vertalingen

gedichten (lermontov)
herinneringen aan mijn kindertijd en jeugd (ernest renan)
leven van jezus (ernest renan)
de drie doden van dokter austino (varlam sjalamov)
mijn muzikale leven (nikolaj rimski-korsakov)
autobiografische aantekeningen (nikolaj mjaskovski)
een onuitsprekelijk verdriet (osip mandelstam)
terug



-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
--
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-

-
-
-
fragmenten uit Souvenirs d'enfance et de jeunesse,
 Ernest Renan, 1883


Uit: het kleinseminarie van saint-nicolas du chardonnet

Velen die mij een heldere geest toeschrijven verbazen zich erover dat ik in mijn kindertijd en jeugd een geloof heb kunnen aanhangen waarvan de onmogelijkheid zich later overduidelijk aan mij geopenbaard heeft. Niets is echter minder natuurlijk, en het is goed denkbaar dat als een gebeurtenis van buitenaf me niet ruw had weggerukt uit het eerlijke maar bekrompen milieu waar mijn kindertijd zich afspeelde, ik mijn hele leven het geloof had behouden dat mij destijds de absolute uitdrukking van de waarheid scheen. Ik heb verteld hoe ik onderwezen werd in een kleine school van uitstekende priesters, die mij Latijn leerden op de oude manier (de juiste manier), dat wil zeggen met vervelende boeken, zonder methode, bijna zonder grammatica, zoals in de 15e en 16e eeuw Erasmus en de humanisten het leerden – de grootste kenners sinds de oudheid. Deze waardige geestelijken waren de meest respectabele mensen ter wereld. Zonder iets te weten van wat men nu pedagogiek noemt brachten ze de voornaamste regel van onderwijs in de praktijk, namelijk het niet vergemakkelijken van opdrachten waarvan het doel het overwinnen van de moeilijkheid is. Ze streefden er bovenal naar deugdzame mensen van ons te maken. Hun lessen in goedheid en moraliteit, die me een dictaat van het hart en de deugd zelf leken, waren voor mij onlosmakelijk verbonden met het dogma dat zij onderwezen. Het historisch onderwijs dat ik kreeg bestond uitsluitend uit het lezen van Rollin1. Van kritiek, natuurwetenschap of filosofie kon natuurlijk nog geen sprake zijn. Wat betreft de nieuwe 19e-eeuwse ideeŽn over literatuur en geschiedschrijving, die al door zovele welbespraakte tongen beleden werden – die negeerden mijn goede leermeesters volledig. Een volmaakter isolement was er niet. Een smetteloos royalisme sloot de mogelijkheid zo goed als uit om zonder afschuw over de Revolutie en Napoleon te spreken. Over het Keizerrijk hoorde ik alleen van de conciŽrge. Hij had op zijn kamertje veel populaire platen hangen. 'Dit is Napoleon', zei hij me eens toen hij een van die platen liet zien, 'Dat was nog eens een patriot, die man!' Over de eigentijdse literatuur: nooit een woord. De Franse literatuur eindige bij abt Delille2. Men kende Chateaubriand, maar geleid door een betere intuÔtie dan die van de zogenaamde neo-katholieken, die vol zijn van naÔeve illusies, wezen die goede priesters hem af. Een Tertulliaan3 die zijn Apologeticum4 opleukte met Atala en Renť5 boezemde hen weinig vertrouwen in. Lamartine verontrustte hen nog meer; bij hem vermoedden ze een weinig solide geloof; ze zagen zijn vluchtgedrag. Al deze observaties deden hun orthodoxe rechtschapenheid eer aan, maar ze resulteerden in een zeer beperkte horizon voor hun leerlingen. De Studieverhandeling6 van Rollin staat middenin de kringen van vrome middelmatigheid waarin mijn uitverkoren meesters verkeerden. Zodoende was het onderwijs dat ik na de Revolutie van 1830 kreeg hetzelfde als dat gegeven werd in de strengst godsdienstige milieus twee eeuwen eerder. Daar werd het overigens niet slechter van; het was goed, sober onderwijs, zeer vroom, maar niet erg jezuÔtisch, dat vele generaties heeft gevormd in het oude Frankrijk, en waar men zo serieus en christelijk van wordt. Opgevoed door deze meesters […] kan het me dus vergeven worden dat ik met twaalf of vijftien jaar in de waarheid van het christendom geloofde. Mijn achtergrond verschilde niet van die van vele scherpe geesten uit de 17e eeuw, die religie boven twijfel verhieven, wat ze er niet van weerhield over al het andere zeer duidelijke ideeŽn te hebben. Later leerden ik dingen die me afstand deden nemen van het christelijk geloof, maar je moet de geschiedenis en de menselijke geest geheel negeren om te miskennen wat deze eenvoudige, krachtige en eerlijke leer teweeg heeft gebracht bij de beste denkers.

De basis van dit oude onderwijs was een streng moralisme, dat als onafscheidelijk van de religieuze praktijk werd beschouwd; de opvattingen dat het leven in dienst staat van de waarheid. De strijd om zich te ontworstelen aan overtuigingen die deels weinig rationeel zijn had zijn voordelen. Uit het feit dat een Parijse kwajongen met een geintje het geloof opzij schuift waarvan de geest van een Pascal zich niet wist los te maken, kan men niet concluderen dat Gavroche7 superieur is aan Pascal. Ik geef toe: het beschaamt me soms dat het me vijf, zes jaar koortsachtig onderzoek en studie van het Hebreeuws, de semitische talen en het werk van Gesenius8 en Ewald9 heeft gekost om tot dezelfde conclusie te komen waar die snotneus al direct op uitkwam. Vader Hardouin10 heeft gezegd dat hij niet veertig jaar lang om vier uur was opgestaan om hetzelfde te denken als iedereen. Ik kan me niet meer verdragen dat ik zoveel moeite zou hebben gedaan om een pure hersenschim11 te bestrijden. Nee, ik kan niet geloven dat mijn werk ijdel was, noch dat theologie zo eenvoudig omver te werpen is als de lachers beweren. Eigenlijk hebben maar weinig mensen het recht niet in het christendom te geloven. Als iedereen eens wist hoe sterk de netten zijn die de theologen geweven hebben, hoe moeilijk het is de mazen te vinden, wat een eruditie daaraan besteed is, wat een doorzettingsvermogen het vergt dat alles te ontvlechten..! Ik heb grote denkers gekend die te laat aan deze studie begonnen, verstrikt raakten en niet los konden komen.

