post order brides’ te beginnen, een handel die Hans wel kende, maar waar hij zich verre van hield. Even overwoog hij zijn vrouw in te lichten, maar dat liet hij achterwege: waarschijnlijk wist ze het toch al, en kennelijk deed het haar niets, want ze had er nooit iets van gezegd.

Hans mailde met Cristina, soms zagen ze elkaar op de webcam, en nu een dan stuurde hij haar brieven, foto’s en Amerikaanse dollars. Ze vroeg trouwens nooit om geld, wat zijn vrijgevigheid alleen maar aanmoedigde. Hier koop je voor vier euro een fles wijn, dacht hij, daar misschien wel drie. Hij verkocht het hondenhok, dat nu toch geen functie meer had, en schafte met de opbrengst een webcam met hoge resolutie aan om naar Peru te sturen. Helaas had Alie de aankoop gevonden en op haar laptop geïnstalleerd. En met haar hoefde Hans niet te cammen, dat zou omslachtig zijn geweest.

Soms speelde hij met de gedachte een ticket voor Cristina te kopen. Hij zou haar de Kinderdijk laten zien, de Afsluitdijk en de Houtribdijk, en in het café halverwege, waar hij vroeger zo vaak kwam toen hij nog wielrende, zouden ze kussen. Natuurlijk was dit idee onuitvoerbaar, zolang Alie niet voor dezelfde periode zou verdwijnen. Hij redeneerde dat ook Alie een ticket moest krijgen, en nam alvast contact op met een nicht in Australië. Ten slotte kwam hij tot de conclusie dat het beter zou zijn om zelf naar Peru te vliegen.

Voor hij een excuus bedacht peilde hij Cristina’s gedachten. Zouden ze elkaar kunnen ontmoeten, in Lima? Dat kon, dat kon. Haar terughoudendheid stelde hem teleur en hij vroeg wat het probleem was. Niks, niks, er was geen probleem, maar ze was wel getrouwd. Ze waarschuwde hem voor haar man, die jaloers en agressief was. Hij dacht aan Alie, die van hem juist wel wat jaloerser en agressiever mocht zijn en vond Rodrigo’s houding begrijpelijk. Hij zou in een hotel verblijven en Cristina zien in cafés  en restaurants en mocht haar man toch opduiken, dan zou hij eerst beleefd zijn en praten als een kerel, maar als het nodig was blaffen en vechten als een hond.

Aan het ontbijt, vanachter de koffiedamp, vertelde hij Alie over zijn reisplannen. Zij begreep het en erkende dat een motortocht over route 66 niets voor haar zou zijn. Zij kon misschien met een weekend naar Knokke gaan, of Amsterdam.

Op het vliegveld van Lima werd Hans in een taxi naar zijn hotel gebracht. Helaas bleek zijn bagage hem niet te hebben gevolgd. Hij vloekte even, maar dacht: bij een nieuw leven hoort een nieuwe koffer. Hij dronk een Corona in de hotelbar en moest opeens weer denken aan de jodenmop, die hij vertelde aan een andere gast. Het bleek een Duitse zakenman te zijn met weinig gevoel voor humor maar veel ervaring met Peruviaanse vrouwen. Hij onderhield er zes en wilde zijn collectie completeren met de dame achter de toog. Hans zag niet wat er aantrekkelijk was aan deze Joachim, maar hij viel ten slotte ook op vrouwen. Vrouwen… Cristina… Cristina…

’s Ochtends zocht hij een internetcafé. Cristina was niet online, maar hij schreef haar een e-mail. Drie dagen later kreeg hij antwoord: ze had het druk, ze kon nog niet afspreken. Hij was teleurgesteld maar doodde de tijd door te wandelen in de stad, te kletsen met meisjes op straat en bier te drinken met Joachim, die wel erg vaak in de bar zat voor iemand met zes vrouwen. ‘Mannen met één vrouw hangen al graag in de kroeg, kun je nagaan hoe het met mij is’, verklaarde zijn nieuwe vriend zich. Hans had vaker moeite met logica, zo kon hij moeilijk wennen aan het tijdsverschil, en ook nu voelde hij dat dit geen bevredigende verklaring was, maar wist hij niet waarom. ‘Als-ie overdrijft, en hij heeft er eigenlijk maar vier, dan doet-ie het nog goed,’ zei Hans bij zichzelf.

Een week ging voorbij zonder nieuws van Cristina. Hij had geen telefoonnummer, of beter gezegd: zij had geen telefoon, en het adres waarnaar hij zijn dollars gestuurd had bleek een postkantoor te zijn.  Daar informeerde hij naar Cristina Corazón, maar ‘dat kunnen er zoveel zijn’. Hij zocht naar verklaringen en vond er tientallen. Ze was bang voor Rodri, ze was ziek, ze had werk en kon niet weg, ze was nerveus, ze geloofde hem niet, enz. enz. Aan het eind van de maand kreeg hij een enorme rekening: dertig nachten, negentig maaltijden en driehonderdtwintig bier. Joachim, die hij al een paar dagen niet gezien had, had op zijn kosten gedronken.

Om de eenzaamheid te ontlopen begon hij nachtclubs te bezoeken, en aandachtig observerend vanaf zijn kruk formuleerde hij weer psychologische wetmatigheden, zoals hij vroeger met zijn vrouw deed in het park: vrouwen die op tafeltjes staan te dansen, zijn nooit de allermooisten; de jongste meisjes zoenen met de breedste kerels; blonde mannen hebben succes. Alleen de blonde Hans had geen succes, hij dacht niet eens aan succes. Hij dacht alleen maar aan Cristina en zijn lieve hondjes.

Hij telde zijn geld en besloot anders te gaan leven: niet meer dagelijks op internet, één maaltijd per dag in plaats van drie, en er kwam een nieuw lief hondje. Met het hondje verhuisde hij naar een kleinere kamer in een ander hotel, verder uit het centrum. ’s Nachts kroop hij met Lima in bed en bad hij dat ze in Cristina zou veranderen.

Lima had continu honger en kreeg ook de helft van zijn overgebleven maaltijd. Ter compensatie dronk hij twee of drie biertjes meer, waarna hij goed sliep en geen honger meer voelde. Hij sliep niet alleen steeds beter, maar ook steeds langer. Vanaf het opstaan keek hij uit naar het moment van slapengaan. Om moe te worden liep hij lange stukken door de stad, maar dat maakte hem ook hongerig, dus dat gaf hij op.

