reisverslagen


athene
marrakesh

roermond-zurich
tanzania
zuid-korea
eten in china
lekkere wijven aan de waal
terug

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-





-

-

-

-

athene

I

Regen is een goed decor voor een stad in verval. Met dampende koffie zit ik op een plein. Het uitzicht: een 10e-eeuwse kerk en 20ste-eeuws beton. Tussen de parasols, die als paraplu's dienen, groeien platanen. Bij de ingang van de metro hangen Arabieren rond. Als je een product verkoopt dat zo meelijwekkend is dat mensen ervoor betalen zonder het te willen afnemen heb je eindeloze handel. Een Afrikaan stelt zich voor als mijn vriend en ik stop mijn smartphone weg. Mensen dragen sjaals. Opeens is voorstelbaar waarom het Diogenes stoorde dat Alexander in zijn zon stond.

Bij de koffie had ik een bonnetje gekregen, want boven elke kassa hangt de boodschap dat betaling niet verplicht is wanneer dat niet wordt uitgereikt. Een tijdlang was eigenlijk alles hier goede handel. 'Hoge salarissen, dure auto's, iedereen accepteerde het, maar niemand begreep waar het vandaan kwam.' De staat van de belastingdienst was dermate deplorabel dat men om rijkdom vast te stellen zwembaden mat – zoals wij dat in de Gouden Eeuw met gevels deden. Onze Gouden Eeuw… ruim twee millennia later dan de hunne. Het was niet ver van dit plein dat Perikles zijn volk opzweepte om de Spartanen en de Perzen te verpulveren. Het was niet van ver hier dat Plato Aristoteles lesgaf, en Aristoteles zijn onuitwisbare stempel drukte op wetenschappen en religies die nog niet eens bestonden. Het was hier dat zo'n beetje de complete westerse cultuur ontwikkeld is. En kijk eens om je heen: de wanhoop is tastbaar. Natuurlijk, heel anders dan Lissabonse saudade en Istanboelse hüzün is het niet: het besef dat het grootse verleden nooit meer terugkomt. Een bevolking van 12 miljoen op 7 miljard. Een schrift dat niemand anders gebruikt. Ingeklemd tussen geopolitieke grootmachten. Ergens is het misgegaan. Waarom zou zo'n mooi land, waarom zou een volk zo lang geobsedeerd door waarheid en schoonheid zo'n uitgesproken lelijke hoofdstad bouwen? Het antwoord op die vraag is bekend: omdat de regering de stedelingen in de jaren '70 gestimuleerd heeft hun huizen te slopen en flats te bouwen ten behoeve van de volkshuisvesting. Zulke kortzichtigheid was toen universeel: denk aan het P. C. Hoofthuis en de Stopera. Maar uit de lokale volksaard is het nooit meer verdwenen, getuige de uit de hand gelopen leencultuur. Misschien is het er ook wel altijd geweest: revolutionaire filosofie moet wel ergens tegen kunnen revolteren.

II

Een groot deel van de schatten uit de oudheid is in beheer bij het Nationaal Archeologisch Museum. Maar hoe kom je daar? Ik bedoel, het staat op de kaart, en het leek me erg onwaarschijnlijk dat het niet neoklassiek zou zijn. Ik loop langs de natte, brede avenue 28 Oktobriou. 28 oktober is Ochi-dag. In 2015 was het wel vaker ochi-dag (door Nederlandse kranten vreemd genoeg als 'oxi' gespeld), maar het bedoelde 'nee' was dat tegen een andere Europese bezetter: Mussolini. Aan de straat huizen winkels waarvan een snel faillissement niemand zal verbazen. Elke muur is bespoten, elke lantaarnpaal beplakt. Het anti-fascisme is hier altijd overeind gebleven (alleen het fascisme is veranderd). Het neoklassieke gebouw is hoog omheind. Voor de ijzeren poort liggen bloemen alsof er iemand is vermoord. En dat is ook zo: Alexander Grigoropoulos, student, vijftien jaar, door de politie – inderdaad een fascistische daad. Dat was zeven jaar geleden, en sindsdien wordt op 6 december ter nagedachtenis de confrontatie gezocht. Ik volg het hekwerk en vind een zij-ingang, waardoor ik het decor van een Oost-Duitse film betreed. De binnenplaats is omringd door monotone bouwwerken, beklad met leuzen (veel 'ochi'). In de betonnen zuilengangen hangen zwartgeklede jongeren. Ik loop het hoofdgebouw binnen en tref vergelijkbare taferelen aan. Dit is, realiseer ik me, geen museum, maar een universiteit. Ik schiet een meisje aan, dat reageert alsof het niet figuurlijk was. Ze herneemt zich en leidt me het gebouw uit om me het museum te wijzen. Ik steek een parkeerplaats over waar een jongen van mijn leeftijd net een spuit in zijn arm zet. Ik zie staan: 'Epigrafiko Mouseio'. Vreemde naam voor een archeologisch museum. De man van de kaartjes zucht: nee, dit is het epigrafisch museum, u moet dáár zijn. Eenmaal dáár aangekomen heb ik nog anderhalf uur tot sluitingstijd. 'Is het de moeite waard voor anderhalf uur?´, vraag ik. 'Dat moet je zelf weten', antwoordt de charmante receptioniste. 'Hebt u een plattegrond?' 'Ochi.'

III

Bij het parlementsgebouw houden twee soldaten in pofbroek de wacht. Een derde in camouflagepak bewaakt hen. Dit is het corvee van de diensttijd. Toeristen mogen een voor een met ze op de foto. Een jongetje salueert en wordt teruggefloten. Als je denkt dat ze voor lul staan, moet je wachten tot het hele uur, wanneer ze afgelost worden – wat gepaard gaat met een tien minuten durende choreografie. Voor militaire discipline geldt: hoe vernederender hoe effectiever. Jonge mannen die zonder morren in pofbroek een tapdansje doen terwijl toeristen ze fotograferen en op Instagram vereeuwigen (en nog erger: dat ook schijnen te doen op elk nieuw nachtelijke uur, wanneer niemand kijkt) – die schieten ook wel als er een Turk over de stadsmuren klimt.

IV

Op zondag was het warm en licht. We ontbeten buiten – weliswaar met jas aan. Het vakantiegevoel was terug. Het kwam vergezeld van groepen Japanners. De rekening: vijftien euro precies. Geen bonnetje. We eisten het onze niet op, maar klommen naar de propyleeën. Er stond geen rij en we konden ons onbelemmerd vergapen aan de kariatidenkopieën. Het is hoogste punt van de stad. Om ons heen: overal Athene.

-

marrakesh

    'Ça va? Vandaag was mooi? De zon! Vandaag de zon! Rode wangen! Goed voor u de zon! Ik heet Madame Fatima! En u?' 'Yolanda', zei mijn moeder. 'Aah, Yo-Hollanda! Yo-Hollanda! En u?' 'Ik heet Joost', zei ik. 'U lijkt op mijn zoon! Hij is ook lang! Hij studeert! Hij werkt heel hard! Maar mijn andere zoon – il parti!' En ze miemt een grafdelver, en daarna een heroïnespuiter. 'Il parti!' Het gesprek stokt en we vragen of ze een gloeilamp wil vervangen op onze kamer. 'C'est pour rire', zegt mijn moeder per ongeluk, in plaats van lire, en Madame Fatima lacht navenant. 'Madame Fatima regelt alles! Madame Fatima chef de cuisine! Madame Fatima chef de ménage! Maar Abdul is er niet! Laten we wachten op Abdul!' Adbul is de man die ons bij aankomst welkom had geheten, en die we horen bidden als Madame Fatima ons ontbijt serveert. Onze riad – een als klein hotel dienstdoende stadsvilla naar Romeinse model, met binnentuin en zuilengang – ligt aan een steeg die aan een straat ligt. Maar die straat zou bij ons ook doorgaan voor een steeg en de taxichauffeur die ons van het vliegveld naar de stad had vervoerd dacht er net zo over. Hij zette ons af bij een poort in de oude stadsmuur, het begin van de straat, en zei: 'Honderd meter rechtdoor en dan naar rechts!' Ik had me het advies ter harte genomen geen wegwijzingen te aanvaarden, maar er desgewenst zelf om te vragen, zo de kans verkleinend een gids te treffen die ons eerst langs het restaurant van zijn neef en de winkel van zijn oom leidt. De man die al klaarstond toen we uit de taxi stapten wimpelde ik dus af. 'On le trouvera. On le connait.' 'Wat je wil', zei hij, lachend. Maar het was donker op straat en onze rolkoffers trokken de aandacht. Een jongen met vrienden in Utrecht en een zwak voor Afellay liep met ons mee naar de riad, die we zonder zijn hulp inderdaad niet gevonden zouden hebben. Het was drie minuten lopen. 'Als u me iets wilt geven? Hoeft niet, maar als u uw waardering wilt tonen?' Ik tastte in mijn broekzak naar muntjes, met de bedoeling hem twintig dirham te geven, een kleine twee euro, twintig procent van een gemiddeld Marokkaans daginkomen. Hij lachte verontwaardigd: 'Geen munten! Daar heb ik niets aan! Geef me tien euro!'

    Bij zonlicht, de volgende ochtend, deden de steegjes vriendelijker aan. We liepen rond in wat eens het Joodse ghetto was, op zoek naar restanten van het Joodse leven. George Orwell was hier in 1939 en schreef dat: '[…] they have ceased to bother about overcrowding. […] sore-eyed children cluster everywhere in unbelievable numbers, like clouds of flies. Down the centre of the street is generally running a little river of urine.' De buurt is nog even benauwend, al stinkt het minder, maar de Joden zijn zo goed als verdwenen. Er woonden al Joden in Marokko duizend jaar voor de geboorte van Mohamed – uit Palestina gevlucht voor Nebukadnezar – maar er zijn er nog maar een paar honderd over, en hun cultuur gaat schuil achter dikke kleimuren. We liepen verkeerd, verlieten plotseling de armoede en stonden in een nieuwbouwwijk. We keken zoekend om ons heen en op de kaart. Het duurde niet lang voor een donkere Marokkaan zijn hulp aanbood. 'Hallo! Wat zoeken jullie?' 'Niets, we lopen gewoon rond.' 'O, jullie wandelen wat?' 'Ja, we wandelen wat.' 'Laat me de kaart eens zien, ik zal aanwijzen waar we zijn.' Dat wilde ik inderdaad weten. 'De Joodse begraafplaats is die kant op.' 'Die kant?', wees ik. 'Ja, die kant.' 'Oké, bedankt, bon journée!' 'Bon journée!' – maar hij bedacht zich. 'Ik loop wel met jullie mee, het is moeilijk te vinden.' 'Bedankt, maar dat hoeft niet.' 'Nee, geen probleem. Ik ben geen gids. No guide. Pas de guide. Ik vraag geen geld. Dat is Marokkaanse gastvrijheid. Ik ben Mustafa.' We liepen terug het ghetto in en namen bocht na bocht, in Mustafa's kielzog. Uit een groep kinderen in een van de steegjes sprong een jongetje tevoorschijn dat een mes trok en 'baraka' riep, 'pas op!'. Mustafa gaf hem een broederlijke duw. 'We gaan naar de Joodse begraafplaats, toch?' vroeg ik. 'Ja, ja, Joodse begraafplaats. Maar eerst bied ik jullie Berberse thee aan, hele speciale thee, met heel veel kruiden, anders dan Marokkaanse thee.' We zuchtten, maar wilden zijn gastvrijheid niet afslaan. Hij bracht ons naar zijn herboriste, zijn specerijenwinkel, en liet zijn broertje thee zetten. Intussen presenteerde hij zijn gehele assortiment. In de hoop het gesprek weg te leiden van zijn handelswaar vroeg ik of hij de moskee van Tin Mal kende, waarover ik gelezen had in een boek over islamitische architectuur. Hij kende Tin Mal, maar zei dat het erg ver was, vijfhonderd kilometer. Hij haalde een rekenmachine tevoorschijn en typte 500, om elk misverstand te voorkomen. Al snel zou blijken dat het zijn gewoonte was om achter elk getal een nul te veel te zetten.