Mijn meesters leerden me overigens iets wat veel meer waard is dan kritiek of filosofische wijsheid: ze brachten me liefde voor de waarheid bij, respect voor de rede, de ernst van het leven. Zie daar het enige in mij dat nooit veranderd is. Ik ging zodanig moreel voorbereid op alle beproevingen bij hen weg dat de Parijse lichtheid dat sieraad vervolgens kon poetsen zonder het te veranderen. Ik was zodanig gemaakt voor het goede, voor het ware, dat het me onmogelijk was een loopbaan te kiezen die niet gewijd was aan het welzijn van de ziel. Mijn leermeesters had me zodanig ongeschikt gemaakt voor elke aardse besogne, dat ik onherroepelijk tot het geestelijk leven veroordeeld was. Dat leven scheen me het enig nobele; elk lucratief beroep leek me serviel en onwaardig. Van dat mooie en gezonde doel van het bestaan dat mijn professoren me hadden ingeprent, heb ik nooit afstand genomen. Ik geloof niet langer dat het christendom de bovennatuurlijk samenvatting is van wat de mens moet weten; maar ik blijf geloven dat het bestaan op aarde geheel zinloos is, als men het niet opvat als een grootse en voortdurende opdracht.

Oude en dierbare leermeesters, nu bijna allemaal dood, uw beeltenis verschijnt vaak in mijn dromen, niet om me te berispen, maar als een mooie herinnering. Ik ben u niet zo ontrouw geweest als u denkt. Ja, ik heb gezien dat uw kennis van de geschiedenis onvoldoende was, uw kritiek nog ongeboren, dat uw natuurfilosofie ver onder het niveau bleef van die die ons als fundamenteel dogma doet aanvaarden: er is geen bovennatuurlijk wezen – niettemin ben ik nog altijd uw leerling. Het leven heeft geen waarde als het niet gewijd is aan het goede en het ware. Van dat goede hebt u een wat bekrompen opvatting. De waarheid maakt u te materieel, te concreet; maar eigenlijk hebt u gelijk en ik bedank u ervoor dat u mij als een tweede natuur het beginsel hebt meegegeven – funest voor het wereldse welslagen, maar een vruchtbare bodem voor geluk – dat het doel van een nobel leven een ideŽel en belangeloos streven moet zijn.

Mijn hele omgeving leerde me dezelfde waarden, dezelfde levensopvatting. Mijn klasgenoten waren voor het merendeel jonge boerenzonen uit de omgeving van Trťguier; krachtig, gezond, dapper, en, zoals alle mensen in een minderwaardige beschaving, geneigd tot een soort manlijke aanstellerij, tot een overdreven respect voor lichamelijke kracht, en tot een zekere minachting voor vrouwen en voor dat wat hen vrouwelijk leek. Ze wilden bijna allemaal priester worden. Wat ik daar aanschouwd heb heeft me bevattelijk gemaakt voor het doorgronden van historische fenomenen die zich voordoen bij het eerste contact van een energiek barbarisme met de beschaving. De intellectuele situatie onder de Germanen in de tijd van Karel de Grote, de psychologische en literaire positie van een Saxo Grammaticus, een Hrabanus Maurus, is glashelder voor me. Het Latijn heeft vreemde effecten op zulke krachtige denkers. Het was of mastodonten een cultuur ontwikkelden. Ze namen alles serieus, net zoals de Lappen zouden doen als je hen een Bijbel te lezen zou geven. […]

1 Franse historicus en letterkundige (1661-1741)

2 Franse dichter (1738-1813)

3 Volgeling van Tertullius, kerkvader (ca. 160-230)

4 Tertullius' bekendste werk. Renan doelt op Chateaubriands apologetische boek 'Le gťnie du Christianisme'

5 Romans van Chateaubriand

6 Traitť des …tudes, Rollins standaardwerk over Franse literatuur

7 Personage uit Victor Hugo's Les Misťrables

8 Duitse linguÔst en theoloog (1786-1842)

9 Duitse oriŽntalist en theoloog (1803-1875)

10 Franse jezuÔtische classicus (1646-1729)

11 'chimaera bombinans'



-

fragmenten uit Vie de Jťsus, Ernest Renan, 1863
(bijbelcitaten komen uit de Groot Nieuws Bijbel van 1998 - her en der komem nog inconsistenties voor, met name wat betreft hoofdlettergebruik en meervoudsvormen)

Uit: Voorwoord bij de dertiende editie


   
[...] Ik heb het reeds gezegd en ik herhaal het: als men zich bij het beschrijven van het leven van Jezus ertoe noopt niets anders te vermelden dan zekerheden, zou men zich moeten beperken tot enkele regels. Hij heeft bestaan. Hij kwam uit Nazareth in Galilea. Hij predikte met charme en liet aforismen na die zich diep in de herinnering van zijn discipelen hebben genesteld. Zijn twee voornaamste discipelen waren Petrus en Johannes, zoon van Zebedeus. Hij wekte de haat van orthodoxe joden, die erin slaagden hem door Pontius Pilatus, destijds prefect van Judea, ter dood te laten veroordelen. Hij werd gekruisigd buiten de stadspoort. Men gelooft dat hij even later is wederopgestaan. Dat is wat we met zekerheid zouden weten uit teksten van een onbetwistbare authenciteit en datering, zelfs als de evangeliŽn niet zouden bestaan, of leugenachtig zouden zijn. [...]