Het werd kerst, en Hans besloot nog eens te mailen, en nog eens het adres te bezoeken. Maar hij had zich niet vergist, er stond nog steeds een postkantoor. Hij was uitgeput en deed Lima een kip, en zichzelf een fles rum kado, die hij die warme kerstdag helemaal leegdronk. Nog voor het donker was lag hij in bed en viel hij in slaap. Hij hoorde zijn hondje blaffen, werd wakker, kon niet meer overeind komen en stierf.

index

een broer onder broers (vervolg op de man met het hondje)

I

Na wat zijn broer Hans was overkomen – van een uitzichtloos huwelijk in een fatale affaire beland en van Hollandse sleur in een Peruviaans baarhuis  – was Jaap van Trees schuwheid alleen maar toegenomen. De enigen die hem nog na stonden waren zijn droeve moeder en schoonzus. Het had er even op geleken dat ze gedrieën een gezin zouden worden toen Jaap een huwelijk met Hans’ weduwe overwoog. Het was er niet van gekomen, want niemand zag het nut: ze aten al samen, ze wandelden veel, ze volgden hun series op tv en soms keken ze elkaar aan met Hans in hun ogen.

Hoewel de politie Alie geïnformeerd had over de omstandigheden van Hans’ dood sprak zij daar nooit over. Ze nam de feiten in zich op en leefde verder. Ze was verdrietig, zeker, maar ze kapselde verdriet in haar dagelijks leven in, en wat je niet doodt maakt je sterker. Ze was sterker gebleken dan Hans, zoals ze altijd al vermoed had. Moeder en Jaap, haar naaste vrienden, had ze nooit de volledige waarheid verteld omdat ze gespaard moesten blijven, omdat ze Hans als die trouwe, nijvere zoon en broer moesten herdenken  - ze had ook graag dat er in die termen over hem gesproken werd. ‘Hans zou nu hebben staan afwassen’, merkte moeder dan op en Alie miste de liefde van haar leven.

Pas toen in de sensatiepers reconstructies van Hans’ Latijnse lijdensweg verschenen – veel later pas, en overal tegelijk - besefte Jaap voor het eerst wat een romantische dood zijn broer gestorven was en – in contrast – wat een lusteloos leven hij zelf leidde. Hij probeerde dit benauwende gevoel te delen met zijn twee vriendinnen, maar zij zagen het nette leven als een verdienste en als voorwaarde voor een rustig bestaan. Had de dwaalleer niet tot broeders dood geleid? 

Jaap was arbeidsongeschikt en schoffelde de tuintjes van bejaarden. Dit werk had hij niet kunnen missen, want hij voelde zich er jong en sterk door. ’s Zomers droeg hij mouwloze hemden en keek hij bewonderend naar zijn armen wanneer hij een spade in de aarde stak. Groepjes dames die voor hun aanleunwoningen koffie dronken bewonderden mee. Zijn zelfvertrouwen was elke dag toegenomen en op een uitzonderlijk mooie juliavond kocht hij bij de supermarkt een krat bier die hij met een hand boven de kassa uittilde om de kassière van dienst te zijn – de kassière die al wekenlang erg vriendelijk naar hem lachte. ‘Als je ook een flesje wil?’ zei hij, waarop zij hem recht aankeek, maar niets antwoordde. Jaap liet de krat uit zijn handen vallen. ’s Winkels aandacht concentreerde zich op het tafereel. Het meisje: ‘Laat u er wel eentje heel dan?’

Hij kreeg steeds meer de pest in over zijn leven  en droomde ’s avonds aan een borrel weg bij de glansrijke ondergang van zijn broer, en hoe meer hij droomde, hoe meer hij hem ging zien als een romantische martelaar, en waar journalisten gefocust hadden op de mislukking, concentreerde Jaap zich op het maar net misgelopen succes. Die Cristina, de femme fatale die de levenswandel van Hans had omgeleid en ingekort,  zou zij ook verdriet hebben? En zo diende zich een voorwendsel aan om contact met haar te zoeken. Zijn broer had haar naam immers op zijn lippen gehad toen hij stierf, hadden de kranten geschreven!

Niemand had na Hans’ dood zijn e-mails willen lezen – uit gene, maar vooral uit vrees voor wat erin zou kunnen staan. Alie zou zich weer de falende echtgenote voelen, terwijl ze met haar verstand, op basis van feiten, wist dat Cristina Hans bepaald niet méér geluk gebracht had, dat hij een dodelijke vergissing had gemaakt, en dat de geschiedenis, zo gezegd, aan haar kant stond. Jaap echter had zich nu resoluut voorgenomen de Peruviaanse verleidster te benaderen en kon van Alie de benodigde wachtwoorden niet loskrijgen, maar van een betrokken journalist – die het volgende verhaal al aan zag komen - maar al te snel.

Voor Cristina voelde hij niets dan nieuwsgierigheid. Hij was niet boos, hij was niet begerig, hij was slechts benieuwd. In zijn vrijgezellenfantasie (vooruit, hij was een beetje begerig misschien, zoals een muis uit z’n holletje kruipt om een kat te begluren) was ze voluit Zuid-Amerikaans: donker- en langharig, volbeboezemd, luidruchtig, zelfverzekerd, brutaal – kortom alles waar hij doorgaans voor zou vluchten. Het vreemde was dat hij van zijn broer nooit maar iets gehoord had over Cristina. Hij had haar bestaan, zo bleek, alleen een buurman toevertrouwd, die er geen woord van geloofd had maar op de begrafenis al twijfels kreeg en na de Onthullingen een bos bloemen op het graf was gaan leggen – en verder moest Jaap zijn beeld baseren op wat hij in de kranten las.

Cristina kreeg een mail, en zo lang als ze Hans in isolement op zijn hotelkamer had laten zitten, zo voortvarend stuurde ze broer Jaap haar antwoord. Ja, ze had ervan gehoord – er was een tv-ploeg uit Nederland gekomen die ze op de stoep had laten staan – ja, ze mist Hans net zo erg, ze had zich erg aan hem gehecht, en, dit ongevraagd, ze was heel blij dat ze nu met zijn broer in contact stond over wie ze, dit gelogen, veel gehoord had. Jaap schreef als een neutrino nieuwe mails en kwam met Cristina snel op intiemer voet. Net als zijn broer omzag hij haar tekorten en viel hij voor haar uitstraling.

Hij vertelde niemand van zijn correspondentie, maar Alie - ervaren op dit terrein - kon het raden. Venijniger dan ooit zei ze tijdens een wandeling: ‘Een romantische dood… Behalve romantiek, Jaap, betekent dat ook dood!’ –‘Ik ben al heel m’n leven zo goed als dood’, dacht hij dramatisch, maar hij knikte.