    Een van de aantrekkelijkste plekken in Marrakesh is het Djemaa el Fna-plein – het Plein des Doods, vanwege de executies die er vroeger plaatsvonden. Het heeft een omvang waarvan koning Mohamed VI 's nachts wel eens wakker van zal liggen, in deze revolutionaire tijden. Overdag vind je er acrobaten, waarzeggers, slangenbezweerder, apentemmers, kussenvechters en handelaren in alles wat Marokko voortbrengt aan gesteenten, noten, vruchten, olieën en specerijen. Wanneer de avonden valt verandert een deel van het plein in een enorm straatrestaurant. Uit zo'n zestig binnen een uur opgebouwde keukens stijgt witte rook op die beschenen wordt door de terrasverlichting. Aan de andere kant van het plein doemt door die rook heen de schitterende minaret van de Koutoubia-moskee op. De proppers van de restaurantjes hebben een goed visueel geheugen ('yesterday you promised!' – en het is zelden bluf) en de benodigde kennis van het land van hun klanten. Maar in plaats van Sneijder en Van Persie hoor je Sonja Bakker en Herman den Blijker. We lieten ons aanspreken door een sympathiek ogende propper die beweerde dat ik hem eerder had gefotografeerd. Hij prees zijn keuken – identiek aan alle andere – terwijl achter hem een concurrent, die sprekend op Tonny Vilhena leek, becommentarieerde wat hij zei. 'Bullshit. Blablabla. Such crap. Come eat with me.' We keken de biedingsoorlog even aan – om de schapenkoppen op de toonbank niet aan te hoeven kijken – en schoven aan in de banken van de eerste dinger. 'Thank you my friend! Ahmed Aboutaleb! Badr Hari!' De ober bracht de menukaarten en raadde ons volgens een nogal doorzichtige systematiek een aantal gerechten aan. We volgden hem deels: gemixte visschotel en couscous met kip. Het smaakte niet, we aten de sappige stukjes groente en de beste delen makreel, en lieten de rest staan. Naast ons kwam een Nederlands echtpaar zitten. We deden of we niets doorhadden – en zij ook. Ze aten een soepje en vertrokken weer. Daarna verscheen er een Amerikaans stelletje, het mooie meisje schuin tegenover me. Ik had het door en liet het merken – en zij ook. De blik van een vrouw werkt weldadig in een mannenmaatschappij als Marokko. Ik vroeg om de rekening maar de ober verstond me niet. Hij kwam dichterbij en verstond me nog steeds niet. Hij kwam naast me staan – zelfde resultaat. Het meisje zei: 'You're not gonna leave here.' Hij ging naast me zitten en zei: 'One million dollars!' Het meisje lachte. 'I'll write you a check!' – want ik wilde in gevatheid niet onderdoen voor een schijndove schapenkoppenbakker. Hij had geen riposte en rekende het werkelijke totaal voor, dat aanmerkelijk lager uitviel. Intussen schoof een gekromde, gerimpelde vrouw onze doorploegde maaltijden in een plastic tas.

    Om te voorkomen dat we allerlei ongewenste toeslagen zouden moeten betalen besloten we onze excursie naar de moskee van Tin Mal in de Hoge Atlas zelf te organiseren. We liepen naar de gare routière om een ticket voor de bus naar Taroudant te kopen, die door Tin Mal rijdt en daar ongetwijfeld op verzoek een stop kan maken. In het busstation werden we direct in het Engels aangesproken door een jonge man in betrekkelijk nette, grijze dracht. Hij vroeg waar we heen wilden, maar omdat we inmiddels wisten dat behulpzaamheid beantwoord dient te worden met afwijzendheid probeerden we hem te negeren. Hij was echter tamelijk vasthoudend en we konden nergens anders terecht, de loketten waren onbemand. Het is niet makkelijk iemand af te schudden die je overduidelijk nodig hebt. 'I work here. I'm official. I don't get your money.' En inderdaad zag niemand er officiëler uit dan hij, behalve de alom tegenwoordige politie, die hem ongemoeid liet. We legden ons plan aan hem voor en hij zei dat het mogelijk was, maar dat het moeilijk zou zijn om weer weg te komen uit het bergdorp. Het was beter om een grand taxi te nemen, een busje dat ons bij de riad zou ophalen en dat we zouden delen met vier andere toeristen. Hij kon het regelen en gaf ons een kaartje met de naam van een betrouwbaar taxibedrijf: 'Taliban Transport'. In de hoop dat de werkelijke Taliban zich eerder 'Paradise Travel' of zoiets zou noemen besloten we zijn voorstel te aanvaarden. 'Kunt u zich identificeren?', vroegen we argwanend. Hij liep een kantoortje binnen en zette een stempel op het ticket. 'Is official.' Hij vroeg een voorschot van omgerekend 20 euro, een derde van de totaalprijs. Het was onmogelijk om te weten of hij betrouwbaar was. We vroegen een bonnetje en hij schreef op een stukje papier: '600 total 200 paid'.

    Voorbij Asni, voorbij Tahnaout en voorbij Ijoukak, aan het bergstroompje Oued N'Fis, en aan een weg die volgens de reisgids 'nerve-racking' is, maar zonder haast best meevalt, ligt Tin Mal, een oord afgelegen genoeg om voor de grote veroveraar Ibn Tumart als uitvalsbasis te hebben gediend bij zijn belegering van Marrakesh. Ibn Tumart was een zeer gelovig man – een winnend strijdheer wordt natuurlijk nog gesterkt in zijn geloof – en liet een monumentale moskee bouwen die plaats bood aan tweeduizend gelovigen. Het is het vroegste voorbeeld van de sobere Almohad-architectuur en een blauwdruk voor de Koutoubia-moskee in Marrakesh. De moskee is eeuwenlang in onbruik geweest – te groot, nadat Ibn Tumart zijn hofhouding naar de stad had verplaatst – en alles was los zat, zoals de ongetwijfeld prachtige minbar (spreekgestoelte), is weg. De minaret is ingestort, net als het grootste deel van het dak. Belangstelling voor de moskee is recent: in 1994 zijn restauratiewerkzaamheden verricht. Zuilen zijn herbouwd, de deuren van sloten voorzien en de gevel van een plakkaat (Libisch oliegeld). Bij wijze van gastvrijheid is dit een van twee moskees in Marokko die toegankelijk zijn voor niet-moslims, al is het dan geen gebedshuis meer, maar een monument. In de dorpjes langs de route, en ook in Tin Mal zelf, verheelt niets dat je in Afrika bent: ezels trekken karren, oude vrouwen sjouwen sprokkelhout, meisjes wassen kleren in de rivier, mannen eten, op plastic tuinstoelen gezeten, met hun handen uit een stoofpotje. Als er iets gebeurt (een wagen lost zijn lading) is het hele dorp gemobiliseerd, want evenement is amusement. Waar armoede in de stad altijd iets afstotelijks heeft, krijgt het in dorpen op verraderlijke wijze iets idyllisch, misschien omdat er geen contrast met welvaart is. We liepen langs het schooltje van Tin Mal en drie gesluierde jonge meisjes vroegen om een pen of één dirham. De kleinste nominatie die we bij ons hadden was het honderdvoudige – nog altijd minder dan we besteed hadden aan amber, komijn en Marokkaanse gastvrijheid op dag één. We hebben niets gegeven, en ik voel nu een goedkoop soort spijt.

    Die ochtend had Hmad, de chauffeur van Taliban Transport, ons een half uur te vroeg bij de riad opgehaald - hij liet ons, wellicht door zijn baas voor onze achterdocht gewaarschuwd, geen kans om zijn komst te betwijfelen. De taxi bleek geen busje te zijn, maar een Mercedes-sedan. We waren de enige klanten. Waren we de enige klanten? 'Oui, oui, vous seulement!'. Hmad sprak geen Engels en slecht Frans. 'We gaan naar Tin Mal, hè?' 'Oui, oui, montagne! Froid!' Als je alleen zijn haargrens, voorhoofd en ogen zag, zoals ik in de achteruitkijkspiegel, was het of je bij Ruud Gullit in de auto zat. En als je de spiegel iets naar beneden zou kantelen, zou het zijn geweest of je in 1988 bij Ruud Gullit in de auto zat. Als je om je heen keek leek het sowieso 1988. We reden de stad uit. De vele lifters wuifde hij weg. Tegen de jongeren onder hen maakte hij een gebaar dat, denk ik, 'pijp me' betekent. Twintig minuten buiten Marrakesh, de weg was nog vierbaans, parkeerden we op de rechterrijbaan. Een gesluierde jonge vrouw stak de weg over en begroette de chauffeur. 'Ma famille', zei hij glunderend, 'jullie thee drinken!' We keken elkaar aan in de volle overtuiging dat dit de eerste in een lange reeks van commerciële familiebezoekjes zou worden. Maar weigeren was uiteraard geen optie en het was nog vroeg. De jonge vrouw sprak vloeiend Frans en stelde ons voor aan haar moeder en oudere zus. De zus was ongesluierd, misschien omdat ze ongetrouwd was. Er kwam Berberse thee op tafel, en kwamen olijven, er kwam olijfolie, en kwam brood, er kwamen eieren, er kwam zout, er kwam chocopasta. Ik legde uit dat we nog geen uur eerder uitgebreid ontbeten hadden en dronk de thee. Hmad at flink. 'Hij is net wakker', zei de jonge vrouw, 'hij heeft nog niet ontbeten.' 'Bent u zijn dochter, zijn nichtje, zijn zus?', vroeg ik. 'Van wie?' 'Van onze chauffeur.' 'Nee, hij is geen familie. Hij is een vriend van mijn zus.' 'Krijgt u vaker bezoek?' 'Ja, we hebben vrienden uit Frankrijk.' 'Ik bedoel, brengt onze chauffeur vaker gasten mee?' 'Nee, nooit. Ik heb hem pas twee keer eerder ontmoet.' Waardoor het vertrouwen in Hmad daalde, maar dat in onze gastvrouw steeg. Via haar konden we verifiëren wat onze reisbestemming was. Wij wisten nu zeker dat Hmad zeker wist waartoe we naar op weg waren. De jonge vrouw bood aan mee te gaan, en onze instemming was even diplomatiek en retorisch als haar voorstel. Later, te laat, realiseerde ik me pas dat ze werkelijk mee had gewild, voor haar plezier, en niet om ons een genoegen te doen of om er op de een of andere manier geld aan te verdienen – ze was jong, werkloos, woonde met haar moeder in een huis aan de snelweg en was nog nooit in Tin Mal geweest. Waarom zou ze niet mee willen? Maar ze ging niet mee, en aandringen leek me niet juist. Toen we afscheid hadden genomen en weer naar auto te liepen (waar Hmad demonstratief stond te wachten, alsof de stop ons idee was) bleek dat de oudere zus, die we niet gesproken hadden, wel met ons mee zou rijden. Misschien voor een lift naar de volgende stad, dachten we. Maar Hmad en de zus kletsten en lachten onophoudelijk en we stopten pas een uur later, om de weg te vragen (rechtdoor). We stopten nog twee keer om de weg te vragen (rechtdoor, rechtdoor) en na enige tijd kwam de moskee in zicht en reden we Tin Mal binnen. Uit het niets verscheen een beheerder die ons rondleidde in de moskee. Hmad en Zus, beiden voor het eerst ter plaatse, wierpen een vlugge blik in hun nationaal erfgoed en verdwenen. Dat wil zeggen: toen wij weer naar buiten kwamen stond de taxi er nog, maar van ons gezelschap was geen spoor te bekennen. We gingen op zoek naar een café, hoewel het dorp allerminst de indruk gaf dat er zulke voorzieningen waren. We liepen langs een schapenkooi, een wasplaats, een moskee, een schooltje, schrobbende en vegende vrouwen, spelende kinderen, bescheiden bedelende meisjes... maar wat zouden Hmad en Zus hier zoeken? We keerden terug naar de moskee en vroegen de gids of hij wist waar de chauffeur was. Hij vouwde zijn handen rond zijn mond en riep iemand in het dorp. Die persoon riep weer iemand anders en niet veel later kwamen Hmad en Zus, die nu een hoofddoek droeg, vanuit de bergen boven het dorp afgedaald. 'You've been hiking?', vroeg ik. Ze zagen rood van inspanning.