Plek van Jezus in de wereldgeschiedenis (hoofdstuk 1)

De voornaamste gebeurtenis in de wereldgeschiedenis is de revolutie waarbij het meest beschaafde deel van de mensheid zijn oude religies, die we verzamelen onder de vage noemer paganisme, verruild heeft voor een religie gebaseerd op monotheÔsme, de drie-eenheid en de menswording van Gods zoon. Deze bekering heeft bijna duizend jaar geduurd. De nieuwe religie had minstens drie eeuwen nodig om vorm te krijgen. Maar de oorsprong van bedoelde revolutie is een gebeurtenis die plaatsvond tijdens de regeringen van Augustus en Tiberius. Er leefde toen een superieur persoon, die door zijn onverschrokken initiatief en de liefde die hij opriep het onderwerp werd en het vertrekpunt schiep van het toekomstige geloof van de mensheid.

Sinds hij zich onderscheidde van de dieren is de mens religieus geweest, dat wil zeggen zag hij in de natuur iets voorbij de werkelijkheid, en voor zichzelf iets voorbij de dood. Die gedachtegang heeft gedurende duizenden jaren de vreemdste wendingen genomen. Bij veel rassen ging het nooit verder dan het geloof in geesten, in de primitieve vorm die we nog steeds aantreffen in sommige delen van OceaniŽ. Bij enkele volkeren leidde het religieuze bewustzijn tot de beschamende slachtingen die de oude religie van Mexico karakteriseren. Andere landen, vooral in Afrika, bleven steken in afgoderij, dat wil zeggen de aanbidding van een voorwerp dat men bovennatuurlijke krachten toekent. Zoals de liefde, die bij gelegenheid nog de meest vulgaire mens boven zichzelf uit doet stijgen, soms overgaat in perversie en ruwheid; zo heeft deze goddelijke neiging tot gelovigheid lange tijd op een gezwel kunnen lijken dat moest worden weggesneden uit de menselijke soort, en was ze aanleiding tot dwalingen en misdaden die door wijze lieden moesten worden bestreden.

De schitterende beschavingen die zich al vroeg ontwikkelden in China, BabyloniŽ en Egypte lieten enige religieuze vooruitgang zien. China bereikte snel een soort doorsnee gezond verstand, dat het behoedde voor grote dwalingen. Het heeft noch de voordelen, noch het misbruik van religie gekend. In elk geval heeft het wat dat betreft geen enkele invloed gehad op de richting waarin de mensheid zich zou ontwikkelen. De religies van BabyloniŽ en SyriŽ kwamen nooit los van een vreemdsoortig, sensueel karakter; die religies bleven, tot hun ondergang in de vierde en vijfde eeuw van onze tijd, scholen van immoraliteit, waaraan af en toe, dankzij een soort poŽtische intuÔtie, heldere inzichten in het goddelijke ontsnapten. Egypte wist, ondanks kennelijke afgoderij, al vroeg tot metafysische wetten en een geopenbaard symbolisme te komen. [Maar...] het geloof van de mensheid komt niet uit Egypte. De elementen van de christelijke religie die, via duizend omwegen, uit Egypte en SyriŽ komen zijn vormelijkheden met weinig gevolg – slak dat zelfs in de zuiverste culten achtergebleven is. De grote tekortkoming van de religies waarover we spreken was hun bijgelovige karakter; ze hebben de wereld miljoenen amuletten en abrasaxen gebracht. Van een door seculair despotisme vernederd en aan de onderdrukking van persoonlijke vrijheden gewend geraakt volk kon geen grootse morele gedachte uitgaan.

De poŽzie van de geest, geloof, vrijheid, eerlijkheid en toewijding zijn op aarde onstaan met de twee grote rassen die, in zeker opzicht, de mensheid hebben gevormd, ik bedoel het Indo-Europese en het Semitische ras. De eerste religieuze intuÔtie van het Indo-Europese ras was in essentie naturalistisch. Maar het was een diepzinnig en moreel naturalisme, een liefdevolle omhelzing van de natuur door de mens, een delicate poŽzie, vol van het idee van oneindigheid, het principe dus dat het Germaanse en Keltische genie, dat Shakespeare, dat Goethe, later zouden uitdrukken. Het was geen religie of moraliteit; het was melancholie, tederheid, verbeeldingskracht; en bovenal een grote ernst –onmisbare voorwaarde voor religie en moraliteit. Het geloof van de mensheid kon daar echter niet vandaan komen, omdat deze oude culten veel moeite hadden het polytheÔsme los te laten en niet tot een voldoende heldere leer kwamen. Het brahmanisme heeft alleen maar standgehouden tot in onze tijd dankzij een verbazende hang naar behoud die India eigen schijnt te zijn. Het boeddhisme faalde in al zijn pogingen zich naar het westen uit te breiden. Het druÔdisme bleef een nationale aangelegenheid zonder universele reikwijdte. De Griekse pogingen tot hervorming, het orfisme, de mysteriŽn, volstonden niet om de ziel te voeden. Alleen PerziŽ slaagde erin een dogmatische, bijna monotheÔstische en wijs georganiseerde religie te ontwikkelen – maar het is goed mogelijk dat die organisatie een imitatie of een ontlening was. Hoe dan ook: PerziŽ heeft de wereld niet bekeerd; het is integendeel zelf bekeerd toen het aan zijn grenzen de monotheÔstische vlag van de islam zag verschijnen.