II

In plaats van twee waren er nu drie vrouwen in Jaaps leven – een nooit vermoede overvloed. Er waren zijn moeder en schoonzus, met wie hij het gemis van Hans deelde, en vele middaguurtjes, en er was zijn Latijnse Cristina, die moeder en Alie tot wanhoop dreef. Ze wanhoopten over de blindheid die Jaap overkomen was – de vrouw nota bene die zijn broer uit zijn dorp naar Lima gelokt had, naar de morsige straten van Lima – naar een eenzaam doodsbed… Maar die vrouw – dat had Jaap toch goed begrepen? – had Hans niet eens ontmoet. Hans had zich mager gevast en dood gedronken – niet omdat hij Cristina had, maar omdat hij haar níét had, en de gedachte aan Alie had hem er niet van weerhouden. Hij was in het dorp en in de landelijke kranten neergezet als een trieste man die het in zijn midlifecrisis niet eens gelukt was overspel te plegen, maar Jaap begon in te zien dat Hans juist moedig was: hij was het dorp uit gereden, de gemeentegrens over, parkeerde bij de luchthaven, nam een vliegtuig, landde in Peru en zocht naar spanning, vernieuwing en bevrediging. Hij vond verveling en teleurstelling en had bitter terug kunnen komen, maar aanvaardde hoe het was – hoe kennelijk zijn hele leven was. Hij verkoos een beneveld einde boven een helder, hopeloos leven. Alie was laf omdat ze de waarheid niet onder ogen wilde zien, Cristina was laf omdat ze zich geld liet sturen maar de gever niet wilde ontmoeten, en de grootste lafaard was Jaap zelf, die vluchtte in conventies – hij had godbetert die antivrouw van een Alie willen trouwen – als een leproos in een kolonie. Maar het roer kon nog om: hij wilde een leproos zijn en zijn wonden tonen op straat en lachen als hij bespuugd werd, indachtig zijn broer, die had durven breken met het leven. Liever nog: hij wilde het leven leiden dat zijn broer voor ogen had gestaan.

Hij hoefde niemand te misleiden of bedriegen en kondigde zijn vertrek naar Lima aan. ‘Een gewaarschuwd mens…’ sprak zijn moeder dreigend en even zag hij de gammele, rotte brug voor zich met het bordje: Pas op, één persoon tegelijk. Hij stak toch over.

Omdat hij niet dezelfde fouten wilde maken die zijn broer gekneveld hadden had hij voor vertrek een goedkoop hostel gereserveerd en Cristina’s adres laten verifiëren. Ze had hem bezworen dat ze hem wilde zien en dat Rodrigo bij haar weg was. Ook had ze hem een taxi aanbevolen die niet duur was en haar huis kon vinden. Gronden tot wantrouwen had hij weggeredeneerd, hoezeer moeder en Alie ook probeerden hem bij zinnen te brengen. Ze konden nog slechts slapen bij de veronderstelling dat ook twee ezels zich in ’t gemeen niet stoten aan dezelfde steen.

Een trapwagen werd op de Boeing aangesloten en Jaap daalde af in de tropische hitte. Zoals in alle nare landen stonden er militairen op het platform. Hij liep in een slang zwetende reizigers naar de aankomsthal en zag zijn koffer voorbij rijden. Hij begon zijn avontuur dus fortuinlijker dan zijn broer en een half uur later stond hij aan de Peru-kant van de douane. Een taxi bracht hem vlug, gekoeld en comfortabel naar zijn hostel en terwijl volgens de wetten van tragedie deze meevallers verdisconteerd moeten worden, trof hij geen zwelgende Duitser aan de bar, maar een stel vrolijke Rotterdamse meisjes die van hun laatste soles af moesten en Jaap mee lieten delen in de alcoholische revenu. ‘Wat brengt je in Lima?’ –‘Zaken…’ Daar had hij het bij kunnen laten, maar: ‘Dingen… Vrouwen…’ Een accurater antwoord had hij niet voorhanden, want waar kwam hij eigenlijk voor? Hij kwam om zichzelf te bewijzen dat hij geen lafaard was, dat hij het onbekende niet vreesde, dat hij geen boer was onder boeren, maar een broer onder broers. De meisjes snapten het wel: ze hadden vaker zulke reizigers gezien.

III

De volgende ochtend, op weg naar Cristina, begreep hij waarom de taxi zo goedkoop was: op tien minuten van zijn hostel stapten nog twee mannen in. Hij vroeg of zij ook in Independencia moesten zijn. Nee, zij hadden andere plannen, ze wilden naar een pinautomaat. De portieren schoten op slot, een vuurwapen kwam tevoorschijn. De mannen hoefden geen agressie te tonen om Jaap te doen trillen van angst. Een stekende kou trok langs zijn ruggengraat, zijn hart bonsde en een stompzinnig, trekkend lachje verscheen op zijn gezicht. Ze reden naar een bank en vertelden Jaap de daglimiet op te nemen. ‘Vlucht niet sein niet schreeuw niet!’ Maar die waarschuwing was overbodig, want Jaap zag voor zich hoe hij wegrennen zou en in zijn hielen geschoten werd, hoe hij zwaaide naar een employee en zijn hand doorzeefd kreeg, hoe hij zijn mond opende om te schreeuwen en.. . en hij besefte dat zijn geld hem minder waard was dan hiel, hand en gehemelte. De bank waardeerde zijn vege lijf op 1500 soles. Hij gaf de mannen zijn geld en was vastbesloten een lift af te slaan – maar het verbaasde hem zelf hoe weinig het pistool hoefde aan te dringen of hij stapte alweer in. Ze maken me dood, dacht hij, ze maken me godverdomme dood. Anderhalve dag heb ik het uitgehouden! Ik heb meer geld, morgen heb ik meer geld! Hij huilde het uit: soles, más soles, mañana! De afpersers dankten hem omstandig voor zijn meedenkendheid, zijn hulpvaardigheid. Ofwel: ze minachtten hem om zijn lafheid. De man links van hem, een dikke, donkere, stinkende man in een blauw-geblokt, bruin-bevlekt hemd sloeg hem de kolf van het pistool in zijn gezicht. De chauffeur schold: doe rustig, straks zeikt-ie m’n bekleding onder! Goddank verstond Jaap dat niet, want het zou de druppel zijn geweest die zijn blaas deed overlopen.

Het draaiboek was al vooruit gelopen op zijn toeschietelijkheid. De taxi stopte voor een vies-grijs, beklad, bemost gebouw. ‘We hebben een kamer voor je gehuurd: ons kado aan jou! Dit is je nieuwe hotel. Morgenochtend om negen uur gaan we weer een ritje maken. En for your information: we weten waar je liefje woont, ze rekent op je medewerking... Tu Cristina…’ En hij begreep: geen trucs, geen tranen, geen trammelant. Dat hij ook haar nog mee moest slepen in dit drama! Hij zou haar nooit meer onder ogen durven komen...