    Voor we weer in de auto stapten vroegen we de gids waar we een toilet konden vinden. Hoewel er een (afgesloten) toiletgebouw naast de moskee stond wees hij ons daar niet op – wat we waarschijnlijk niet hoeven te betreuren. Hij overlegde met Hmad en zei dat het in orde kwam. Drie kwartier later stopten we bij een luxueus resort. We vreesden een dure lunch opgedrongen te krijgen maar Hmad wees ons direct het sanitair en maakte geen aanstalten de eetzaal te betreden. Wij ook niet, want we hadden een dag tevoren op de markt cola, bananen, koek en gedroogd fruit ingeslagen. Toen we weer naar buiten kwamen stond Hmad de bagage van een Engels stel in onze Mercedes te laden. We waren niet eens verbaasd, maar vroegen toch een verklaring. 'À Asni', zei Hmad. Asni was een kleine stad tien minuten verderop. Ze willen een lift naar Asni, vanwaar ze een taxi kunnen krijgen, vertaalde Zus. Maar die protesteerden. 'No, we're going to Marrakech.' 'We will drop you in Asni so you can get a taxi to Marrakech from there.' 'But yesterday we ordered a taxi to Marrakech for two o'clock, which is now, and here is our taxi.' 'But this is our taxi, we have been driving around in this car all day.' 'But I don't understand, what are you doing in our hotel, then?' 'We had to go to the bathroom.' De Engelsman schaterde het uit. 'Mwhuahaha, so if you would have decided to take a leak in some bush, we wouldn't be having this misunderstanding and we would still be waiting for our taxi?' 'That's right.' Hij kon niet meer stoppen met lachen. 'Mwhuahaha, why didn't you just stop at the side of the road?!' 'Haha, yeah. Crazy coincidence!' – maar als iets te toevallig lijkt, dan is er meestal een verklaring. Natuurlijk zou er geen andere taxi komen. Hadden wij immers bij Taliban Transport geen gedeelde taxi besteld? Hmad gaf me zijn telefoon, het was de man van de gare routière. 'There's Hmad, there's you two and then there's the other couple. That's five, in a big Mercedes. What's the problem?'

-

fragmenten uit mijn reisdagboek roermond-zürich

Dag 1 – 24 juli 2013 – 167 km – Roermond – Remagen

Lange fietsreizen zijn al jaren mijn dwangfantasie. Ik heb zeven zomers achtereen met verschillende vrienden trektochten per fiets gemaakt: de eerste drie keer binnen Nederland, later door Luxemburg, Duitsland en Frankrijk. Al die tochten waren generale repetities, want mijn doel is altijd Rome geweest. Helaas heb ik nooit iemand kunnen vinden die mee wilde, en zelf vond ik het eigenlijk ook wat lang (niet zozeer ver, maar lang). De laatste twee jaar heb ik geen fietsreizen gemaakt en ik verloor zo langzamerhand het recht om me nog fietser te noemen. Toch heb ik nog menig wintermiddag doorgebracht op Google Maps, routes naar het zuiden makend. Enkele dagen geleden besloot ik dat ik niet langer enerzijds kan blijven zwijmelen, en anderzijds mijn zomer op de bank kan doorbrengen, kijkend naar die 200 mannen die het wél aandurven. Daarom heb ik een treinticket Zürich-Amsterdam geboekt voor 24 juli– en ik ben te veel calvinist om het ongebruikt te laten. Als het bevalt kan ik volgend jaar als vervolg Zürich-Rome rijden.
[…]

Dag 3 – 26 juli 2013 – 155 km – Oppenheim – Lauterbourg

[...]
Fysiek gaat het goed. Ik fiets langere afstanden dan gedacht en de vermoeidheid die ik voel is vooral mentaal: lange, rechte stukken door de graanvelden van Pfalz, in de volle zon, terwijl je eigenlijk koude cola wilt drinken, dat is soms zwaar. Maar uiteindelijk hoef je alleen maar je pedalen rond te trappen. M'n benen zijn bruin, sinds vanmiddag licht rood. Maar ik was er op tijd bij: geen verbrandingen. Het materiaal houdt het goed.Los van een structureel verdwijnende schroef van de bagagedrager is alles nog heel gebleven. Het zandpad van vanochtend heeft wel enige tol geëist: alles is bedekt onder een laag stof. De ketting kraakten de fietstassen (waarvan ik er één als hoofdkussen gebruik) zijn grijs. Wat het lichaam betreft: niet de spieren doen pijn, die schijnen het goed aan te kunnen. Ik heb wel last van blaarvorming op de handen (die op een racefiets een groter deel van het lichaamsgewicht dragen) en van irritatie op de liezen. Ik hoop dat een 'derde bal', de infame wielerkwaal, me bespaard blijft.
[…]

Dag 4 – 27 juli 2013 – 173 – Lauterbourg – Staufen im Breisgau

[…]
Ik werd zoals elke ochtend rond zessen wakker en bleef draaien en kort slapen tot half acht. Dan inpakken en wegwezen. De Duitse man voor wiens gezelschap ik gister dit schrift even liet liggen was toen al vertrokken. Hij en zijn fiets kwamen uit de jaren vijftig en waren voor het eerst zo'n eind op pad. Hij kwam uit Bonn (net als ik op dag twee) en ging zijn dochter bezoeken in...Zürich. Hij had een tent van acht kilo en een slag in z'n wiel.
Bij vertrek had ik een dag fietsen in Frankrijk voor de boeg – de Rijn is immers de grens tussen de Elzas en Baden-Württemberg en ik was nog niet van oever gewisseld sinds ik hem in Remagen voor het eerst gezien had. Het schoot behoorlijk op,want Frankrijk is, verkeerstechnisch gezien, veel efficiënter ingericht dan Duitsland. In Frankrijk lijkt het of er eerst wegenwaren en toen pas dorpen. Als je over weg A een dorp binnenrijdt kun je er over weg A ook altijd weer uit. In het midden van het dorp kruis je weg B naar de dorpen C en D. Aan weg A ligt een boulangerie met een belangrijke functie. Tijdens mijn ontbijt heb ik heel Seltz brood zien halen. Konditoreien in Duitsland lijken eerlijk gezegd meer op sociale werkplaatsen voor verveelde vrouwen. (Daar tegenover staat dat elk Duits dorp een bordeel heeft!) Omdat er geen fietspaden zijn neemt niemand het je kwalijk dat je over de autoweg rijdt, en als je gewoon door kunt rijden over weg A kun je ontbijten en zestig kilometer fietsen in tweeënhalf uur. En dan kom je een stad tegen... Begrijp met niet verkeerd: goddank zijn er steden. Maar waarom op mijn route? Tempobrekers zijn het, en erger: fietsvallen. Ze lokken je met bordjes binnen en laten je nooit meer gaan. Straatsburg is daarvan een monsterlijk voorbeeld. Het afficheert zich als fietsstad, in dorpen in de omgeving hangen kaarten met fietsroutes door Straatsburg. Mijn hoop nam toe: eindelijk een fietsbare stad? Nee. Zodra ik binnen de gemeentegrenzen was mocht ik het zelf uitzoeken. Eén ding kun je in elk geval moeilijk missen: het Europees parlement. Het gebouw (dat tachtig procent van de tijd leegstaat) moest natuurlijk kunnen wedijveren met de glazen kolos in Brussel en kan dat ook. Ze hebben wel iets van elkaar weg – die sfeer van bureaucratie, die schijn van overbodigheid. Dat er wel degelijk belangrijke beslissingen worden genomen in Straatsburg blijkt wel uit de grote hoeveelheid Porsches, Mercedessen en mooie vrouwen op straat. Er is hier duidelijk wat te halen. Het was vaak onduidelijk of je geacht werd op de stoep of op de rijbaan te fietsen. Op de stoep was het druk met voetgangers, op straat met auto's. Dat ik toch voor de straat koos bewijst wel dat ik geen zelfzuchtig mens ben! Dus heb ik over kilometers boulevard gelaveerd, tussen scheurende Landrovers en geparkeerde diplomatenwagens. Ik heb sowieso een fobie voor portieren, maar de combinatie met onschendbaarheid van diplomaten (en het feit dat krassen op de Panamera niet voor hun rekening komen) lijkt me een garantie voor ongelukken. Het is ook een van die steden waar men plattegronden ophangt zonder 'vous êtes ici'. In elk geval ben ik nu een van de kiezers die tenminste weten wat er precies scheelt aan Straatsburg.
[…]

Dag 5 – 18 juli 2013 – 133 km – Staufen im Breisgau – Mosen

Dat was een aparte sensatie: slapen naast het spoor. Niet alleen hoorde ik de treinen op me af razen – in de hoop dat ze koers zouden houden – de luchtverplaatsing die ze veroorzaakten golfde door mijn tent. Het was trouwens ook een kostbare sensatie: met achttien euro verreweg de duurste camping tot nu toe. Gisteravond twijfelde ik nog of ik langs de Rheinradweg naar Basel zou rijden (met alle grootsteedse en kleinweegse ergernissen van dien) of het Zwarte Woud door zou steken om zo halverwege Basel en Zürich Zwitserland binnen te gaan. Gezien het overschot aan tijd besloot ik voor de zwaardere, maar mooiere route te kiezen. Het was al vroeg warm en ik moest naar meer dan duizend meter. Tot mijn tijdelijke woede slipte mijn binnenblad (ook wel 'toeristenverzet' genoemd, gebruiken ongedrogeerde mensen om een berg op te fietsen). Het is verbazend hoe snel het humeur om kan slaan bij tegenslag: een luide vloek echoode door het dal. Gelukkig zat niet alles tegen: het begon zachtjes verkoelend te regenen tijdens de steilste klim, en bergafwaarts reed ik door de warme zon,die het asfalt alweer gedroogd had, Zwitserland tegemoet.
En wat een entree! Daar was de Rijn weer, bijna stilstaand kalm, diep, breed en azuurblauw. Zwitserland, aan de dichtbegroeide overzijde, leek een vreedzaam eiland in rustig water. (Wat natuurlijk niet ver van de waarheid is. De grootste prestatie van Zwitserland is dat er al eeuwen niets gebeurt.) Na een aantal kilometers onverhard (en twee keer dwars door een zwanenkolonie) kwam ik in het mooie stadje Bad Säckingen aan, waarvandaan een negentiende-eeuwse houten brug naar het eiland voert. De brug is overdekt, zodat het tegelijk een tunnel is. En zo passeert men de (hopelijk) slechtst bewaakte buitengrens van de EU. Er stond niet eens een bord om mee op de foto te gaan!
[…]

Dag 6 – 19 juli 2013 – 136 km – Mosen – Rapperswil

Mag ik even mijn frustratie van me af schrijven? Natuurlijk mag ik niemand de schuld geven van het weer (dat is althans een andere discussie), maar áls het slecht weer is, en het was noodweer, dan hoop je dat in elk geval de wél beïnvloedbare factoren meezitten, zoals de bewegwijzering. Waarom zijn er nergens bordjes naar de stad Jona?Omdat die eigenlijk Rapperswil heet. Maar waarom staat het zo dan niet op de Official Swiss Tourism Map 2013? En waarom wordt in Rapperswil de locatie van de camping angstvallig geheim gehouden, zelfs als het laat is en hard regent? Zoals bij ons tabaksreclameverboden is, zo lijkt er in Duitstalig gebied een taboe op kampeerreclame te rusten. Soms kom je hi-la-ri-sche borden tegen die vertellen hoe ver en welke kant uit Kopenhagen, Madrid en Moskou zijn, maar de plaatselijke camping, die probeer je zelf maar te vinden. De enige informatie die ik over de camping van Jona/Rapperswil had was de globale positie – afgelezen van een kaart van heel Zwitserland – tussen meer, brug en spoor. Ik kwam voorbij een voetgangersbrug over het spoor, waar een bord hing met zo'n vijftien bestemmingen aan de overkant, waaronder de sportclub,de werf, de Kinderzoo en de jeugdherberg. Geen camping. Aangezien het nogal regende (ik wil niemand het weerbericht onthouden) besloot ik de jeugdherberg te zoeken en daar te vragen of de camping bestond, en zo nee, of zo ja, wat hun eigen tarieven zijn. Dat was 40 frank (32 euro) per nacht, terwijl ik in de verte een caravan zag staan. Nog steeds geen bordjes, trouwens. Ik reed zo dichtbij als ik kon komen, tot er alleen nog een boerderij tussen mij en de camping stond. Ik stak het erf over en kwam bij een grindpad. Ik volgde het grindpad en kwam bij een omheind grasveld. Dat was de camping en daar ben ik nu. Ik eet in het restaurant friet en kipnuggets voor 16 frank. (Naar verluidt vermeldt Sonja Bakker in haar laatste lachwekkend-erotische roman van alle genoemde goederen en diensten de prijs. Een West-Fries trekje, denk ik.)