Het is het Semitische ras dat de eer heeft de religie van de mensheid te hebben ontwikkeld. Ver buiten bereik van de geschiedschrijving, vanuit een tent die verschoond was gebleven van de wanorde van de toen al gecorrumpeerde wereld, heeft de BedoeÔense aartsvader het geloof van de wereld voorbereid. Een sterke antipathie tegen de wellustige culten van SyriŽ, een grote rituele eenvoud, de complete afwezigheid van tempels, de afgod tot onbetekenende theraphim gereduceerd – vandaar de superioriteit. Van alle Semitische nomadenvolkeren was dat van de kinderen van IsraŽl toen al uitverkoren een bepalende rol te vervullen. Oude relaties met Egypte, met als gevolg mogelijke ontleningen die lastig te ontrafelen zijn, deden hun afkeer van afgoderij alleen maar groeien. Een īWetī, of thora, al in een vroegere tijd op stenen tafelen geschreven, volgens hen door hun grote bevrijder Mozes, was de bron van het monotheÔsme en droeg, vergeleken met de instituties van Egypte en BabyloniŽ, krachtige kiemen in zich van sociale gelijkheid en moraliteit. Een draagbare kist, verfraaid met een sphinx, met ringetjes aan de zijkanten waar draagstokken doorheen gestoken konden worden, was hun enige religieuze attribuut; daarin waren alle heilige voorwerpen van het volk verzameld: de relieken, de gedenktekens, ten slotte het īboekī, een dagboek dat altijd open lag voor het volk, maar waarin men met grote terughoudendheid schreef. De familie die verantwoordelijk was voor het dragen van de ark en waakte over zijn inhoud, die altijd op het boek kon beschikken, vergaarde snel aanzien. Daar komt echter niet de institutie vandaan die de toekomst heeft bepaald. De Hebreeuwse priester verschilt niet veel van andere priesters van de oudheid. Het kenmerk dat IsraŽl essentieel van andere theocratische volkeren onderscheidt is dat het priesterschap er altijd ondergeschikt geweest is aan individuele inspiratie. Behalve priesters had elk nomadisch volk zijn nabi, of profeet, een soort levend orakel dat men raadpleegde over obscure kwesties waarvan de oplossing een hoge mate van scherpzinnigheid vereiste. De nabis van IsraŽl, georganiseerd in groepen of scholen, waren superieur. Ze waren verdedigers van de oude democratische gedachte, vijanden van de rijken, gekant tegen elke vorm van politieke organisatie en alles wat IsraŽl in de vaart der volkeren zou betrekken, ze waren de ware werktuigen van het religieuze primaat van het Joodse volk. Al vroeg spraken zij hun onbegrensde verwachtingen uit, en toen het volk, deels als gevolg van zijn apolitieke houding, werd verpletterd door Assyrische mogendheden, verkondigden zij dat Judea voorbestemd was tot onbeperkte heerschappij, dat op een dag Jeruzalem de hoofdstad van de wereld zou zijn en dat de hele mensheid Joods zou worden. Jeruzalem met zijn tempel kwam hen voor als een stad op een berg waar alle volkeren op af zouden komen, als een orakel waar universele wetten vanuit gingen, als het centrum van een ideaal bestuur, waar het menselijk ras, tot vrede gebracht door IsraŽl, de heerlijkheden van het paradijs zou vinden.

Onbekende elementen zijn al waarneembaar die de martelaar ophemelen en de kracht van de īlijdende mensī vieren. Voor een van hen, die, net als Jeremia, met zijn bloed de straten van Jeruzalem kleurde, schreef een profeet een lofzang op het lijden en de triomf van de īdienaar Godsī, waarin alle profetische kracht van het IsraŽlische genie geconcentreerd leek: Dit zegt de Heer: īMijn dienaar zal slagen; hij zal in aanzien stijgen, de hoogste eer valt hem te beurt. Velen waren verbijsterd, zo mishandeld was hij, zo geschonden, nauwelijks nog een mens. Velen ook zal hij in verbazing brengen, volken en koningen zullen sprakeloos staan: zij zien wat hun niet was verteld, zij vernemen waarvan zij nooit hadden gehoord.ī[En zie verder Jesaja 53.]

Tegelijkertijd ondergaat de Thora ingrijpende veranderingen. Nieuwe teksten, die pretenderen de ware wet van Mozes te zijn, worden geschreven, zoals Deuteronomium, en brengen een gezindheid die sterk afwijkt van die van de oude nomaden. Een groot fanatisme was het onderscheidende kenmerk van deze stroming. Dolle gelovigen entameren onophoudelijk gewelddadigheden jegens een ieder die zich buiten de culte van Jehova plaatst; een bloedwet wordt ingevoerd, die de doodstraf voor religieuze delicten voorschrijft. Vroomheid brengt bijna altijd bijzondere, vurige of juist lieflijke, tegenstand met zich mee. Zulke geestdrift, onbekend in de primitieve eenvoud van de tijd van Richteren, inspireert tot bewogen prediking en tedere zalving waarmee de wereld tot dan toe niet bekend was. Een sterke belangstelling voor sociale vraagstukken was al merkbaar; utopieŽn en fantasieŽn over de ideale samenleving kregen een plek in de tekst. Een mengeling van patriarchale moraliteit, geestdriftige toewijding, primitieve intuÔtie en vrome fijnzinnigheid die de geest van een Hizkia, een Jozias, of een Jeremia kenmerkte, komt aldus samen in de Pentateuch zoals wij die kennen, en wordt voor eeuwen de absolute basis van de nationale gezindheid.

Toen dit boek er eenmaal was, ontvouwde zich de geschiedenis van het Joodse volk met een onstuitbare drang. De grote rijken die elkaar opvolgden in West-AziŽ ontnamen het alle hoop op wereldse heerschappij, en het richtte zich met een somber soort passie op zijn religieuze dromen. Het was weinig begaan met de nationale dynastie of politieke onafhankelijkheid en accepteerde elke regering die het vrij liet in het belijden van zijn religie en het praktiseren van zijn gebruiken. Het enige doel van het IsraŽlische volk was dus nog dat van zijn religieuze enthousiastelingen, zijn enige vijand was de vijand van de goddelijke ťťnheid, en zijn enige vaderland de Wet.