Elf dagen op rij, op één woensdag na – maar hij durfde niet te vluchten – werd hij opgehaald om geld op te nemen en af te staan. De twaalfde dag was het op. Hij werd ruw terug de auto in gesleurd, bespuugd en op het vliegveld gedropt. De mannen hadden besloten dat hier in Lima niets meer te zoeken had. Had hij een retourticket gehad, dan was het hierbij gebleven, dan was hij naar huis gegaan en had hij verteld dat het zo heerlijk was geweest, dat hij nu wist wat passie was, dat hij nooit meer anders wilde, maar vooral ook nooit meer terug omdat de herinnering al voldoende was. Hij zou heggen knippen, stoepen vegen, ramen lappen en met Hans’ fatalisme en Alies zwijgzaamheid dóórleven, zoals hij altijd geleefd had. Hij had het in elk geval geprobeerd, hij had voor één keer het roer omgegooid, om te ontdekken dat rechtdoor de juiste koers was.

IV

Dit alles vertelde een uitgeputte, moedeloze Jaap me in een kroeg in Lima, waar hij ’s ochtends de krukken op de bar zette, de voer dweilde en op zolder sliep. We spraken als twee Hollanders alleen, begrepen elkaars leed. Ik stuur u dit relaas als een schreeuw om aandacht – ik geef het toe! Jaap is er niet meer – ik weet niet waar hij wel is – ik ben op mezelf aangewezen, en op God, die nooit naar me omgekeken heeft. Ik put hoop uit Cristina, met wie ik nu soms mail, maar die te druk is om me te ontmoeten. Ze heeft drie banen, ik wou dat ik haar geld kon sturen, maar heb zelf niets. Help me, hoed me, haal me hier weg!

index

het onderzoek (vervolg op een broer onder broers)
-

I

 

Het was geen áárdige vrouw, maar het zou oppervlakkig zijn haar alleen om die reden uit te sluiten. Ik zocht avontuur, en dat is wat zij beloofde. En trouwens, het was niet alleen privé – het was ook werk. Welke andere tijd dan werktijd en welk ander geld dan geld van de krant had ik om naar Zuid-Amerika te gaan? Andermans onheil was mijn geluk. (Dat is trouwens ook het motto van de krant.) U zult wel gehoord hebben van Hans van Tree, de man die met kerst van honger stierf in een Peruviaans pension. Zijn lot was zo tragisch en zo romantisch tegelijk – dat konden we als krant niet laten liggen. De lezer wil dromen en huiveren, nietwaar? En de schrijver wil schrijven, en de drukker wil drukken, en de bezorger wil – nou ja. Maar het is een sensatie geworden, terwijl het eigenlijk triest was. De man had al zijn hoop gevestigd op Cristina, en al zo beslist afscheid genomen van zijn leven in Holland dat er geen weg terug meer was toen bleek dat hij van zijn droomvrouw nog minder te verwachten had dan van de vrouw uit zijn nachtmerries; zijn werkelijke vrouw.

 Denkt u eens aan uw eigen huwelijk. Denk u eens aan de tijd dat u nog vol begeerte de liefde bedreef met uw vrouw (of man – vergeef me mijn beperkte verbeelding). En denkt u dan eens aan hoe het nu is. En probeer het moment te bepalen waarop u besefte dat de begeerte voorbij was. Het kost u misschien moeite dat te reconstrueren! Maar ik weet het nog heel goed. Het keerpunt was de dag waarop ik een stijve kreeg van een ongeklede etalagepop. En lacht u maar niet, want dat lijkt me nog heel wat natuurlijker dan al die mannen van mijn leeftijd die weggeilen bij sportwagens.

 Mijn vrienden zeiden: je weet toch hoe dit afloopt? Ik vind dat een vreemde fixatie. Wat doet het er toe hoe iets afloopt? Het gaat toch zeker ook om alles wat zich tussen nu en het einde voordoet? Natuurlijk liep het niet goed af. Maar ik ben wel gelukkig geweest. Dat is ook wat waard! De meeste levens lopen niet goed af. Pijn, depressie, ziekte, eenzaamheid... Maakt dat al die levens mislukt? Mijn onderzoek heeft me spanning gebracht, afleiding, opwinding, en vooral tevredenheid: ik ben niet laf geweest, ik heb gedaan wat ik wilde doen.

 Ik was zo'n man die alles had wat voorgeschreven wordt: een goede baan, een nette vrouw, twee auto's. Maar het genot zit, zoals bekend, niet in de vervulling van een droom. Het zit in het dromen zelf, in de hunkering... Daarom is het zo gek nog niet om te verlangen naar iets onbereikbaars. Wat heeft een mens nodig om te overleven? Warmte, voedsel, en iets om naar uit te kijken. Er is niet zo'n groot verschil tussen wat anderen 'geluk' noemen en ik 'verveling'. Toen ik studeerde viel de Muur. Ik zag het gebeuren op tv, maar Cees Nooteboom was erbij, in Berlijn. Cees Nooteboom stond met zijn blocnote aan de westkant van de muur, en nog diezelfde avond sliep Cees Nooteboom met een verrukkelijk Oost-Duits meisje. Tenminste, dat stel ik me zo voor. Euforie is beter dan alcohol. Een jaar later, toen Nederland Europees kampioen werd kreeg ik mijn kans, maar ik weet niet of het werkelijk vergelijkbaar was. In elk geval ging euforie toen hand in hand met alcohol, en het meisje dat ik die avond neukte dacht waarschijnlijk dat ik echt Ruud Gullit was. (Terwijl ze toch aanwijzingen had...) In bepaalde Amsterdamse cafés kwam ik jongens tegen met vergelijkbare ambities: ze wilden oorlogscorrespondent worden. Ik kende er zeker tien. Als er ooit wereldvrede uitbreekt zullen een hoop mannen gedesillusioneerd wegkwijnen. Ik had in die tijd de enige echt oorspronkelijke gedachte uit mijn leven (dat is al meer dan gemiddeld): ik werd vredescorrespondent. Ik werd euforiespecialist. Ik zou overal opduiken waar mensen echt iets bereikt hadden. En misschien, droomde ik, vond ik wel de formule, de vredesformule. Hoe dan ook, ik ging werken bij de krant. (Het was een mooie tijd, de jaren negentig: als je ergens wilde werken dan ging je daar werken.)