Maar zo begon de dag: ik droomde dat ik vervroegd naar huis was gegaan en ervan baalde München en Stuttgart niet te hebben gezien. Traumdeutung: wees sterk, houd vol, denk aan Luzern en Zürich! Inderdaad wil ik naar huis. Het doel is bereikt vóór de helft van de voorhanden tijd. Wat te doen met de andere helft? Fietsen met een doel is zoveel leuker dan zonder – daarom houd ik ook niet van trainen. Ik had nieuwe horizonten nodig, dus het eerste doel van de ochtend was ontbijten. Het tweede doel was Luzern. Om half elf was ik er. Ik had hoge verwachtingen, maar zou het nog veel van de charme hebben die Mark Twain honderddertig jaar geleden zo trof? Het antwoord is absoluut ja. De ligging aan de Vierwaldstättersee is fenomenaal en het aanzien van de Altstadt lijkt onveranderd sinds Twains verblijf. Ook stikt het er van de Chinese toeristen, wat bewijst dat het een verre reis waard is. De terrassen (bijna allemaal van hotels) zagen er zo chic uit dat ik er geen plaats durfde nemen in mijn ongewassen wielertenue. Dus reed ik maar weer verder, langs de noordkust van het meer. Dat is uiteraard vlak, maar de rondweg niet: die slingert de heuvels in, om voor elk dorp weer af te dalen naar Seeniveau. Dit is een van de hotspots van de wereld. De haventjes liggen vol met zeewaardige jachten, strakke villa's kijken uit over het turquoise water en op elke oprit staat een sportwagen. Ik ben meermaals ingehaald door Ferrari's. (Daarvoor hoef ik me niette schamen!) Het klimaat is hier, behalve vandaag, veel gematigder dan aan de Côte d'Azur en in het kalme, zoete water vaar je comfortabeler. Daarbij: de bank zit om de hoek. Als ik geld had zou ik ook een zomerverblijf in Vitznau kopen. Na Vitznau: Gersau. Na Gersau: Brunnen. Weer zo'n prachtige boulevard langs het meer. Een grijze miljonair wacht geduldig af wat er in zijn bootje zal stappen. Brunnen loopt landinwaarts uit in Schwyz en vanuit Schwyz, zo zie ik op de kaart, loopt een weggetje naar 'Ibergeregg, 1406'. Het is elf kilometer vanuit Schwyz, dat op 516 meter hoogte ligt. Dat is dus eenentachtig meter per kilometer. (Vergelijkbaar met Alpe d'Huez.) Het is dertig graden, twee uur 's middags, en met fiets en bepakking weeg ik bijna honderd kilo. Ik trek m'n shirt uit, zet m'n helm af en bind een handdoek om m'n hoofd. Ik neem me voor elke kilometer af te stappen om bij te komen. (De klimmetjes rond het meer waren al uitputtend.)
Het viel me niet mee. Nu weet ik hoe het moet zijn voor fietsers met overgewicht. Of voor overgewichters die moeten fietsen. Op de pas zou een camping zijn, dus ik kon zo veel tijd nemen als ik wilde. Ik stapte inderdaad elke kilometer af om het voorhoofd te deppen, waar mogelijk beekwater te drinken en foto's te nemen. Halverwege de klim, bij een klein kapelletje, stapte uit een oud autootje en oud vrouwtje met een fleswater. Die heeft me voorbij zien komen, dacht ik. Het water was bruin, maar ik had het best willen drinken. Maar hoewel ik zichtbaar liters vocht verloor was de dame voor de bloemetjes gekomen die aan de voet van een heiligenbeeld bloeiden. Ze vroeg me iets en fronste bij het antwoord. Uit de uiterst merkwaardige wijze waarop ik de woorden 'heiss', 'weit' en 'steil' uitsprak concludeerde ze dat ik wel 'von Deutschland' moest zijn.

Boven was geencamping, enkel onweer, maar dat had ik al verteld.

Dag 7 – 21 juli 2013 – 136 km – Rapperswil – Bregenz

Ontbijt in Schmerikon, in een fancy bakkerij. Naast me zat een vrouw wier kinderen me op de camping hadden begluurd. Ze zei gedag, maar ik realiseerde me pas een paar minuten later wie ze was en verontschuldigde me. Ze was zo hartelijk, en zo enthousiast over mijn reis, dat ik me weer helemaal gemotiveerd voelde. Ik was op weg naar Liechtenstein, want ik ben voortvluchtig: ik heb de overnachting niet betaald.
[...]
De route naar het oosten is beeldschoon. De Walensee moet een van de best bewaarde geheimen van Zwitserland zijn. De oevers zijn zo steil dat aan de zuidkant fietspad, spoorweg, linkerrijbaan en rechterrijbaan van de hoofdweg allemaal op een eigen niveau liggen, dus boven elkaar. Het fietspad kruist de spoorbaan soms, waardoor er koele, donkere tunneltjes en korte, steile bruggetjes in het parcours zitten. Aan de nog spectaculairdere noordkant loopt alleen een onverharde weg.
[...]
Langs de Zwitserse wegen zie je overal ideële reclame. Vóór de Turboschlaf, tegen het Bratwurstverbot, vóór egeltjes, tegen alcoholmisbruik. De opvallendste is 'Genug ist genug', waarmee het Zwitserse volk aan de hand van een stapel hamburgers uitgelegd wordt hoe inhalig hun bazen zijn. Het voorstel houdt in dat de meest verdienende werknemer nooit meer dan twaalf keer zoveel BigMacs mag eten als de minstverdienende. Zwitserland kent een referendumdemocratie (zondag eerst naar de kerk, dan naar de stembus), dus zo'n voorstel kan werkelijkheid worden. En dat uitgerekend hier, in een land dat als geen ander geprofiteerd heeft van de vrije markt. Wat zullen de Zwitserse grootverdieners dan doen? Die kopen een postbus in Liechtenstein, dat door belastingvluchtelingen vervuilde stuk Rijndal.
[…]

Dag 8 – 21 juli 2013 – 144 km – Bregenz – Münsterlingen

Gisteren vergat ik te vertellen dat ik een iconische grens overschreden heb:de duizend kilometer. Ik ben een ronde-getallen-fetisjist, dus van de 1000.00 op mijn kilometerteller wilde ik een foto hebben. Tussen de Walensee en Liechtenstein was het zover, maar ik reed juist op een van die Zwitserse wegen waar je niet kunt stoppen, omdat je klem zit tussen vangrail en langsrazend verkeer. Er zat dus niets anders op dan de teller in het oog te houden en het memorabele moment goed in me op te slaan. Maar dat viel tegen: 999.97, 999.98, 999.99... 0! Maar oud nieuws, want inmiddels zit ik aan de zuidkust van de Bodensee, oost van Kreuzlingen, en geeft de totaalteller 226,41 aan. Dat is dus 1226.41 kilometer. De etappe van vandaag was toeristisch van aard. Ik had me enigszins in een hoek gereden (het hooggebergte zuid, het verre oosten oost, de Bodensee west) en moest wel noord door Duitsland, langs de Bodensee, om weer richting Zürich te gaan. De Duitse Rivièra (zoals het vast wel eens genoemd wordt) is erg fraai. Mooier dan Lindau komen Duitse steden niet. Vakwerk, bloemen, mediterrane kleuren – het was een schitterend decor voor het ontbijt. Het is jammer dat het ontbijt tijd neemt waarin het ook zo aangenaam fietsen is. Voor de zoveelste dag op rij werd het rond twee uur eigenlijk te heet. Ik zweet veel, en bij een stoplicht is de oververhitting bijna niet te verdragen. De Bodenseeroute is grotendeels erg mooi – door rietlanden, kustdorpen, of direct langs het water – maar op deze tropische zondag extreem druk. Het was ook nog eens her en der dorpsfeest. Op verschillende plekken stonden de picknicktafels midden op straat. In de drukte schampte ik met mijn fietstas een oudere heer. Oudere heren zijn in gezagsgetrouwe landen als Duitsland niet altijd even sympathiek. Ik kon het botsinkje niet helpen (ik moest uitwijken voor een plotseling remmende fietser voor me) maar hij was zeer verontwaardigd. Ik ergerde me en dacht: waar was u in 40-45?Even later reed ik langs een pand van A. G. Farben.
[...]
Het tentje naast me is van een zestigjarige Nederlandse oud-militair, Gerard, die het lichaam heeft van Bruce Willis en het hoofd van Pierluigi Collina. Hij is al drie weken onderweg, via België en Frankrijk. Het kon hem niet warm genoeg zijn en hij dronk zout water om het zweten te compenseren. Hij zei: 'Als je in een ravijn valt, moet je genieten van het uitzicht.'

Dag 9 – 22 juli 2013 – 95 km – Münsterlingen – Maur

Ik geef het op: het is zo heet dat fietsen niet alleen slopend is, maar ook vervelend. Ik neem aan dat opgebouwde vermoeidheid daarin ook een rol speelt. Ik heb in negen dagen ruim dertienhonderd kilometer gefietst zonder rust. In de Tour rusten ze de achtste dag. Ik kon niet anders dan zonder shirt fietsen, wat natuurlijk tot verbranding heeft geleid en tot een vrij belachelijke tekening op m'n rug. (Een fietsbroek wordt met een soort bretels omhoog gehouden.)
[…]
Omdat ik al vanaf twee uur op de camping ben, waarvan geruime tijd op het terras, en ook gezien de prijzen hier, besloot ik voor het avondeten het naburige dorp Maur in te gaan. In Maur vond ik één restaurant, een pizzeria. Grillgerechten dertig frank, pizza's twintig. Een frank is niet veel minder waard dan een euro, maar zeventien euro leek me aanzienlijk meer waard dan een pizza, dus de deal is niet gesloten.Wat zouden twaalf hamburgers hier kosten?
Met mijn in de supermarkt bijeen gekochte maaltijd zocht ik een schaduwrijk plekje in het grasland. Mijn bezwete shirt schuurde langs mijn verbrande rug en ik trok het uit. Er kwam een hond langs geraasd – niet de eerste hond die ik deze week wanhopig richting het water heb zien hollen – gevolgd door een baas, gevolgd door een bazin. De laatste was nogal sexy en groette met een hartelijk grützi. Niet veel later hoorde ik achter het struikgewas geplons. De hond ging te water, en wellicht niet alleen de hond. Tien minuten later kwamen ze terug. De vrouw riep me van een meter of twintig toe dat ik verbrand was – wat ze vanaf daar niet kon zien. Ich weiss es! – Hast du keine Sonnecreme?– Ja, aber es war schon zu spät. – Es ist schlimm! (Zei ze uit herinnering.) Ik zal Sonnecreme voor je halen! Ze kwam dichterbij in haar natte t-shirt. – Nee, nee, dat is echt niet nodig, bedankt. En ze verdween het eerstvolgende huis in. Ik had direct spijt: het was geen moeite geweest, ze had het aanbod duidelijk overdacht tijdens het zwemmen, ik heb zelf geen after sun, ben inderdaad behoorlijk verbrand en bovendien: had ik na dertienhonderd kilometer fietsen geen zachte vrouwenhanden verdiend die mijn rug insmeren?

Dag 10 – 23 juli 2013 – Maur / Zürich

De camping waar ik sta, aan de Greifensee, vijftien kilometer van Zürich, wordt bestierd door een echtpaar. De vrouw draagt een t-shirt met de tekst 'What part of NO you don't understand?' maar is vriendelijk en spreekt Engels. De man is een vrolijke kerel met snor en cowboyhoeden ongetwijfeld verantwoordelijk voor het nogal veelzijdige bieraanbod op deze kleine camping. Ik houd hem te vriend met een running gag over de euro zodat hij het morgen niet erg vindt dat ik wat langer blijf hangen dan officieel de bedoeling is. Naast me staat een Nederlands echtpaar. De man vertelt me dat ze voor het eerst zonder kinderen op vakantie zijn. Ter compensatie komt hij af en toe met mij praten. Even verderop kamperen twee jongens en een meisje vaneen jaar of achttien. Dat is sowieso een bijzondere combinatie, en de ringen zo groot als vijffrankmunten in de oorlellen van beide jongens trekken de aandacht. De ene oogt Spaans en heeft een modieus baardje,de ander is uitgesproken lelijk – maar van een Jaggeriaanse lelijkheid die dichtbij woeste aantrekkelijkheid ligt – en heeft een afgetraind lichaam en een onnatuurlijke haarkleur. Ze delen kennelijk een straight best friend, die op zichzelf volstrekt onopvallend is. Ze groeten niet, mompelen wat wanneer je hen groet.Het regent nu en ik zit op het overdekte terras. Zij zitten in de afwasruimte. Ik neem aan dat het voortvluchtige misdadigers zijn. Omdat ik hier nog maar één nacht hoef te overleven zal ik er verder geen onderzoek naar doen.
(Er loopt hier nog een monster rond: het is een jaar of vier, lijkbleek, rossig, mollig,heeft een cartoonachtige overbeet en praat in zichzelf. Gister dreigde het te verdrinken in de Greifensee en de moeder raakte hevig in paniek. Zo ver gaat moederliefde!)
[…]
In Zürich bezocht ik het educatieve Landesmuseum. Voor de huisvesting van het museum heeft het stadsbestuur honderd jaar geleden een middeleeuws kasteel laten bouwen. Ik ben er niet voor om de publieke ruimte vol te plempen met kitsch, maar indrukwekkend is het wel. Veel aandacht wordt besteed aan Zwitserland als immigratieland (uit een niet mis te verstane progressieve invalshoek) en aan de eeuwen van godsdienstonenigheid. Calvijn werkte in Genève, Zwingli kwam uit Zürich. In een zaal met religieuze relikwieën, en informatie in het Frans, Duits en Italiaans, vroeg een Amerikaanse vrouw me te vertalen wat er bij een bijbel uit uit 1633 geschreven stond. Ze zag er het woord 'CONSTANTIAE' in gedrukt staan en vroeg zich af of dit misschien Constantijns bijbel was. Nu is er voor Amerikanen misschien weinig verschil tussen de 17e en de 4e eeuw, maar voor iemand die op de hoogte is van het bestaan van keizer Constantijn vond ik het toch een vrij absurde veronderstelling. Beleefd antwoordde ik dat het boek gedrukt was in de Duitse stad Konstanz. -Would have been very special if this were Constantine's bible! Dat was ik met haar eens. Vervolgens liep ze naar een houten beeld van een moeder met haar kind. Het onderschrift: 'Heilige Maria'. Ze wendde zich tot haar vriendin: This must be Mary and Jesus! It must be! What does it say? Hei-li-ge Ma-ri-a? No, no, this must be Mary and Jesus!'
[...]