En die Wet, het moet gezegd, was zeer sociaal en moreel. Het was het werk van mensen die een hoge standaard hadden voor het leven op aarde en geloofden de juiste middelen gevonden te hebben om die te behalen. Iedereen was ervan overtuigd dat een strikte naleving van de Thora tot niets dan volmaakt geluk kon leiden. Deze Thora heeft niets gemeen met Griekse of Romeinse wetten, die weinig abstract waren en zich nauwelijks bemoeiden met kwesties van geluk of persoonlijke moraal. Je weet bij voorbaat dat de gevolgen van de Joodse wet van sociale orde zijn, en niet politiek, dat deze mensen aan het koninkrijk van God werken, niet aan een burgerrepubliek; een universele heerschappij, niet een nationaliteit of een vaderland.

Ondanks vele moeilijkheden heeft IsraŽl deze roeping bewonderenswaardig hooggehouden. Vrome mannen, verteerd door ijver voor de Wet – Ezra, Nehemia, Onias, de MaccabeeŽrs – volgen elkaar op om de oude instituties te verdedigen. Het idee dat IsraŽl een volk van heiligen is, een door God uitverkoren en met hem verbonden stam, schiet onuitroeibare wortels. Een immense verwachting neemt bezit van de mensen. De hele Indo-Europese oudheid heeft het paradijs aan het begin geplaatst; al haar dichters hebben een verloren gegane gouden tijd betreurd. IsraŽl plaatste de gouden tijd in de toekomst. De Psalmen, de eeuwige poŽzie van religieuze zielen, komen voort uit dit geŽxalteerd piŽtisme. IsraŽl wordt werkelijk en bij uitstek Gods volk, terwijl in omringende gebieden de heidense religies steeds verder gereduceerd worden; tot staats-charlatanisme in PerziŽ en BabyloniŽ; tot platte afgoderij in Egypte en SyriŽ; tot parades in de Griekse en Romeinse wereld. Dat wat de christelijke martelaren gedaan hebben in de eerste eeuwen van onze jaartelling, en wat de slachtoffers van orthodoxe vervolgingen, binnen datzelfde christendom, tot in onze tijd gedaan hebben, dat deden de Joden in de twee eeuwen die aan het christelijke tijdperk vooraf gingen. Ze protesteerden voluit tegen bijgeloof en religieus materialisme. Hun buitengewone ideeŽn, uitkomend op geheel tegenstrijdige resultaten, maakte hen in die periode het meest opvallende en originele volk ter wereld. Hun verspreiding langs de hele Mediterrane kust en hun gebruik van het Grieks, waarvan zij zich buiten Palestina bedienden, bereidden de weg voor een propaganda waarvan de samenlevingen van de oudheid, versnipperd in kleine nationaliteiten, nog geen voorbeeld kenden.

Tot de tijd van de MaccabeeŽrs had het jodendom, ondanks de volharding in de boodschap dat het op een dag de religie van de hele mensheid zou zijn, hetzelfde karakter als andere culten van de oudheid: het was een culte van families en stammen. De IsraŽliet vond zijn culte wel de beste en sprak met minachting over vreemde goden. Maar hij meende ook dat het geloof in de ware God er alleen voor hem was. Men omarmde de culte van Jehova wanneer men toetrad tot een Joodse famile – en daar bleef het bij. Geen IsraŽliet dacht eraan het buitenland te bekeren tot een culte die het erfgoed van Abraham was. De ontwikkeling van de vrome stroming, vanaf Ezra en Nehemia, bracht een veel striktere en logischer opvatting met zich mee: het jodendom werd het ware geloof in absolute zin; men liet toetreden wie dat wilde, en binnen de kortste keren was het heilig werk om zoveel mogelijk mensen binnen te halen. Ongetwijfeld bestond de ruimhartigheid waarmee Johannes de Doper, Jezus en Paulus zich verhieven boven pietluttige raciale ideeŽn nog niet: paradoxaal genoeg werd naar de bekeerlingen (proselieten) niet omgekeken en werden zij met dedain behandeld. Maar het idee van een alomvattende religie, het idee dat er iets op aarde superieur is aan het vaderland, aan het lichaam, aan de wet, het idee dat apostelen en martelaren zou maken en breken, was geboren. Elke Jood heeft voortaan een diep medelijden met heidenen, hoe goed het hen ook gaat in wereldse zin. Aan de hand van een aantal legenden, bestemd om voorbeelden te geven van ferme onverzettelijkheid (DaniŽl en zijn gezellen, de moeder van de MaccabeeŽrs en haar zeven zonen, het verhaal over het hippodroom van AlexandriŽ), proberen de leiders het volk bovenal in te prenten dat deugd bestaat uit een hechte verknochtheid met bepaalde religieuze instituties.

De vervolgingen onder Antiochus Epifanes versterkten dat idee in hoge mate. Iets vergelijkbaars gebeurde onder Nero, 230 jaar later. Woede en wanhoop brachten de gelovigen visioenen en dromen. De eerste apocalyps, het boek van DaniŽl, verscheen. Het was als een wedergeboorte van het profetisme, maar in heel andere vorm, en met een veel beter zicht op wat zich afspeelde in de wereld. Het boek van DaniŽl was de ultieme uitdrukking van messianistische hoop. De Messias was geen koning meer in de trant van David en Salomon – een theocratische, Mozes-achtige Cyrus – het was een īmensenzoonī die in een nevel verschijnt, een bovennatuurlijk wezen, in menselijke gedaante, die over de wereld kan oordelen en voorgaat in de gouden tijd. Misschien is de Sosiosch van PerziŽ, de grote profeet die de weg moet bereiden voor het koninkrijk van Ormuzd, een inspiratie geweest voor dit nieuwe ideaal. De onbekende schrijver van het boek van DaniŽl heeft in elk geval een beslissende invloed gehad op de ontwikkeling van de religie die de wereld zou veranderen. Hij heeft de regie gevoerd van het nieuwe messianisme en men kan op hem van toepassing verklaren wat Jezus over Johannes de Doper zei: īTot hem, de profeten; na hem, het koninkrijk Godsī. Enige jaren later ontwikkelden deze ideeŽn zich verder onder de patriarch Enoch. Het essenisme, dat in direct verband lijkt te hebben gestaan met de apocalyptische school, ontstond rond dezelfde tijd en heeft als ruwe schets gediend voor de grote leer die spoedig zou worden aangewend ter opvoeding van de menselijke soort.