Ik moest begrijpen, zei mijn chef, dat ik niet direct op de grote verhalen werd gezet. Hij had vertrouwen in me, maar ik moest me wel bewijzen. Dus was de eerste revolutie die ik versloeg de ondergang van de burgemeester van Tiel, die wel van dineren hield, maar niet van betalen. Over de Golfoorlog schreef ik ook wel eens, maar dat was geen journalistiek. Ik deed geen verslag van het slagveld (Irak tegen de wereld), maar van andere verslagen. We lazen op de redactie de New York Times en de Guardian en de Jerusalem Post en schreven een artikel. Toen ik uit mijn netwerk signalen kreeg dat Moldavië op het punt stond zich onafhankelijk te verklaren heb ik wat ze noemen een emotioneel beroep gedaan op mijn chef om me erheen te sturen. Het was niet mijn eerste emotioneel beroep, en hij stemde in. Aangekomen in Moldavië bleek er al lang onafhankelijkheid te zijn. Mijn bron had een 'grap' met me uitgehaald. Ha! Ha! Ha! Mensen willen nog wel eens vergeten wat ze te danken hebben aan de journalistiek. (Hun vrijheid? Dictators zouden beter slapen als er geen journalisten waren. Sterker nog, in veel dictaturen zijn er geen journalisten. Noem het niets!) Hoe dan ook, de hele affaire kostte me wel wat krediet op de krant. Zoals altijd als iedereen faalt moest er één verantwoordelijke worden aangewezen, een zondebok, en dat was ik. (Valt het u ook op hoe het nooit de chef is?) (U vraagt zich misschien af: heb ik tenminste een paar Moldavische wijven gepakt – of dames bemind – ik weet niet wat uw stijl is – want het is toch – hè – Moldavië? Laat ik zeggen dat ik de kans heb gehad.)

 Ik kreeg een maand onbetaald verlof. (Bedoeld als straf, maar niemand kon me tegenhouden in die maand mijn debuutroman te schrijven, Ius primae noctis, die u waarschijnlijk niet gelezen hebt, maar wel lezen zult, zodra hij uitgegeven is.) Op het onbetaald verlof volgde iets wat op de redactie gezien werd als een degradatie. Maar als Van Basten weer kon gaan voetballen in plaats van trainen, zou hij dat dan als een degradatie beschouwen? Ik kreeg het echte journalistieke handwerk toegewezen. En zo kwam ik in contact met wijlen Hans van Tree. Het was komkommertijd (maar wat is er frisser dan een komkommer?) en de Goese vergiftigingszaak trok landelijk de aandacht. Hans en Alie van Trees labrador had iets verkeerds gegeten en dat werd de slager succesvol verweten. Ik geloof niet dat er sprake was van vergiftiging – niet van opzet bedoel ik – maar het bekte lekker, hondenliefhebbers in heel Zeeland kwamen protesteren, en de slager ging natuurlijk failliet en kon geen bedorven vlees meer leveren. (Eind goed al goed, een voorbeeld te meer van de noodzaak van goede journalistiek.)

 II

 In het eerste deel van deze trilogie over Cristina Corazón, De man met het hondje, verklap ik in de openingszin al dat er iemand sterft, en direct daarna dat het Hans van Tree is. Het is me wel verweten dat ik daarmee de spanning van het verhaal wegnam. Maar ik ben journalist – waarom zou ik informatie achterhouden? In deel twee, Een broer onder broers, blijft het lot van de hoofdpersoon, Jaap van Tree, onduidelijk, hoewel dat helaas anders was geweest als ik het stuk een week later geschreven had. En nu, halverwege deel drie, dat over mij gaat, en tevens door mij geschreven wordt, as we speak, weet u het ook al: wat een ellende ik ook meemaak, ik leef, want ik schrijf – scribo ergo sum. U merkt misschien ook dat ik minder wanhopig klink dan eerder. 'Help me, hoed me, haal me hier weg', schreef ik. Dat was niet erg journalistiek en een beetje dramatisch. Maar verlatenheid is ook dramatisch.

Toen ik mijn collega's vertelde dat ik naar Peru zou reizen om Hans' en Jaaps verhaal te schrijven, en om Cristina te ontmoeten, waarschuwden ze me. Ik zou geen idee hebben met wie ik te maken had, waar ik me in mengde. En dat zijn journalisten! Stel je voor dat ze tegen Nooteboom hadden gezegd: ga maar niet naar Berlijn, Cees, straks kom je onder de Muur terecht. Stel dat Vasili Grossman dacht: laat maar zitten, Stalingrad. Enfin, u begrijpt wat ik bedoel. Ik ging natuurlijk. U moet ook weten dat ik niet het gevoel deelde dat veel mensen over Hans en Jaap hadden: dat ze losers waren. Voor mij waren ze avonturiers, die geen genoegen namen met het gewone; ze waren dromers, die geen genoegen namen met het dromen. Cristina stal Hans' hart en dat werd zijn dood. Is dat niet de definitie van romantiek? En Jaap, een gewaarschuwd mens, overkwam precies hetzelfde. Dat is Cristina's kracht. Ik weet maar van één ander die net zo'n fataal spoor naliet in de liefde: Picasso. En had de redactie het raar gevonden als ik Picasso wilde interviewen? Ik bedoel als hij nog zou leven? 

-Ik zal proberen te vertellen wat er gebeurd is vanaf mijn aankomst in Lima tot nu. Allereerst heb ik ingecheckt in Hans' hotel, op Hans' kamer. Method journalism. Ik sliep in het bed waar Hans sliep en stierf. Naast het bed zit een kring in het tapijt, waar Lima's drinkbakje gestaan heeft. In de lade van het nachtkastje vond ik een das die misschien wel van Hans geweest is. Hans moet lang voor de afgebladderde spiegel in de badkamer hebben gestaan voor hij de stad in ging om Cristina te zoeken. Als ik lang genoeg naar mezelf kijk is het net of Hans me goedkeurend aankijkt. Hans van Tree de goeroe, wie had dat gedacht? Nadat ik me geïnstalleerd had ging ik op zoek naar bronnen. In de bar trof ik een Duitser aan, Joachim, die Hans gekend bleek te hebben. Hij vertelde me alles wat hij wist en op zijn getuigenis is De man met het hondje gebaseerd. Ook bleek Hans nog een schuld bij hem te hebben, die ik afbetaald heb. Joachim bracht me in contact met Jaap en Jaap hielp me bij het opsporen van Cristina, wat me uiteindelijk gelukt is (het verschil tussen een avonturier en een journalist). Zo was ik de derde Nederlander in de ban van Cristina, maar de eerste – besefte ik opgewonden – die haar daadwerkelijk zou ontmoeten.

 Zoals ik al direct toegaf was mijn interesse in Cristina meer dan strikt professioneel. Cristina was mijn Muur. (En, zoals snel zal blijken, ook mijn Val.) Als je het gevoel krijgt dat je de rest van je leven voxpops over vergiftigde honden zult schrijven, of verslag zult doen van een muggenplaag op de Afsluitdijk, of de sporen van Jeroen Pauws penis na zult gaan, of voetballers zult horen zeggen dat het teambelang altijd voorop staat, of hooguit andermans artikelen zult corrigeren, wordt het tijd voor maatregelen. Je moet 'de regie over je eigen leven' nemen, zoals mijn vrouw dat tijdens onze scheiding noemde – hoewel ze toen niet mijn leven bedoelde. Dus ik ben opgestapt bij de krant, kreeg een afscheidsborrel, thema Moldavië, en ben freelance verder gegaan. Het was misschien kinderachtig, maar ik genoot van het vooruitzicht dat mijn chef de NRC open zou slaan, het verslag van mijn Peruviaanse triomftocht zou lezen, en zou beseffen (maar verbloemen) dat hij de boot had gemist. En uiteindelijk zou ik dan terugkomen, voor een hoger salaris en een heel ander takenpakket.