Dag 11 – 24 juli 2013 – Zürich-Amsterdam

[…]
De zespersoons slaapcoupé deelde ik met vijf vrouwen van mijn leeftijd.Aangezien de coupé naast ons in alle opzichten op de sauna van een verzorgingstehuis leek prees ik mij gelukkig. Ik maakte kennis met Rienke, die uit Boedapest was komen fietsen. Het was de minst avontuurlijke fietsreis die ze ooit ondernomen had, na onder meer Ethiopië en Beijing-Bangkok. Tussen de bovenste bedden en het plafond gepropt lagen twee nogal christelijke ogende meisjes die de biologie-olympiade in Bern hadden bezocht, ook per fiets. De Zuid-Koreaanse Sooyoung deed Europa in een maand en was op weg naar Rotterdam, wat volgens ons een twijfelachtige invulling van twee dagen Nederland was. Ze leed aan taalkundige hypercorrectie. De 'r' in goedemorgen sprak ze rollend uit en ook 'witte rijst' leverde geen problemen op. Maar toen het over cannabis ging:
Is liquor?
-No,you smoke it.
Yes, I know, but is liquor?
-No, you smoke it. Like a cigarette.
Yes, but is liquor?
Het kwartje viel: -Ooow, yes, is legal!
Dus kon haar trip beginnen waar de mijne eindigde.

index

tanzania

Everything that you saw made for greatness and freedom, and unequalled nobility. 
Karen Blixen

1. het gezelschap

Modest uit Moshi is de aardigste bijbelfanaat die ik ken. Sowieso wekken Afrikaanse christenen – voor wie niet te lang doorvraagt – met hun vrolijke geloofsbeleving sympathie. Onze safarigids had voor elke situatie een toepasselijk citaat bij de hand en als we ergens maar een halve minuut stilstonden om nog eens goed te kijken of dat bruine daar nu een boomstam of een buffel was was hij alweer in zijn reisbijbel verdiept. Als hij iets niet vinden kon (toen ik vroeg bijvoorbeeld naar zijn standpunt over hekserij) belde hij zijn dominee. (Leviticus 20:27: steniging.) Aan tafel onder een acacia op de savanne – verderop graasden zebra's – kregen we een pittoreske catechisatie; te midden van de wonderen der evolutie bespraken we hoe God de malariamug geschapen had. Modest was moeilijk van zijn stuk te brengen. Toen we al enige dagen samen reisden merkte ik op dat hij toch dankbaar moest zijn voor het kolonialisme, waarzonder hij Jezus niet zou hebben leren kennen. Hij incasseerde en accepteerde onverstoord, bijna superieur, en overtuigde mij weer eens van het medisch nut van zelfbedrog. Het leven in Afrika is niet makkelijk, het lijkt me een troost te geloven dat armoede, droogte en aids tenminste nog een hoger doel hebben.

Overigens gaat dit stukje helemaal niet over religie. Het gaat over reizen in Afrika, en dat deed ik nu eenmaal in dit bijzondere gezelschap: mijn verafrikaniseerde zusje, mijn oma die op haar 79ste eindelijk Tanzania eens wilde zien (in Kenia was ze al elf keer geweest) en Modest, onze chauffeur, gids en vriend. De gids is een volwaardig reisgenoot, want je zit de hele dag bij hem in de auto, en hij de hele avond bij jou aan tafel. Oma was meer dan een volwaardig reisgenoot, want het middelpunt van belangstelling en bewondering. Een vrouw van bijna tachtig dwingt respect af, en eentje die de halve wereld overvliegt helemaal. In Tanzania zie je bovendien weinig grijze mensen, omdat wie al oud wordt zijn haar verft. Modest zei dat grijze haren de kroon op een rechtvaardig leven zijn (Spreuken 16:31) en lachte toen wij hem confronteerden met zijn zwarte spoeling. Oma werd overal aangeklampt, aangesproken (Will you bless me, bibi?) en gefêteerd. We vroegen mensen haar leeftijd te raden: hoger dan zestig werd niet eens overwogen. En dat was geen wellevendheid, maar ongeloof. Negenenzeventig en zo kwiek! Mijn zusje ten slotte spreekt smalltalk en Swahili, een combinatie die de aandacht trekt. Ze deed menig wenkbrauw rijzen en prijs dalen. We moesten steeds opnieuw de samenstelling van ons gezelschap verduidelijken, maar opvallen deden we zeker.

2. de overnachtingen

Op safari geldt: hoe soberder hoe beter. Het onbetwist hoogtepunt was een tentenkamp bij Fort Ikoma. 's Avonds zaten we met zes andere gasten rond een groot vuur en vertelde de Oostenrijkse beheerder – met zijn lange blonde haren en sensationele Keniaanse vriendin – hoe er vorig jaar een kind door een luipaard was weggesleurd. Voor onze veiligheid patrouilleerden er met pijl en boog bewapende krijgers. De volgende ochtend kregen wij skeptische westerlingen een demonstratie en bleken ze inderdaad op vijftig meter een boom te kunnen raken. Ik mocht ook een poging wagen en kreeg de pijl nog geen drie meter ver. In de verte trokken duizenden zebra's en wildebeesten naar het noorden, dichterbij werkten dorpelingen aan een vuurbuffer: er woedden felle branden in het park.

We moesten helaas verder en namen onze intrek in een vijfsterrenresort met majestueus uitzicht over de Ngorongorokrater (een absoluut wereldwonder). De grotendeels Russische clièntele werd er op wenken bediend, in de lounge schonk men vijftig whiskeys, het restaurant was Frans. Gevieren liepen we naar de eetzaal, maar bij de deur bleef Modest staan. 'Not for guides', zei hij. Wij betalen, wilden we hem gerust stellen. 'No, no, not for guides. I'll wait for you.' En inderdaad, in dit chique hotel aten de blanken Frans en kregen de gidsen een doosje met droog brood en dito ei op hun slaapzaal bezorgd. Modest verzocht ons niet aan te dringen – begrijpelijk uit oogpunt van eer en terugkeer – en wachtte op ons in de lobby.

Op weg naar Lake Ndutu – een drinkplaats waar de Nederlandse filmmakers Bert Haanstra en Hugo Baron von Lawick hun halve leven doorbrachten – en waar wij dorstige giraffen in de lage namiddagzon traag door het stof zagen zweven – maakten we een ommetje langs een juist opgeleverd resort dat gebouwd was door Kikwete, de president. Wat we daar in godsnaam moesten was onduidelijk, en Modest wilde niets zeggen. Het was er nogal... uitgestorven en we werden dan ook hartelijk rondgeleid en onthaald op champagne. Het was een spook- en sprookjespaleis tegelijk.
'How many nights will you stay?' vroeg de manager.
-'We blijven helemaal niet. We hebben al een hotel.'
'I will cancel for you.'
-'Geen sprake van, we willen naar Ndutu.'
'No, no, I have special offer for you!'
Zo spraken we enige tijd, verwijtend kijkend naar Modest, die duidelijk belang had in deze onderneming – een belang groter dan het uitvoeren van een lang gepland schema.

Deze vriend, deze christen, deze makkelijke prater kon opeens niet meer verklaren wat we hier eigenlijk deden en we moesten boos worden om weer weg te komen. Wie door Afrika reist krijgt altijd gezeik over geld. Ze zouden er de zon nog achter de horizon houden als dat mogelijk was. Welk reisverslag je ook leest, toeristen voelen zich wandelende geldautomaten. Het is moeilijk om een gepaste houding tegenover dit luxeprobleem te vinden. De bedelaars, oplichters en dieven van Afrika hebben natuurlijk gelijk: een gemiddelde Tanzaniaan verdient dertig keer minder dan een doorsnee Nederlander. Je wilt geen vrek zijn in een land waar kinderen eens per dag een bordje bonen eten, als ze geluk hebben. Maar toch: achteraf de rekening krijgen voor iets wat als aardigheidje gepresenteerd werd, ontdekken dat restaurants een toeristenkaart hebben waarop dezelfde gerechten vijf keer duurder zijn, door je vertrouwde gids aan een desolaat hotel verronseld worden – dat zijn geen leuke dingen. Hoe dan ook: we gingen gewoon, als afgesproken, naar Lake Ndutu.

Het was de avond van Nederland-Uruguay, de halve finale van het WK. De nota bene Nederlandse eigenaren van de lodge, die al een jaar of veertig in die uithoek van de Serengeti woonden, waren zo afkerig van voetbal dat ze weigerden de televisie in de ontspanningsruimte er voor de gelegenheid op af te stemmen. Het zou de andere gasten, rustzoekers, kunnen storen. Modest nodigde ons uit met hem en zijn collega's op hun kamer te komen kijken. We liepen tweehonderd meter door het duister – een dik-dik bleef bewegingloos staan in het licht van de zaklamp – en kwamen bij een barak van vijf bij vijf meter waarin de gidsen en het personeel van de lodge – samen veertig man – zich al geïnstalleerd hadden. Er stonden een fauteuil, die onmiddellijk voor oma werd vrijgemaakt, en een paar stoelen. De rest zat op over kistjes gelegde planken. Veertig grote zwarte mannen met in hun midden een grijze kleine witte vrouw keken op een kleine oude beeldbuis naar het wereldkampioenschap voetbal. De mannen waren voor Uruguay, hoewel die toch zeer onrechtvaardig Ghana, de Afrikaanse hoop, hadden uitgeschakeld door met hands een zekere goal te voorkomen. De wrok tegen Nederland was echter nog iets groter, omdat wij Brazilië hadden verslagen, en Brazilië, dat is toch ook een soort Afrika. Zoals bekend won Nederland echter en we werden oprecht gefeliciteerd, er werd gezongen en de sfeer was er niet minder om. Ze beloofden in de finale voor ons te zijn. (Pech.)

3. het wild

Veel van mijn herinneringen zijn foto's. Het is een bekend fenomeen dat moderne reizigers hun avonturen alleen nog maar door lenzen zien, en ik doe eraan mee. Hoe dan ook: laten we van het eerste uitgaan. Zo zie ik dus voor me (en als ik map x open ook letterlijk) hoe een gazellenlijk over een tak hangt, wachtend op het luipaard dat het er buiten bereik van leeuwen en hyena's gedrapeerd heeft. Ik zie hoe tientallen jeeps gehaast achteruit rijden om een snuivende, stampvoetende neushoorn vrij baan te geven. Ik zie hoe zebra's nerveus uit de rivier staan te drinken, bij elk geluid een krokodillenaanval vrezend. Ik zie hoe leeuw en leeuwin copuleren terwijl dertig toeristen dezelfde pornofilm schieten. Ik zie hoe nijlpaarden in hun eigen riool baden. Ik zie struisvogels rennen, met hun prehistorische klauwen. Ik zie een neushoorn met één oog open slapen terwijl wij hem van alle kanten bekijken. Ik zie een maasai-jongen met zijn onmisbare deken en stok. Ik zie mestkevers hun oogst achter zich uit rollen. Ik zie ons panisch om ons heen slaan na een invasie van tseetseevliegen, die hinderlijk zoemen, pijnlijk steken en fataal besmetten. Ik zie stokstaartjes op hun rots over de savanne turen. Ik zie aasgieren plukken aan een karkas. Ik zie hoe safarimieren in colonne een weg oversteken, de sterke soldaten happend naar alles wat in hun richting beweegt. Ik zie een slang door het stof kruipen. Ik zie vogels in alle kleuren drinken uit een opdiep plasje. Ik zie een grote eenzame olifant rustig over een picknickterrein wandelen – mensen verstoppen zich achter hun jeeps. Ik zie in die jeeps raven de lunchboxen stelen. Maar wat vooral bijblijft is het overzicht: de eindeloze savanne met al haar grazers en jagers; een luipaard, twee buffels, vijf cheeta's, tien leeuwen, twintig giraffes, dertig olifanten, veertig wildebeesten, vijftig gazelles, zestig zebra's...