Men moet echter niet denken dat deze zo vurige en diep religieuze beweging bepaalde dogmaīs als vehikel had, zoals daarvan sprake was bij alle twisten die uitgebroken zijn onder de rokken van het christendom. De Jood van die tijd was zo min mogelijk theoloog. Hij speculeerde niet over het wezen God; het geloof in engelen en de goddelijke hypostase, ideeŽn over het doel van het leven, waarvan de eerste zaadjes al ontkiemden, waren vrije gedachten, meditaties waaraan een ieder zich naar eigen inzicht overgaf, maar waarvan massaīs mensen nog nooit hadden gehoord. Juist de meest orthodoxe Joden waren terughoudend met zulke verbeeldingskracht en hielden vast aan de eenvoud van de leer van Mozes. Er bestond nog geen enkele dogmatische macht vergelijkbaar met die die het orthodoxe christendom de Kerk zou toeschuiven. Het is pas in de derde eeuw, wanneer het christendom in handen is gevallen van rationele rassen, gek van dialectiek en metafysica, dat de koortsachtige zoektocht naar definities aanvangt die van de geschiedenis van de kerk een geschiedenis van immense controverse maakt. Maar ook onder de Joden werd gediscussieerd: geestdriftige scholen droegen voor bijna alle vraagstukken tegengestelde oplossingen aan; maar in deze strijd, waarvan de hoofdlijnen in de Talmoed bewaard gebleven zijn, valt geen woord speculatieve theologie. De Wet volgen en handhaven omdat de Wet goed is en, indien goed gevolgd, geluk brengt – dat was het hele Jodendom. Geen credo, geen symboliek. Maimonides, product van de meest vermetele Arabische filosofie, heeft het orakel van de synagoge kunnen worden omdat hij een zeer geoefend wetgeleerde was.

Onder de regeringen van de laatste HasmoneeŽn en die van Herodes nam de geestdrift nog toe. Een onophoudelijke reeks religieuze bewegingen passeerde de revue. Naarmate de macht seculariseerde en in ongelovige handen terechtkwam leefde het joodse volk minder en minder voor het wereldse en werd het meer en meer in beslag genomen door bijzonderheden binnen hun gemeenschap. De wereld, afgeleid door andere gebeurtenissen, had geen idee van wat zich afspeelde in deze vergeten hoek van de OriŽnt. Welingelichte mannen waren echter verstandiger. De gevoelige en scherpzinnige Virgilius lijkt, als een geheime echo, in te gaan op de tweede Esajas: de geboorte van een kind brengt hem aan het dromen over universele wedergeboorte. Zulke dromen waren gemeengoed en vormden een literair genre dat men sibillen noemde. De recente vorming van het Keizerrijk sprak tot de verbeelding, het grootse tijdperk van vrede dat men betrad en de gevoelvolle melancholiek die men ervoer na een lange periode van revoluties deed overal een grenzeloze hoop leven.

In Judea waren de verwachtingen hooggespannen. Heilige personen, onder wie de legende de oude Simeon schaart, die Jezus in zijn armen zou dragen, en Anne, dochter van Phanuel, die als profetes beschouwd wordt, brachten hun leven vastend en biddend nabij de tempel door, want het heeft God behaagd hun leven niet weg te nemen zonder ze de verwezenlijking van IsraŽls hoop te laten zien. Men voelt een machtig ophanden zijn, de nadering van iets onbekends.

Deze vage melange van vergezichten en dromen, deze afwisseling van teleurstelling en hoop, deze ambities, steeds teruggedrongen door de vijandige realiteit, vonden een stem in de onvergelijkelijke man die onder algemene instemming de titel Zoon van God verleend is, en geheel terecht, want hij heeft de godsdienst een stap laten zetten die nooit geŽvenaard is en waarschijnlijk nooit geŽvenaard zal worden.

Kindertijd en jeugd van Jezus (hoofdstuk 2)

    Jezus werd geboren in Nazareth, een klein stadje in Galilea, dat daarvoor geen enkele bekendheid genoot. Heel zijn leven werd hij 'van Nazareth' genoemd, en slechts dankzij een nogal onbeholpen list heeft men hem in de legende in Bethlehem geboren kunnen laten worden. We zullen later het motief van deze veronderstelling zien, en hoe zij de onvermijdelijke consequentie was van de messiaanse rol die Jezus toegedicht is. Men weet niet precies wanneer hij geboren is. Het was onder Augustus' heerschappij, waarschijnlijk omstreeks het jaar 750 na de stichting van Rome, dat wil zeggen enige jaren voor het jaar 1 van het tijdperk dat alle beschaafde volkeren laten beginnen met zijn geboorte.

De naam Jezus die hem gegeven werd is een variant op Josuť. Het was een zeer algemene naam, maar uiteraard zocht men er later mysteriŽn in en een toespeling op zijn rol als Verlosser. Wellicht was Jezus zelf, zoals alle mystici, verrukt van zulke praatjes. Zo zijn er meer historische roepingen geweest waartoe een zonder bijbedoeling gegeven naam aanleiding gaf. Mensen met een vurige natuur leggen zich er nooit bij neer dat wat hun overkomt toeval is. Voor hen is alles zo door God bedoeld en zij zien in de meest onbetekenende omstandigheden een teken van de Voorzienigheid.

De bevolking van Galilea was zeer gemengd, zoals de naam van de streek al aangeeft. Onder de inwoners van deze provincie waren, in de tijd van Jezus, veel niet-Joden (FeniciŽrs, SyriŽrs, Arabieren en zelfs Grieken). Bekeringen tot het jodendom waren allerminst zeldzaam in zulke gemengde gebieden. Het is dus onmogelijk hier de kwestie van Jezus' afstamming op te helderen en te onderzoeken welk bloed door de aderen stroomde van de man die er het meest aan heeft bijgedragen het door bloed bepaald onderscheid onder mensen uit te bannen.