 Dat was het plan – maar ik had buiten Cristina's saaiheid gerekend. Want de opwinding van de opsporing was maar van korte duur. Ik heb nooit zo'n saaie vrouw ontmoet als Cristina (en dat zegt wat!). Ze was in alle opzichten saai: ze had geen schoonheid, geen charme, geen humor, geen Engels en geen interesse. Ze had een kleine en een grote borst, wat haar in potentie een beetje minder saai maakte, maar dat detail was al verkocht aan de lezer, daar had ik niets meer aan. Ze heeft me niets verteld en ik had niet eens de behoefte meer haar iets te laten vertellen, zo'n doodsheid straalde ze uit. Wie had gedacht dat ze Hans en Jaap had laten zitten uit een diepe onverschilligheid? Femme fatale? Señora soporífera!

 En wist u dat luchtvaartmaatschappijen je pas echt beginnen te naaien als je echt ergens heen – of vandaan – wilt? Ik heb op Schiphol eens gezien hoe ze een wanhopige man voor 800 euro een enkeltje Londen verkochten. Hij had vreselijk nieuws over zijn vrouw gekregen en moest met spoed naar huis. Met elke traan die hij liet kwam er 100 euro bij. Maar waarom dat voorbeeld aanhalen als ik mezelf kan beklagen? Hebt u enig idee wat een enkele reis Amsterdam hier kost? Meer dan een retourtje! En aanzienlijk meer dan het saldo van mijn spaarrekening. In mijn beste jaren verdiende ik een halve ton, maar waar dat geld gebleven is? Vraag het mijn ex-vrouw, vraag het mijn slijter, vraag het mijn makelaar, die me op de Vijzelstraat onderbracht zonder zich af te vragen of ik dat wel betalen kon. Het is opvallend dat ik al mijn hele leven blut ben, hoeveel ik ook verdien.

Zie me hier zitten. Ik lijk verdomme wel die oorlogverslaggever die onverhoeds in een staakt-het-vuren terecht gekomen is. Hoera, ik ben eindelijk vredescorrespondent. Ik heb de boef gevangen, maar het bleek geen boef te zijn. En er is hier wel een muggenplaag, maar dat is geen nieuws. Het grootste verschil tussen Hans en Jaap is dat Hans berustte in zijn lot, terwijl Jaap spijt kreeg en naar huis wilde. Mijn positie is ertussen in. Ik ben blij dat ik gegaan ben, net als Hans. Maar ik wil ook naar huis, net als Jaap. Zodra ik dit stuk verkocht heb aan een krant of tijdschrift koop ik een ticket Amsterdam. Ik verwacht dat het nu elk moment zo ver kan zijn.

-

index

-

de dame met het pontje

 

Op het dak van de stuurhut landden soms aalscholvers. Door het dunne plaatwerk heen hoorde de dame met het pontje dan vissen gefileerd worden. Elke vrijdagavond na de laatste overzet moest ze een roestig laddertje op om veren en graten weg te vegen en vastgekoekte vissenogen af te krabben. Vervolgens nam ze een ruwe borstel en boende ze mosseltjes en algen van de rijplank. Om de week controleerde ze alle reddingsboeien en -lijnen, ontstopte ze de pomp, die het kanaal moest buitenhouden, en maandelijks herlas ze het evacuatieprotocol en smeerde ze de slagboom. Als ze de burgemeester aan boord had – en dat gebeurde nogal eens – kwam ze hem begroeten en stond ze hem niet toe te betalen. Zijn vrouw, assistent en wethouders moesten wel gewoon hun veertig cent voldoen. Ze kon niet bezig blijven. ‘Straks willen al uw onderdanen ook nog gratis’, zei ze. De burgemeester knikte begrijpend. ‘Daar veeg ik de poep niet voor van m’n dak.’ De burgemeester zag het probleem.

 

In het voorjaar zag ze futen baltsen, koeten fitten, rallen jagen, zwanen blazen, witvis vluchten, en dat was schitterend, elk jaar opnieuw. Ze zag ook ratten zwemmen met pulletjes in hun bek en water donker kleuren waar een snoekbaars toegeslagen had. ‘s Zomers mengden de mensen zich in het kanaalsverkeer, en die mensen letten slecht op. Soms ontweek ze ternauwernood een plezierjacht en eenmaal had ze bijna een zwemmer overvaren. In de herfst regende het altijd, en ’s winters was ze naast vervoerder ook ijsbreker. (IJs was haar grootste concurrent.)

 

Er waren opvarenden die geen kleingeld hadden en terug wilden van vijftig, er waren pubers die net na vertrek nog mee wilden varen, of vlak voor aankomst aan land springen, en tussen wal en schip kwamen, wat in het eerste geval hinderlijk, en in het tweede gevaarlijk was, er waren chagrijnige mensen met haast, er waren mensen chagrijnig uit principe, er waren opdringerige mensen op rustige middaguren, er waren mensen die drie of vier keer heen en weer voeren, achtereen, meestal uit de Randstad, er waren dagen dat de bonnenboekjes op waren en mensen niet meer betaalden (‘dat koopt de baas niet’), er waren kortom allerlei bijkomstigheden die ze graag zou missen, maar het meest van alles verafschuwde ze de hoofdzaak: de overkant, steeds weer die andere overkant.

 

Nu was ze niet rebels van aard en had ze thuis een poes te voeden, anders was wat gebeurde al jaren eerder gebeurd. Op een herfstdag (inderdaad, het regende) legde ze de volle pont stil tussen de overkanten. Ze keek om zich heen, zag wat ze zag en nam een besluit: ze zette de pomp om. Vanwege de zware lading – vier auto’s, twintig man en een notabele – werd snel water gemaakt. De pont begon te kantelen, fietsen vielen om, passagiers grepen de reling en beseften dat ze zonken. 

De dame met het pontje sneed haar polsen door, wierp zich te water en zwom voor haar dood.