4. de zwarte rus

Oma had twee keer vijftig euro extra betaald om ons te verzekeren van een plekje bij de nooduitgang. (Om de beenruimte, want vliegangstig is ze bepaald niet.) We vonden onze stoelen: een aan het gangpad, en een daarnaast. Aan het raampje zat een kolossale Afrikaan in zijn pak te zweten. Mijn oma weifelde - ik zag oud-Hollandse xenofobie en Gooise keurigheid om voorrang strijden – en na enige momenten van goedmoedig sadistisch afwachten zei ik: zal ik in het midden gaan zitten? Oja, oja, dat is goed, zei oma. Wat mij nog van zitten weerhield was de stapel eigendommen op mijn stoel. Ik toonde de man mijn instapkaart en verzocht hem vriendelijk mijn plaats te ontruimen. Hij keek knorrig om zich heen en wees me op een lege stoel schuin achter ons: You better go sit there, zei hij dreigend, I'm going to disturb you. Nou nee meneer, ik heb bijbetaald voor deze beenruimte. Hij deed niets. Ik besloot dat ik op deze KLM-vlucht, als begeleider van een bejaarde vrouw, wel ruzie met een dikke, onbeleefde Afrikaanse man kon riskeren, verplaatste zijn spullen naar de vloer en nam plaats. Stoïcijns boog hij voorover, pakte het boeltje weer op en legde het op mijn schoot. Ik was natuurlijk verbaasd over zoveel brutaliteit, al was het dan van een oudere zakenman tegen een jonge mantelzorger. Ik annuleerde zijn zet en bereidde me voor op een vermoeiende vlucht. Tegelijkertijd verheugde ik me op mijn eigen kleine rechtvaardigheidsstrijd die uiteindelijk door het personeel in mijn voordeel zou worden beslist. Oma keek me veelbetekenend aan. 's Mans aandacht was gelukkig naar buiten verplaatst – hij telde sterren aan de hemel of lichtjes aan de grond.

Na een uur draaide hij zich naar me toe: Alright, alright, baste hij, what have you been doing in Africa! – hij had zich er eindelijk mee verzoend dat ik naast hem zat.
-We zijn op safari geweest: Ngorongoro, Serengeti, Lake Ndutu.
'Het is ook altijd hetzelfde met jullie Europeanen! Komen naar Afrika om dieren te kijken! Er zijn ook mensen in Afrika, you know!'
-En we hebben het weeshuis bezocht waar mijn zusje een half jaar gewoond heeft. (Niet als wees hoor, zeg ik er dan doorgaans bij, maar zo'n luchtig gesprek was dit niet.)
'Dus je hebt dieren bekeken en armoede! En dat is jouw beeld van Afrika! Wilde beesten en arme kindjes! Jij hebt Afrika niet gezien!'
Oma tikte op m'n schouder: 'Wat praat die man hard hè?'

Nu wil het toeval dat ik best wat over Afrika weet, en ik was graag bereid een deel van de vlucht te besteden aan discussie. Dus kreeg ik een lezing over wat blanken zwarten allemaal aandoen, te beginnen bij de kolonisatie via de introductie van het HIV-virus in Afrika door de Amerikaanse regering naar het massatoerisme dat Kenia en snel ook Tanzania overwoekert. Wat betreft dat laatste stak hem vooral dat wij wel naar Afrika op vakantie gaan, maar omgekeerd niet zitten te wachten op Afrikaanse toeristen in Europa. Daar viel van alles op te antwoorden, bijvoorbeeld dat hij nu toch op weg was naar Amsterdam, of dat de kosten van een ticket ongeveer overeenkomen met het Tanzaniaanse BNP per hoofd, maar ik was op dreef en zei: omdat we bang zijn dat ze niet meer terug gaan! Waarop hij me verzekerde dat ik door mijn eurocentrische arrogantie over het hoofd zag dat Afrikanen niet eens in Europa zouden willen wonen. De sfeer werd kortom steeds beter en ik vroeg ten slotte naar hem: wie was hij? Hij kwam uit een dorp aan het Victoriameer (daar had ik heen moeten gaan als ik het echte Afrika wilde zien) en had engineering gestudeerd in Birmingham, Frankfurt en Leningrad. Ik zei daarop dat ik Slavistiek gestudeerd had en prompt ging hij over op Russisch. Oma brak weer in: 'Het hele vliegtuig luistert mee!'

Na de landing gaf hij me een hand en stelde zich voor. It was a very entertaining conversation! Hij probeerde vruchteloos een stewardess te ronselen en stapte lachend van boord, de grote boze wereld in.

  

index

zuid-korea

Korea is een hypermodern ouderwets land. Het Volksmuseum in Seoul leert ons dat Koreanen 'in tegenstelling tot andere volkeren de gewoonte ontwikkeld hebben op de grond te eten en te slapen'. Die mate van ontwikkeling is niet illustratief voor het volk: anders dan Chinezen hebben Koreanen zich bijvoorbeeld aangewend rijst met een lepel te eten – een eindeloos veel geschikter instrument dan de stokjes waarmee Chinezen rijst uit een kommetje in hun mond schuiven. Het mes echter heeft zijn weg uit de keuken naar de tafel nog niet gevonden: wie kleinere hapjes wil vrage een schaar.

Uiteraard heeft dit alles met traditie te maken en niets met achterlijkheid: etiquette is er, net als in heel Azië, van het grootste belang. Bij de douane werd mijn vader uit de rij gehaald en naar zijn leeftijd gevraagd. Zijn 58 jaar gaf recht op een plek in de kortere seniorenrij. (Onnodig te zeggen dat ik er alsnog veel eerder doorheen was.) In Korea vraagt niemand direct hoe het gaat. Eerst moet door vragen achterhaald worden hoe oud of hooggeplaatst de gesprekspartner is. Informeler, maar toch niet opdringerig kan men vragen: hé, heb je nog rijst gegeten? Fooi schijnt een belediging te zijn (wat Nederlandse reizigers zich geen twee keer laten zeggen). Lachen naar vreemden doe je niet (schuldig), als je ergens binnenkomt trek je je schoenen uit (in verband met dat eten en slapen op de vloer). Wat in een Nederlands restaurant als uiterst onopgevoed zou gelden: je jas aanhouden tijdens het eten, is in het bevroren Seoul volstrekt normaal. Nederlanders willen buiten in de warmte zitten, Koreanen accepteren binnen in de kou. En restaurants van standing zijn dan maar matig verwarmd, de meeste volksere tentjes moeten teren op de warmte van het fornuis. (Het woord 'tentjes' zou ik niet gebruiken als deze gelegenheden meer waren dan een zeil over enkele stokken gespannen.) In zo'n tentje dus zit je op plastic stoeltjes aan een bar en wordt onder je ogen een hoogzwangere vis in de frituur gegooid opdat je haar drooggekookt kuit kunt eten. Daarbij drink je dan thee met sesamsmaak of bier uit een flesje met wasmiddeletiket (wat misschien ook de lokale verkrijgbaarheid van Mountain Dew verklaart). Bij elke maaltijd, maar ook als snack bij drank, wordt kimchi opgediend: in specerijen gefermenteerde kool. Een ander zou het misschien laten staan, maar ik kom uit de koolhoofdstad van Nederland en weet de dag niet meer beter te beginnen dan met een knapperig stukje kimchi. (Ik werk nog aan de receptuur.)

Ga je dan alleen maar naar Azië voor het eten, zal de lezer zich misschien afvragen? En ja, eerlijk gezegd, net als bij veel andere oriëntgangers speelt het bevredigen van een primaire lust een belangrijke rol in mijn keuze van bestemming. Neem Busan, de zuidelijke Koreaanse havenstad. Er zijn stranden en eilanden, maar 's winters trekt het niet meer toeristen dan Rotterdam. Toch staat er het grootste warenhuis ter wereld, met een food court waar de liefhebber van de Marokkaanse, Libanese, Sichuanese, Vietnamese, Japanse, Franse, Italiaanse, Koreaanse, Perzische, Oezbekistaanse, Duitse, Pekinese, Amerikaanse of Braziliaanse keuken voor weinig geld aan z'n trekken komt. En loop nog vijf minuten door de kou en je vindt zelfs iets beters: een groot golvend glazen gebouw dat een uitgestrekte vismarkt huisvest. Nu heb ik al eerder Aziatische vismarkten bezocht en alleen daarom verflauwde ik niet van verbazing: hoe groot moet de oceaan zijn als er elke dag in duizenden steden zulke hoeveelheden en zo'n variatie aan vis aangeboden wordt? (Her en der werd kogelvis verkocht, wat ik ook al elders gezien heb, en wat me steeds verder richting de conclusie drijft dat dat bolle monstertje meer dan een gifmenger een Japanse pr-mythe is - een overtuiging overigens die nog niet zo diep bezonken is dat ik een hapje durfde proeven.) In deze hal koop je een vis, en die vis neem je mee naar boven, waar lokale vrouwen (anders dan de overige twee miljard vrouwen in Azië hebben vrouwen in Busankrullen) hem voor je bereiden. Die bereiding heeft niet veel meer omhanden dan een bedje munt en een badje chili, want wat uit de zee komt eet men hier rauw. Daar hebben ze natuurlijk groot gelijk in, want alle vis smaakt vers en rauw het best en de wereldwijde tonijnverwerkingsindustrie vind ik niet crimineel, maar wel een groot affront tegen de goede smaak. Het drogen van vis is nog wel alledaagse praktijk in Korea, maar ook dat zal een kwestie van traditie zijn, want zoals je kool niet meer hoeft te peperen ter conservering hoef je vis niet meer te drogen, en net als kimchi is gedroogde vis een snack voor bij ontbijt of bier geworden. Overigens is een van populairste borrelhapjes gedroogde inktvis en ik kan mijn walging daarover niet krachtig genoeg uitspreken, daarin gesteund door mijn katten. Ik neem aan dat beschaafde westerse snacks als aan een tandenstoker geregen augurk met ingewandenworst, of op uitgedroogd brood gesmeerde schimmelkaas snel zullen oprukken in Korea en heel Azië.

Omdat je niet de hele dag kunt eten hebben we ook andere activiteiten ondernomen. Op de eerste ochtend in Seoul werden we (tegen alle wetten van het tijdverschil) met zonsopgang wakker. Het was schitterend weer (min tien en zonnig) en we besloten te gaan hiken. Volgens de reisgidsen is hiken de collectieve lievelingshobby van alle Koreanen, en dat is absoluut waar. Het Bukhansanpark is het drukst bezochte nationaal park ter wereld, ongetwijfeld door de nabijheid van de tweede grootste stedelijke agglomeratie. Je neemt de metro naar een noordelijke buitenwijk, loopt door een straat met dertig wandel-, trek- en klimwinkels en staat plotseling in de wildernis. En het is geen Vondelpark waar we over praten! Tien minuten lopen en je ruikt alleen nog dennen, hoort spechten en ziet hangende watermassa's die in het voorjaar weer omlaag zullen stromen. Het wandelen wordt al snel rotsklimmen en tussen alle semi-professionele Koreanen vallen we op. Ik had dan wel wandelschoenen aan, maar droeg ook een lange grijze visgraatoverjas. Een Koreaan bleef staan, 'mat me met den blik' en zei lachend: hang hae tong tsji cheong pong fang ju gentleman! Maar de meesten bedienden zich van nog lokaler jargon, vaak tien keer eender herhaald, waardoor we niet wisten of we gewaarschuwd werden voor beren of alleen gecomplimenteerd met ons stijlvolle klimpak. (Als ik in Amsterdam een Koreaan zou aanspreken zou ik waarschijnlijk niet geloven dat ik hem iets duidelijk kan maken door tien keer dezelfde Nederlandse zin uit te spreken. Zou de volharding een teken van chauvinisme zijn?) Op de top van de Chaungbong aangekomen werden we voor lenzen getrokken (getrokken, terwijl wij verkleumd en hoogtevrezend ons evenwicht probeerden te bewaren) zodat de Koreaanse thuisblijvers bewezen kan worden dat hoog in de bergen van Bukhansan een onbekende beschaving leeft met wilde blonde haren, roze gezichten en lange jassen. Toen begon het te sneeuwen en daalden en glibberden we de stad weer in, die zo groot en grijs aan onze voeten had gelegen. 