Hij behoorde tot de volksklasse. Zijn vader Josef en zijn moeder Maria waren handwerklieden die leefden van hun werk, in welvaart noch misŤre, een staat die zo normaal is in het Midden-Oosten. De ultieme eenvoud van het leven in die contreien, waar geen behoefte bestaat aan zaken die ons leven aangenaam en gerieflijk maken, zorgt ervoor dat rijkdom een bijna nutteloos privilege is en dat iedereen in vrijwillige armoede leeft. Daarbij, het totale gebrek aan smaak voor de kunsten en voor dat wat bijdraagt aan de elegantie van het materiŽle bestaan, geeft ook een huishouden waar het aan niets ontbreekt een armoedige aanblik. Los van een zekere vuiligheid en weerzinwekkendheid die de islam met zich mee heeft gebracht in heel het Heilige Land, verschilde de stad Nazareth in Jezus' tijd misschien niet veel van hoe hij nu is. In de steenachtige steegjes en de kleine viersprongen die de hutten scheiden zien we de straten waarop Jezus speelde als kind. Het huis van Josef leek ongetwijfeld veel op de armzalige boetiekjes, verlicht door het deurgat, die tegelijkertijd dienen als werkplaats, keuken, slaapkamer en die als inboedel een mat hebben, enige kussens, een paar aardewerken vazen en een beschilderde kist.

De familie, of ze nu uit een of meerdere huwelijken voortkwam, was redelijk uitgebreid. Jezus had broers en zussen, van wie hij de oudste lijkt te zijn geweest. Over hen is ons niets bekend, want het lijkt erop dat de vierde personen die doorgaan voor zijn broers, en van wie tenminste ťťn, Jacob, een belangrijke rol gespeeld heeft in de eerste jaren van de verspreiding van het christendom, zijn neven waren. Maria had namelijk een zus die ook Maria heette, die met een zekere Alpheus of Kleopas (die namen lijken dezelfde persoon aan te duiden) getrouwd was en die de moeder was van meerdere zonen die een aanmerkelijke rol speelden onder de eerste discipelen van Jezus. Deze neven, die de jonge meester volgden, terwijl zijn echte broers hem tegenstand boden, kregen de titel 'broeders van de Heer'. De echte broers van Jezus kregen, net als hun moeder, pas na zijn dood bekendheid. Zelfs toen lijken zij het aanzien van hun neven, wier bekering oprechter leek, en wier karakters oorspronkelijker, niet te hebben geŽvenaard. Hun namen zijn onbekend gebleven, zozeer dat de evangelist, wanneer hij de inwoners van Nazareth een opsomming van Jezus' volgelingen in de mond wil leggen, de namen van de zonen van Kleopas hem te binnen schieten.

Zijn zusters trouwden in Nazareth en hij bracht er de eerste jaren van zijn jeugd door. Nazareth was een klein stadje, gelegen op een open plek in het landschap dat uitziet op de toppen van het gebergte dat in het noorden de vlakte van Esdrelon begrenst. Er wonen nu drie- ŗ vierduizend zielen en dat aantal zal niet veel veranderd zijn. De winters zijn er fris en het klimaat is zeer heilzaam. Nazareth was, zoals alle joodse dorpen in die tijd, een opeenstapeling van hutjes en moet de dorre en armoedige aanblik hebben gegeven die alle dorpen in semitische landen eigen is. De huizen verschilden, naar het schijnt, niet veel van de van buiten noch van binnen fraaie stapels stenen waarmee de rijkste delen van Libanon vandaag de dag bezaaid zijn. De omgeving, daarentegen, is charmant, en geen andere plek ter wereld is zo geschikt voor dagdromen en absoluut geluk. Zelfs tegenwoordig is Nazareth nog een aangename verblijfplaats, misschien wel de enige in Palestina waar de ziel zich enigszins bevrijd voelt van de last die haar bedrukt temidden van de ongeŽvenaarde troosteloosheid. De bevolking is aimabel en goedlachs; de tuinen zijn fris en groen. Antoninus de Martelaar schetst, tegen het eind van de zesde eeuw, een betoverend beeld van de vruchtbaarheid van de streek, die hij met het paradijs vergelijkt. Enkele valleien ten westen van de stad rechtvaardigen zonder meer zijn omschrijving. De waterput waar zich voorheen het leven en de levendigheid van het kleine plaatsje concentreerde is vernield; de gebarsten stroompjes leveren nog slechts troebel water. Maar de schoonheid van de vrouwen die er 's avonds samenkomen, een schoonheid die al in de vierde eeuw werd opgemerkt, en waarin men een geschenk van de maagd Maria zag, is in opvallende mate bewaard gebleven. Het is het Syrische type, in al haar gratie, vol van verlangen. Het lijdt geen twijfel dat Maria hier bijna alle dagen kwam en met een urn op haar schouder stond te wachten tussen de andere vrouwen, die niet beroemd geworden zijn. Antoninus de Martelaar merkt op dat de joodse vrouwen, die elders neerkijken op christenen, hier vol hartelijkheid zijn. Ook in onze dagen nog zijn de religieuze twisten in Nazareth minder heftig dan elders.