-

index


-

de ontmoeting

Сидит он в трамвае и вдруг видит, перед ним этакая барышня вырисовывается.
- Michail Zosjtsjenko

-
Aan elke ontmoeting gaat een reeks toevalligheden vooraf en de gelukkigste huwelijken zijn ontstaan door niets anders dan toeval. Toeval vormt de pointe van veel succesvolle anekdotes: de buurman van thuis blijkt aan hetzelfde Spaanse strand te liggen, twee dames dragen dezelfde avondjurk. Concluderend wordt er dan gezegd: dat kan geen toeval zijn! wat evenveel betekent als: dat kan niets anders dan toeval zijn! Stel je voor dat de best beveiligde man ter wereld, Obama, door de bliksem wordt getroffen. Wat een toeval... Maar als Obama nu eens een boomgaard bezoekt en onweer breekt uit, en drie van zijn lijfwachten komen om, maar zelf blijft hij gespaard – dat zou ook wel erg toevallig zijn. Ik kwam een paar jaar geleden op drie verschillende plekken in Praag – het vliegveld, mijn hotel, een winkelstraat – hetzelfde stelletje tegen. Dat was al heel toevallig, maar afgelopen zomer in Portugal gebeurde me precies hetzelfde: in de heuvels van Sintra, in de binnenstad van Lissabon en in een supermarkt. Ik voelde me een stalker en haastte me de winkel uit – toeval verliest aan geloofwaardigheid naarmate het zich duidelijker manifesteert.

Hoe dan ook:
Ik heb acht weken op rij elke woensdag om 17:08 vanaf de halte Eerste Constantijn Huygensstraat tram 1 genomen, omdat ik een eerdere woensdag om die tijd, op die halte, in april, een meisje had zien instappen: een jong oosters meisje, met lange zwarte krullen, donkere ogen, grote ogen, een prachtig-bruine huid, zomaar een lach in haar blik – toen ze eenmaal, nogal ontvankelijk, teruggekeken had werd die lach alleen maar groter, ze raakte ‘m niet meer kwijt, waardoor ik me afvroeg wie wie eigenlijk als eerst had gezien – glanzend rode schoenen, blote benen, een vrijpostig decolleté, kleine zilveren oorringetjes. Ik had een afspraak en stapte uit op het Spui, zij bleef zitten en verdween.
Alle zeven weken daarna zat ik vergeefs in de tram en liep ik van het Leidseplein terug naar huis.

Toen reed ik haar op een vrijdagmiddag op een zebrapad over de tenen. Ik zag dat zij het was en werd voor het probleem gesteld hoe je van een aanrijding een ontmoeting maakt. Stel je voor: het voorwiel rijdt over een voet, het achterwiel rijdt over een voet; je voelt een ritme. Tussen die twee hobbels moet je alles overwegen wat er te overwegen valt, en dat kun je! In die halve tel overdacht ik alle kansen en kuilen van deze situatie. Zo dacht ik: Zij is het! Ze draagt sandalen! Dat zal pijn doen! Herkent ze me? Ze zal denken dat ik het expres deed! Ik moet stoppen en m’n kans grijpen! Wat moet ik in godsnaam zeggen!

Jezus, sorry, sorry!’
Jij hoeft niet te vloeken! Mijn tenen liggen er bijna af!’
Sorry, ik… Ik lette niet op. Ik zag je niet. Ik… Of te laat. Doet het pijn?’
Het gaat wel. Ze zitten er nog aan.’
Dat rode is lak neem ik aan?’
We staan midden op het zebrapad.’
Je moet wat drinken, je trilt helemaal.’
Misschien had je meer kans als je me niet eerst overreden had?’
Ik wilde voorkomen dat je zou vluchten.’
Is daar reden voor dan?’

Enzovoort. Soms worden een man en een vrouw aan elkaar voorgesteld en stokt het gesprek na het noemen van hun namen, maar soms ook ontaardt een introductie in een verbale paringsdans en is elke opmerking terug te leiden tot: ik wil met je naar bed. Ieder mens kan zo’n gesprek voeren, maar de meesten doen het maar eens in hun leven, en uit een nerveus, mislukt grapje over nagellak komt dan een relatie voort, een huwelijk, een gezin…

Maar voor het zover kon komen moesten we dus wat drinken - het meest zenuwslopende drankje dat ik ooit gehad heb, omdat ik maar niet uit kon maken of ze me herkende. Ernaar vragen kon natuurlijk niet, want als ze zich pas dan de eerdere ontmoeting zou herinneren zou ze denken aan opzet. Hoe kon ik van haar verwachten dat ze in toeval zou geloven, terwijl mijn eigen vertrouwen zo gering was? Of zou niemand denken aan opzet en was het mijn schuldig gemoed… De kwestie is voor altijd in het midden gebleven, maar feit is dat Revathi en ik wederom voor elkaar vielen. Toen moest wel wat niet uitgesproken was maar in het vaste plaatje past plaatshebben - en plaats heeft het gehad. We bleven elkaar zien en de zere voet was snel vergeven. We leken – hoe zal ik het zeggen? – voor elkaar bestemd.

Weken later, op een woensdagnamiddag, zag ik een vriendin in de tram. Het was druk en ze bood me haar schoot aan. Bij een halte op de Overtoom kwamen we schokkend tot stilstand en ik zocht houvast om haar hals. Wat een toeval, dat we elkaar hier zien, zei ze. Ik knikte - en daar kwam Revathi de tram in. Ze keek me met haar grote ogen aan, maakte rechtsomkeert, en nooit meer heb ik haar gezien…

index

-

laatste aantekening van een mug

Ik ben niet oud geworden. Ja, ik kon zelfstandig vliegen, dat wel. Het was geen wiegedood, zogezegd. Ik was vermoeid die dag omdat ik in een badkamer opgesloten had gezeten en pas na uren zoeken de kier onder de deur gevonden had. Net op het moment dat ik over de drempel kroop zwaaide de deur open: iemand wilde het toilet gebruiken. Ik werd nog bijna verpletterd onder een schoen maar was blij dat ik weg was voor een poepwalm zich verspreiden zou. (Ik was verdomme geen vlieg!) Omdat me altijd geleerd is op een donker oppervlak te gaan zitten zodat je geen moordlustige mensen in het oog springt - mensen, de uitvinders van de preemptive strike - en op een tochtvrij plekje zodat je niet wegwaait, zocht ik een kiertje uit in het televisietoestel. Maar het is ook overal hetzelfde: als het buiten donker wordt gaat-ie aan en word je van je poten getrild. Dus toch maar aan een witte muur gaan hangen, direct naast het bed, want ik had nog niet gedronken. Een paar uur ging voorbij - god, wat moet die televisie leuk zijn - tot het mens zich uitkleedde en naar bed ging. Hij trok de dekens over zich heen, ik wachtte geduldig af, hij kreeg het warm en sloeg ze terug, sloot zijn ogen en ik viel aan, stak m'n achterlijf in z'n schouder en wilde net aan z'n linkeroor beginnen toen hij plotseling bewoog. Mijn gezoem had 'm natuurlijk wakker gemaakt. Waarom was ik ook altijd zo verdomde geil, zelfs tijdens de maaltijd! Hoe dan ook: hij was wakker en deed het licht aan. Ik werd gezocht. Mijn vermoeden, dat-ie nooit recht boven zich op het plafond zou zoeken, was onjuist. Hij keek me recht aan en ik verstijfde van angst. Als ze slapen kun je ze hebben, maar anders zijn ze geen partij, die mensen. Dus wat doet-ie? Hij kijkt om zich heen, pakt een boek op, bedenkt zich, legt het terug, ziet een bankbiljet, knikt sadistisch, en plet me. Ik had me natuurlijk juist volgezogen, dus ik spatte uiteen en het briefje bleef aan het plafond plakken. Zo eindigde ik als secondelijm, maar op een avond zal mijn grafsteen naar beneden dwarrelen, en zal het mens nog eenmaal aan me denken... 


index

-

eerste liefde

‘Ik zal eerlijk tegen je liegen. Of nee,’ zei Damian, ‘ik zal het je vertellen, te beginnen bij het begin.’