Met de ondergrondse kom je overal in deze uitgestrekte metropool. Er zijn zestien lijnen en ruim driehonderd stations. Elke dag verplaatsen er zich miljoenen Seoulers mee, en ze houden allemaal hun mond. Het is blijkbaar etiquette om eenmaal ondergronds niets meer te zeggen. In een vol Seouls metrostel is het muisstil. Als er iemand praat is het met een hand voor de mond, om de verspreiding van geluiden en bacillen tegen te gaan. Dan opeens komt er een man met een winkelwagentje binnenrijden. Hij verkoopt messenslijpers. Ter demonstratie heeft hij een spatel vlijmscherp gemaakt (messen in de metro is een slecht idee) en snijdt hij er repen papier mee. Hij praat wat over prijs en kwaliteit en... doet zaken. Vijf mannen in pak tellen wat wons neer en kopen zijn waar. De volgende dag hetzelfde succes voor een handschoenenverkoper. Raadselachtiger fenomeen: iemand komt binnen met een stapel pamfletten. Hij groet de wagon met een buiging en legt elke zittende reiziger (opnieuw buigend) een kopietje op schoot. Enkele minuten later haalt hij ze weer op. Mogelijk was hij stomdoof en had hij wat geschreven over zijn vrouw en kinderen die in gebrek leven (hij had zijn hond al moeten eten), maar ik denk dat het geschriftje politiek van aard was. Koreanen zijn namelijk de fanatiekste democraten die je je voor kunt stellen: nergens ter wereld wordt meer gemanifesteerd, nergens is toegankelijker internet, geen land neemt zo gretig deel aan alle internationale vredesmissies en nergens wordt zoveel gevochten in het parlement...

Een groter contrast met Noord-Korea (zelfde volk, dramatisch anders lot) is ondenkbaar. Daar, aan de andere kant van die berg waar ik bovenop stond, ligt het meest geïsoleerde land ter wereld. Om zuiver politieke redenen is dat land gecreëerd en wordt het nog steeds gehandhaafd. Miljoenen mensen leven er in armoede, onwetendheid en angst. Het bedreigt de wereld in het algemeen en zijn zuiderburen in het bijzonder met nucleaire wapens. Toch zijn er toeristen die dit land willen bezoeken, en daar veel geld voor overhebben – geld dat in genoemde onderdrukking geïnvesteerd wordt. Onder leiding van twee 'gidsen' leg je een boeketje bij een standbeeld van een van succesvolste psychopaten die ooit geleefd hebben. Je 'raakt' in gesprek met een docent die je vertelt dat Anne Frank door de Amerikanen is vermoord. Je 'treft' vrouwen die desgevraagd de mannen zullen bewieroken die al decennia hun voedsel stelen, hun zoons doden en hun dochters verkrachten. Van deze toeristen zal misschien een enkeling in enige mate hun lot dan niet verzachten, maar het zich in elk geval aantrekken. Hij zal proberen ongezien foto's te maken, hij zal een stuk schrijven in de krant. Maar de meesten zijn gewoon een unieke ervaring rijker... Wie minder te besteden heeft maakt vanuit het Zuiden een dagtrip naar de gedemilitariseerde zone en kijkt met een verrekijker over de rivier naar het onbekende arbeidersparadijs. Ik ben daar uiteraard niet geweest, evenmin als ik zeventig jaar geleden een toeristisch uitje naar Auschwitz zou hebben gemaakt, terwijl de ovens nog brandden...

Midden in Seoul staat een groots museum dat de adembenemende krijgsgeschiedenis en het bittere krijgsheden van het Koreaanse schiereiland belicht. In de loop der eeuwen heeft het heel wat te lijden gehad van de veroveringszucht van met name Japan. Meerdere malen heeft het Japanse imperiale leger Korea ingenomen en alles vernield wat het tegenkwam. De laatste bevrijding, met de capitulatie van Japan in WOII, heeft het moeten kopen met het halve grondgebied, dat onder invloed van communistisch China kwam. De Koreaanse oorlog die daar snel op volgde is een pijnlijk voorbeeld van een zinloze strijd: de grens tussen Noord en Zuid heeft in drie jaar vechten overal gelegen, maar is ten slotte maar enkele kilometers verschoven. In het decennium erna hebben nog eens 300.000 Zuid-Koreanen hun leven gewaagd (waarvan 5000 verloren) op dat andere slagveld van de Koude Oorlog: Vietnam.

Maar de grootste krijgsheer uit de Koreaanse historie is natuurlijk een Nederlander, zo moest ook onze gids erkennen. Op de vriendschap der volkeren!

ps aug. 2013: Hiddink; Hi-Ding-Gu; He-Thinks-Good. Dat is de Koreaanse etymologie. 

index

eten in china

1.
‘Hello my friends! Can I help you?’ Er stond een Chinees aan onze tafel met strak achterover gekamd haar. Hij sprak hees en gerekt. Hij kwam als geroepen, want het voltallig bedienend personeel stond verwachtingsvol om ons heen, zonder aan te dringen, maar klaar om de bestelling op te nemen. Er was een handig plaatjesmenu, maar we hadden keus uit meer dan honderd gerechten, die op het eerste gezicht allemaal veel op elkaar leken, in elk geval allemaal dezelfde vaag-bruine kleur hadden, en omdat we er niet voor voelden dierengeluiden na te doen  was het moeilijk vast te stellen in welke schotel rund zat, varken, kip, ingewanden of hond. ‘Is this pork?’ ‘Yes! Yes!’ ‘So it’s no beef?’ ‘Yes!’ ‘So it might be chicken then?’ ‘Yes!’ We kwamen dus niet verder dan Tsing Tao Beer, hoewel van die drie woorden alleen het laatste verstaan werd. Er kwamen grote flessen (0,6 liter) en plastic tweesloks bekertjes.

Maar nu hadden we Richard Lau, een wijnhandelaar die in Australië had gestudeerd en in Amsterdam had gewoond, ‘close to Heineken’. Hij bestelde gefrituurde aubergine, gebakken garnalen en een soort beef teriyaki. Ook liet hij een fles lokaal gedestilleerd komen om met ons te toosten.  Hij bleef bij ons tot de gerechten kwamen (binnen vijf minuten), steeds weer bier bijschenkend. De bodem van de bekertjes mocht niet in zicht komen, maar dat dreigde na elke slok te gebeuren. Toen Richard naar zijn tafel terugging bleef een bediende bij ons staan om ons voortdurend van thee en bier te voorzien, hoewel de theepot en de bierflesjes op tafel stonden. We proefden alles, en het smaakte, en al snel was Richard terug, nu met een van zijn tafelgenoten. ‘My friends. Let me introduce you to my friend here. He works at the traffic department, so if you need anything, anything at all, just ask him.’ We schudden handen en brachten een toost uit. De verkeersambtenaar was duidelijk niet op z’n gemak. Vijf minuten later stond Lau er weer. ‘My friends. Let me give you this. I’m in the wine business. Also, I organize tourist trips. So if you want to dive, to cycle, to be driven around… Just let me know!’ We kregen een kaartje en er werd geklonken. ‘I’m a businessman you know!’

Businessman is in dit arme deel van China – we waren op het zuidelijke, tropische eiland Hainan – ongetwijfeld een begerenswaardige positie, en Richard beheerste vanaf zijn grote, ronde tafel in het midden van de eetzaal het hele restaurant. Een ander westers gezelschap was binnen gekomen en het duurde niet lang of Richard had kennis gemaakt. ‘I’m a businessman from Australia! How do you like my food?’ Terloops kwam hij nog eens op ons drinken. Aan eten kwam hij nauwelijks toe, want aan tafel zat hij bijna nooit, nu hij diverse vriendschappen moest onderhouden. Ook aan de andere tafel werden zakenkaartjes uitgedeeld.

‘My friend,’ en hij legde een hand op mijn vaders schouder, ‘my friend, do you know this song?’, en hij zong een regel uit Sinatra’s My Way. ‘Even I know that song,’ zei ik. Dat was precies wat hij wilde horen en hij zong het hele lied, eindigend met ‘I was a singer in Amsterdam, you know’. We bedankten hem voor zijn gratis optreden en dronken op zijn gulheid. Om niemand achter te stellen zong hij ook voor de andere gasten. ‘I’m a singerrrr…. from Australia!’ En weer terug naar ons. We kregen Michelle te horen, dit keer, maar toen hij bij het Franse deel kwam klonk het: so-de-mo-la-la-la-la-te-bon-la-la-la-la, dus ik zong zachtjes voor: sont des mots qui vont très bien ensemble. Hij keek me verrast aan, kneep in m’n wang en zei streng en kort: ‘you’re drunk!’ 

2.
We hadden deze zaak aan de boulevard van Sanya gekozen omdat het er modern uitzag, omdat er een plaatjesmenu was en omdat er geen groepjes halfnaakte mannen zaten te drinken, maar in dezelfde straat zaten nog talloze andere restaurants, en in de volgende, en in de volgende… Hoewel wij Chinese toeristen niet konden onderscheiden van Chinese lokalen kregen we de indruk dat Chinezen nogal vaak uit eten gaan. Het is niet voor niets dat ze allemaal een restaurant openen wanneer ze emigreren. (Ook als Chinezen zelden uit eten blijken te gaan: er zijn heel veel Chinezen, bijna anderhalf miljard.) Als een gebouw geen restaurant huisvest, dat zit er wel een groentehandel, een vismarkt of een slijterij. De handel in whisky en cognac bloeit en grote huizen als Hennessy en Johnny Walker zetten vele miljoenen om in China.

Maar laten we eens binnenlopen in een willekeurig lokaal restaurant. De inrichting is overal: grote tafels met kleine stoelen, Chinese landschapskunst of kalligrafie aan de muur, een overdaad aan jonge vrouwelijke obers in traditionelere dracht dan je op straat ziet, en natuurlijk tl-verlichting. Boven Richard Laus stamtafel bijvoorbeeld hing een tl-kroonluchter. Het ligt voor de hand Chinese restauranthouders een gebrek aan smaak toe te schrijven (in de loop van onze reis stapelde het bewijs daarvoor zich op), maar mogelijk heeft het fel-witte licht gewoon een voor de hand liggende functie: je kunt er goed in zien wat je eet. In Amsterdam is een restaurant waar je in het donker eet, wat de smaak ten goede schijnt te komen, maar in China zou ik dat niet aandurven, en voor de Chinezen zelf geldt dat misschien ook. Voor je weet wordt je koe voor hond verkocht. (Hond is van de twee de delicatesse.) Als deze verklaring juist is, is er nog steeds een probleem met smaak omdat bijna alle Chinese gerechten er tamelijk onaangenaam uitzien. De Italiaanse keuken is warm-rood met crème-wit en fris-groen, maar op een Chinees bord is alles bruin.

Van een ding kun je zeker zijn:  vis die je bestelt is vers. De restaurants aan Sanya’s boulevard hebben allemaal een muur met aquaria zoals je bij ons in dierenwinkels ziet – en daarin zwemmen niet alleen kreeften, maar tientallen soorten vis. Je kiest, de vis wordt opgevist, doodgeslagen en gewogen en tien minuten later ligt-ie op je bord met opgezette ogen en een steeltje koriander in z’n bek. Wie genoeg heeft van poon, zeebaars of pijlinktvis kan eens murene bestellen – duur, maar overal verkrijgbaar - en voor de echte levensmoede Chinees is kogelvis een optie. In Japan volgen koks een speciale opleiding voor het bereiden van kogelvis – die genoeg gif onder z’n schubben en stekels heeft om dertig man te doden - in het Westen kun je slechts bij enkele sterrenrestaurants terecht, maar op elke straathoek in China snijden ze er een voor je open. Het is een gok, maar de kans is groot dat je het overleeft wanneer je niet binnen vierentwintig uur sterft. Japanners zeggen: je bent gek als je kogelvis eet, maar je bent ook gek wanneer je het niet eet.

Ik heb een voorliefde voor vismarkten en in Macau liepen we een loods binnen met zeker honderd stands waar een enorme variatie aan schelpdieren, krabben, kreeften, kikkers en vis aangeboden werd. De zoöloog in mij genoot nog meer dan de consument, vooral omdat alle waar nog in leven was. Heremietkreeften verscholen zich in hun gevonden schelp, zeeslakken kropen rond in hun stalen biotoop, vissen, die nat bleven en ademden in een dun laagje water, spartelden en probeerden met krachtige golfbewegingen weg te komen uit hun bak – wat soms lukte, waardoor ze op de vloer belandden – kikkers wachtten met vastgebonden achterpootjes  hun noodlot af... Sommige vissen krijgen een klap op de kop, of worden onthoofd voor ze in een plastic zak met een klant mee naar huis gaan, andere sterven onderweg. De kikkers – je weet het niet – leven misschien nog uren in een keukenla.

Er is wel wat af te dingen op deze praktijk, maar ik ben vlees- en viseter, en alles wat ik zeg is hypocriet. Elke consumptievis komt ontijdig en onprettig aan zijn eind – de één op een Volendamse vissersboot onder een stapel lotgenoten, de ander door het mes van een Macauer marketenter. En zelfs vissen die door de mazen van het net ontsnappen kunnen morgen de maag van een haai binnenzwemmen, of doodgebeten worden door een zeeslang. 

3.
De Chinese tafelmanieren zijn – hoe zal ik het eens zeggen – anders dan bij ons. Het begint al bij het binnengaan van een restaurant. Je wacht bij de deur, en het personeel staat je aan te kijken. Na enige tijd lopen ze op je toe en je vraagt om een tafeltje. Ze kijken om zich heen alsof je vroeg: weet u ook waar China ligt. Uiteindelijk kies je zelf maar een plek. Een kleinigheid natuurlijk, maar ongemakkelijk voor wie gevoelig is voor (Nederlandse) etiquette.

Welk tafeltje je ook kiest – mes en vork zul je er niet op aantreffen. Chinezen eten, zoals bekend, alles met stokjes (behalve soep, daar hebben ze aardewerken lepeltjes voor). Vlees moet voorgesneden worden geserveerd, anders kun je er niets mee en rijst, tja, dat blijft behelpen. Om niet al te veel te knoeien wordt het bord naar het gezicht gebracht en de rijst zo ongeveer in de mond geschoven – een manier van eten die in Nederland op weinig aanmoediging zou kunnen rekenen. Van toeristen wordt verwacht dat ze ook met stokjes eten, tót ze het daadwerkelijk proberen, dan wordt er met veel gelach (uitlachen kan nooit zo onbeleefd zijn als bij ons, want het gebeurt continu) bestek gebracht. Soms is dat een valkuil, want zodra je je bestek gebruikt komt iemand aan tafel voordoen hoe stokjes werken. Er zijn volgens mij maar twee uitzonderingen op de regel dat stokjes onpraktisch zijn: bij het eten van sushi en wanneer je zoveel wilt drinken dat je een vrije hand nodig hebt om je glas vast te houden.

Een hardnekkig vooroordeel wil dat Chinezen boeren tijdens of na het eten. Niet alleen bleek deze bewering waar – ze gaat niet ver genoeg. Chinezen boeren tijdens hun eten, maar ook tijdens andermans eten - een ober die boert terwijl hij een bestelling afwacht!  Maar nog veel onsmakelijker dan dat geboer is het gerochel en gespuug. De hele dag door, vooral op straat, maar ook uit autoraampjes of in theehuizen, en ik neem aan thuis, wordt er slijm opgebracht en tegen de grond gespuugd. Je zit te eten en naast je kwat iemand op de vloer. In sommige zaken staat een emmertje naast de tafel waarin je kunt mikken. Het is dat smerige geluid, maar ook de wetenschap dat je steeds in een fluim kunt gaan staan. Aanvankelijk dacht ik dat alleen mannen het deden, en dat vrouwen het maar te accepteren hadden (ik hoopte dat ze het diep in hun hart ook onsmakelijk vonden), maar nee hoor, vrouwen doen er gewoon aan mee – ze rochelen, ze spugen, ze boeren. (De boerende ober was trouwens een vrouw.)

 Hoewel het woord appetizer wijd verspreid is en algemeen bekend onder restauranthouders en bedienend personeel weet niemand wat het betekent of welke rol het vervult in de keukens waar het woord vandaan komt – zo’n eetlust opwekkend hapje wordt op een willekeurig moment tijdens het tafelen geserveerd, namelijk – net als alle andere ‘gangen’, bijvoorbeeld rijst – wanneer de kok het klaar heeft. Er wordt geen enkele volgorde aangehouden, en ook drankjes – die vast nog even snel in de vriezer worden gelegd – hoeven niet gelijktijdig te arriveren.

Een algemeen gebruik, dat niet erg gastvrij overkomt maar een zeker nut heeft, is het achterlaten van een doorslag van de bestelling op het tafeltje. De ober die een gerecht brengt streept het af op het papiertje, zodat later geen discussie kan ontstaan over wat wel en niet besteld en gebracht is. (Behalve natuurlijk wanneer je geen Chinees kunt lezen.)

4.
In Hong Kong werden we meegenomen naar een dessertrestaurant, een restaurant waar je niets anders kunt krijgen dan toetjes, taartjes, ijs, fruit en smoothies, en dat de hele dag aanloop heeft. (Ook het woord dessert, van desservir, afruimen, is ontdaan van alle banden met zijn oorsprong.) Het interieur was Japans: simpele, strakke vormen; simpele, felle kleuren. De klanten zaten op krukjes aan lange tafels. De kaart stond vol met hoekige, kleurige, zoete gerechtjes. Mijn indruk was dat de Hong Kongers over het algemeen dol zijn op allerlei soorten pudding en gelei. Als bijgerecht kregen we vier crèmekleurige balletjes, een soort grote gnocchi die vooral ook erg naar gnocchi smaakten. Ik had groene thee-ijs in een papje van doorzichtige rijst (die eruit zag als kaviaar) met daarin drijvend zwarte blokjes kruidengelei met lichte pepersmaak. Na verkoelend ijs kwam er warm water op tafel – nog nét wat flauwer dan Chinese thee – om de bloedvaten weer te verwijden.

Onze tafelgenotes verwachtten bij alles dat we het niet zouden lusten (eerder op de dag hadden we al kool gegeten, allerlei soorten dim sum waaronder met soep gevulde dumplings, en eieren waarvan op de een of andere manier het wit hardgekookt was, maar het geel nog rauw) en geloofden er niets van als we toch genoten van onderwaterkokosnoot. (Een vrucht waarvan ik het bestaan nog niet bevestigd heb gezien.) Als we dan toch zo dapper waren, en tot alles bereid, wilden we dan misschien – of nee, zo ging het niet helemaal. De eigenaresse van het restaurant, een grote vrouw van in de vijftig, kwam bij ons en sprak gedempt Chinees met ons lokale gezelschap. Er werd wat overlegd en gelachen en toen kwam de vertaling: ‘She is afraid to look at you, but wonders if you want to try the King of Fruits: Durian.’

Met het bestaan van de doerian ben ik wel bekend, omdat ik al jaren een kartonnen verbodsbordje op mijn kamer hebt staan, gestolen uit een Thais hotel, met een doerian en een rood kruis erdoor. De Fruitkoning verspreidt kennelijk zo’n penetrante stank dat hoteliers hem niet in hun kamers willen. In veel Aziatische steden wordt doerian ook uit het openbaar vervoer geweerd. Dat wilden we dus wel eens proeven. ‘No! Don’t!’ werd er geroepen. ‘Is it like garlic?’ ‘No, worse! Worse! Worse than you can imagine. I don’t want to sit next to you anymore if you eat it.’ Ik was niet van plan me te laten chanteren en wilde het althans proeven. Er kwam een schotelje op tafel met een kleine portie doerian. Ik nam een hapje en wist in elk geval direct dat ik het nooit eerder gegeten had. Aanvankelijk smaakt het dus naar… doerian, maar het heeft de nasmaak van een salade die ik ’s zomers wel eens maak, met ui, avocado en aardbei. De intensiteit is vergelijkbaar met knoflook, maar de geur is sterker. Alle ophef rondom deze vrucht leek me wat overdreven, maar toch enigszins afgeschrikt door de voorspelde slechte adem liet ik het bij één hapje. De dame, die kennelijk had staan gluren, kwam uit de keuken gesneld en zei weer iets tegen het meisje naast me. ‘Eh, Djost, you have to finish it. Durian is very expensive, you see, this is really generous of her. She tells me that she has clients who come here especially to eat durian.’ Om niemand te schofferen at ik m’n bordje leeg, waarna het meisje me een kauwgompje gaf. Dat leek mij nou weer onbeleefd, maar in de wetenschap dat de gulle gastvrouw me toch niet aankeek stopte ik het ik m’n mond – zinloos, want steeds als ik die dag een boer liet kwam de doerianlucht opborrelen en mijn rochels kleurden oranje…

index

lekkere wijven aan de waal


Terwijl Tim de wegwerpbarbecue aansteekt smeer ik sneetjes stokbrood. We hebben honderd kilometer gefietst, van Roermond naar het vierdaags drukke Nijmegen en zijn op een camping aan de Waal beland. De andere kampeerders zijn wandelaars of juichers. Wij wachten met de tent tot zonsondergang - omdat het nog te warm is, omdat we nog geen zin hebben in constructie, omdat we willen eten - en bezetten een picknicktafel. De buurman ziet de fietsen en vraagt of we ook wandelaars zijn. 'Dat gaat ons wat te traag.' 'Maar je ziet wel meer!', is het onweerlegbare antwoord, dat we zelf altijd paraat hebben voor gemotoriseerde toeristen. Het vlees braadt, en in de grote plastic zak die Tim gevuld heeft met koud water koelt ons witbier. Na het eten gooien we een opvouwbare frisbee over en regelmatig moet ik onder een tafeltje kruipen of smal tussen een tent en het washok door om het ding weer terug te vinden. Als het echt donker dreigt te worden ga ik de afwas doen, en Tim zet - voor het eerst, hij heeft al dagen kunnen zien hoe het moet - het tentje op. 

'Heb je geen zeep?' merkt een vrouw op, die bij de wastafels leiding geeft aan haar man.
'Geen ruimte voor, ik boen gewoon hard.'
'Maar zonder borstel? Hé! Dat bord is niet schoon!' vervolgt ze, tot mij, resp. de echtgenoot.
'Ik heb een schuurspons, die neemt minder ruimte in.'
'Maar die maakt krassen op je servies.'
'Het is maar plastic.'
'Daarom juist.'

Tim slaat met een klinker de haringen de grond in en terwijl ik in mijn strakke fietsbroek met de schoongesponste borden over het trekkersveld loop vang ik een stukje conversatie op van een Amsterdams gezin: '...natuurlijk! Je ziet duidelijk dat die ene het vrouwtje is...' Ik houd mijn lachen in, meng me niet in het gesprek en loop naar ons plekje. 'Ze denken dat we het met elkaar doen en dat ik onderop lig.' zeg ik, en ik vertel de toedracht. We vouwen onze lightweightkrukjes uit en nemen er een biertje en een voetbalblaadje bij (om de torso's natuurlijk). Twee van de speculantes - leeftijd en verschijningsvorm oudere zus - komen buurten.
'Goh, het is wel een krap tentje hè?' Wij beamen dat. 'We dachten al: ze moeten elkaar wel érg aardig vinden.'
'Ik vind je ook erg aardig hoor,' verzeker ik Tim, die helemaal niet verguld lijkt met mijn hartelijkheid.
'We hebben echte stoeltjes voor jullie, dan kun je een beetje lekkerder zitten.' Nu zijn de vouwkrukjes onze trots, waarmee je voor je tent kunt zitten, maar ook in de berm, of in het halletje van de trein, maar deze stoelen, met metalen frame, verende zittingen en bekerhouders, konden we niet weigeren. 'O, dat is heel aardig. Eindelijk een rugleuning.'
'Gooi ze maar voor onze tent morgenochtend. Jullie vertrekken zeker vroeg?'
-'Ja', zei Tim, en 'neuh', zei ik, elkaars voornemen uitsprekend.

Nog maar net met kont en blikje in de stoelen geïnstalleerd loopt de volgende buurtbewoner langs. Hij draagt een vaal oud vierdaagseshirt. 'Lekker met z'n tweeën op stap jongens? Mooi hoor. Gewoon doen waar je zin in hebt! Niets aantrekken van wat mensen zeggen hoor, jongens!'
'Tja, fietsen is niet zo modieus, maar we doen het graag. Je ziet zo veel...' maai ik het gras voor z'n voeten weg. '...niet zoveel als een wandelaar, maar toch...' vul ik nog even aan. Niets wijzer vervolgt de man zijn avondwandeling, zodat de volgende visser zich aan kan dienen. 'Hé jongens, fantastisch toch, zo onderweg zijn? Wel een krap tentje trouwens... Slaapt dat nou lekker? Ah, biertje erbij! O, is het witbier? Maar die vrijheid! En de omgeving is ook zo machtig mooi hè? Lekker over de dijk banjeren - of fietsen natuurlijk - en 's avonds Nijmegen in hè? Stappen! Overal mooie meisjes joh!' 'De wereld is vol met prachtige mensen', wil ik zeggen, of zoiets, maar Tim is me voor: 'Aha! Lekkere wijven!'

index







op alle teksten rust copyright