Zijn vriendin ondervroeg hem op zijn kwetsbaarste moment: voldaan, op z'n rug, in een donker bed. Ze had al eerder opgemerkt dat hij in die situatie welbespraakter en eerlijker was dan anders. ('Welbespraakt en eerlijk tegelijk, dat koop ik niet', zei hij dan, betrapt, aan het ontbijt.) Kwesties die gewoonlijk met steeds een ander antwoord werden afgedaan kregen eloquente beschouwingen, en hoewel Suzan begreep dat de waarheid niet bij hoefde te dragen aan haar geluk, kon zij de kans niet laten liggen. Inmiddels wist zij alles van zijn seksuele aberraties (tot hun beider nut) en die van zijn exen (tot haar afschuw). Ze wist dat hij haar graag wat molliger zou zien (wat zij pervers vond) en dat hij haar  verlaten zou wanneer ze haar borsten liet vullen (waarin ze een compliment kon ontdekken). Ze wist hoe hij over de dood dacht (niet, want hij was doodsbang voor de dood), over de waarheid (dat was maar 'een versie van de dingen'), over haar ouders ('lief') en de zijne ('waardeloos'), en kon zich bij geen van die opvattingen iets indenken. Het grootste te ontginnen gebied was dat van de exen. Zij had er geen, dus dat was snel klaar, en des te meer reden om zijn verleden uit te diepen, te beginnen met de meest recente, wier speeksel misschien nog achter zijn tanden zou kleven. Damian weigerde gewoonlijk, met een beroep op allerlei mensenrechten, details vrij te geven en bleef dan steken in vage algemeenheden ('ze was te serieus, en aan de andere kant niet ernstig genoeg') die volgens hem niet met elkaar in tegenspraak waren. Maar had ze dan grote borsten, wilde Suzan bijvoorbeeld weten. De antwoorden varieerden van 'vrij groot', ‘goedgevormd’ en ‘ik geloof groot’ tot 'kleiner dan de jouwe', en alleen die laatste waarheid nam ze serieus. Suzans nieuwsgierigheid kwam niet voort uit jaloezie, maar uit oprechte interesse. Zij ervoer als onrecht dat zijn leven vóór haar voor haar niet bestond en als pesterij dat hij er over loog. Om haar oprechtheid te benadrukken besloot zij bij de volgende gelegenheid de volgorde van het verhoor aan te passen. 'Vertel me alles over je eerste liefde, Daam.' Damian dacht na, overwoog of hij in een val liep, maar besloot dat er niets tegen was om eerlijk en eloquent te zijn. 'Ik zal eerlijk tegen je liegen', zei hij en die uitspraak stond hem direct tegen. 'Of nee, ik zal het je vertellen, te beginnen bij het begin.' Het leek hem zowel gunstig als terecht om de liefde te bezingen die nog veel dichter bij vriendschap stond dan bij erotiek.

'Ik was niet zo geliefd toen ik acht, tien was.’
‘Niet zo geliefd als nu bedoel je?’, werd er smalend gevraagd. ‘Nee, sorry, ga door.’ 
‘Ik werd getreiterd door de jongens die ruiger, socialer en sportiever waren dan ik - en dat was de grote meerderheid - ik spaarde geen grote, maar kleine knikkers, deed niets in de klas en werd toch voorgetrokken, kon niet 'hakken' en was arrogant en agressief.' Suzan wilde hem weer onderbreken, zeggen dat er kortom weinig veranderd was, maar deed dat niet, al was het maar om haar eigen eer te redden. Damians eigen gedrag, noch de uitsluiting door andere jongens bleek de meisjes ervan te weerhouden interesse in hem te tonen. Hij kreeg verkering met het grootste en dikste meisje van de klas, dat dus als eerste borsten kreeg, waar iedereen dankbaar zijn wijsvingers in plantte (hij was niet bezitterig), maar ook met het mooiste meisje - beiden heetten Michelle. 'Als ik toen zo goed als nu besefte wat het betekent om met het mooiste meisje te zijn had ik dat kortstondige bezit kundiger uitgebuit.' De affaire was kortstondig omdat Suzan niet bereid bleek 'te oefenen voor als we getrouwd zijn', ondanks aanmoedigingen van haar oudere zus, die ook wel eens een zoen van dichtbij wilde zien. 

'Ik had een grondige afkeer van voetbal en dansen. Aan het eerste was eenvoudig te ontkomen: ik was bij gebrek aan vrienden en talent toch niet welkom op het veldje. Met dansen lag het anders: op dat terrein maakten meisjes de dienst uit. Met de drie hoogste klassen gingen we elk jaar 'op werkweek'. Vast onderdeel van zo'n week was de schuifelwedstrijd, die altijd gewonnen werd door twee leerlingen uit groep zes, omdat de jury, geheel in lijn met de heersende Nederlandse etiquette, nu eenmaal achter de underdog stond. Hoewel ik de ultieme underdog was, en dus een groot kanshebber voor de titel, liet ik mij de eerste twee jaar diskwalificeren door niet op de dansvloer te verschijnen. Hevig aandringen van verschillende meisjes ten spijt kwam ik niet van mijn stoel. Het derde jaar maakte ik kennis met een nieuw meisje: Heleen. Heleen was knap, populair en jongensachtig stoer. (Pas later is me duidelijk geworden dat stoerheid een vrouwelijke eigenschap is.) Toen ons het gerucht bereikte dat de kruipruimte boven de jongensslaapzaal bewoond werd door een lijk en een vleermuis (tot mijn doodsangst) was Heleen de enige die dat durfde te falsificeren. Ik was op slag verliefd. Diezelfde avond werden we gedropt in een Drents bos. Heleen kwam naast me lopen, pakte mijn hand en zei: 'Zo vind ik het niet eng.' Het was aan en niemand schuifelde op die avond zo mooi als zij en ik.'

-'Je wordt lyrisch Daam, ik geloof het niet meer.'

index

-

Copyright op alle teksten - contact