Het blikveld vanuit de stad is beperkt, maar wie een stukje klimt en de vlakte bereikt waar een eeuwige bries waait, die ook de hoogst gelegen huizen verfrist, heeft een schitterend uitzicht. In het westen tekenen zich de fraaie lijnen van het Karmelgebergte af, abrupt eindigend op een steile rots, die zich in zee lijkt te storten. Verderop ontvouwen zich de dubbele bergtoppen die Megiddo domineren, de heuvels van het land van Sichem, met zijn heilige plaatsen uit de tijd van de aartsvaders, de Gilboa-gebergte, de pittorekse groep waaraan de gracieuze of verschrikkelijke herinneringen van Sulem en Endor verbonden zijn, en de Taborberg met zijn afgeronde vorm, die in de oudheid met een borst vergeleken werd. Door het dal tussen Sulem- en de Taborberg is de Jordaanvallei zichtbaar en de hoogtevlakten van Perea, die in het oosten een ononderbroken lijn vormen. In het noorden onttrekken de bergen van Safed, die zich uitstrekken tot aan zee, Acra aan het oog, maar de Golf van Haifa niet. Dat was het blikveld van Jezus. Die betoverde streek, bakermat van het koninkrijk van God, was jarenlang zijn wereld. In zijn kindertijd verliet hij zijn vertrouwde omgeving niet. Want in het noorden, op de flanken van de Hermonberg, ziet men bijna Caesarea, de meest vooruitschoven post van de heidense wereld, en in het zuiden vermoedt men, achter de al minder aanlokkelijke bergen van Samaria, het trieste Judea, uitgedroogd als door een verzengende, dodelijke wind.

Als ooit de mensheid christelijk gebleven zal zijn, maar meer begrip zal hebben van de oorsprong van haar geloof, en haar apocrieve, pietluttige heiligdommen waarop zich in primitieve tijden haar vroomheid heeft gericht zal willen vervangen door authentieke heilige plekken, dan zal ze haar tempel bouwen in Nazareth. Daar, op de plek waar het christendom ontstond, en vanwaar de activiteiten van zijn stichter uitgingen, zou de grootse kerk moeten verrijzen waar alle christenen zouden kunnen bidden. Daar, op de grond waarin de timmerman Josef en duizenden vergeten Nazareners die nooit de horizon van hun vallei overschreden hebben rusten, daar zou meer dan waar ook ter wereld de filosoof een plek kunnen hebben om de loop van het menselijk leven te overdenken, troost te vinden voor de tegenstrijdige instincten die ons teisteren, en zich te verzekeren van de goddelijke koers die de wereld volgt, ondanks zijn ontelbare onvolkomenheden en niettegenstaande de ijdelheid die alom tegenwoordig is.

Opleiding van Jezus (hoofdstuk 3)

Deze zowel grootse als bekoorlijke omgeving was Jezus' leerschool. Hij leerde lezen en schrijven, ongetwijfeld volgens de methode van de OriŽnt, die eruit bestond dat een kind een boek in handen gedrukt kreeg dat hij samen met zijn klasgenootjes hardop moest herhalen tot hij het uit zijn hoofd kende. Het is echter twijfelachtig of hij de Hebreeuwse geschriften goed kon lezen in hun oorspronkelijke taal. Zijn biografen laten hem citeren uit Aramese vertalingen. Zijn manier van exegese, voor zover ons overgeleverd is door zijn discipelen, lijkt op de toen gangbare manier, die de Targoemim en de Midrasj [commentaren bij de Thora] als resultaat heeft gehad.

In kleine Joodse dorpjes was de hazzan, de voorganger in de synagoge, de schoolmeester. Jezus bezocht de hogescholen van de geleerden, de soferim, weinig (in Nazareth was er wellicht geen), en hij bezat geen van de titels die in de ogen van vulgaire mensen het recht op kennis geven. Het zou echter een grote vergissing zijn te veronderstellen dat Jezus wat wij noemen een dommerik was. Hoger onderwijs schept bij ons een diepe kloof, wat betreft persoonlijk aanzien, tussen wie het genoten heeft en wie ervan verstoken is gebleven. In de OriŽnt was het anders; net als elders, in die goede oudheid. De onbeschaafde staat waarin bij ons degene die niet naar school is gegaan verkeert – gevolg van ons geÔsoleerde en individualistische leven – is onbekend in die maatschappijen, waar cultuur, moraliteit en bovenal de tijdgeest door continu persoonlijk contact van mens tot mens overgedragen worden. Een Arabier die geen leraar heeft gehad is vaak niettemin zeer beschaafd, want zijn tent is een soort immer geopende academie, waar door ontmoetingen van geleerde mensen grootse intellectuele en zelfs literaire bewegingen ontstaan. Welgemanierdheid en scherpzinnigheid hebben in de OriŽnt niets gemeen met wat wij educatie noemen. Het zijn juist de geschoolde mannen die voor pedant en slecht gemanierd doorgaan. In zo'n maatschappij is de onwetendheid die bij ons een man zou veroordelen tot laag aanzien een voorwaarde om grootse en oorspronkelijke dingen te kunnen doen.

Het is niet waarschijnlijk dat Jezus Grieks kende. Deze taal werd in Judea, buiten de ambtenarij en steden waar heidenen woonden, zoals Ceasarea, weinig gesproken. De moedertaal van Jezus was het met Hebreeuwse vermengde Syrische dialect dat men toen sprak in Palestina. Nog veel onwaarschijnlijker is dat hij enige kennis had van de Griekse cultuur. Die was door Palestijnse geleerden in de ban gedaan met een dubbele vervloeking van hen die 'varkens houden en filosofie onderwijzen'. Sowieso was de Griekse cultuur nog niet doorgedrongen tot kleine stadjes als Nazareth. Niettegenstaande de banvloek van de geleerden was de hellenistische cultuur door enkele Joden wel al omarmd. Onafhankelijk van de Joodse school van Egypte, waar men al tweehonderd jaar pogingen deed het hellenisme en het Jodendom te laten samensmelten, was de Jood Nicolaas van Damas in diezelfde tijd een van de meest vooraanstaande, geleerde en gewaardeerde mannen van zijn tijd geworden. Spoedig zou met Josephus Flavius een ander voorbeeld opstaan van een volledig gehelleniseerde Jood. Maar Nicolaas was enkel Joods van afkomst, Josephus verklaart onder zijn tijdgenoten een uitzondering te zijn geweest en de hele schismatische school van Egypte had zich zodanig losgemaakt van Jeruzalem dat men er niet het minste spoor van aantreft in de Talmud of de Joodse traditie. Het staat vast dat het Grieks in Jeruzalem weinig geleerd werd en dat de studie van het Grieks als gevaarlijk of zelfs kruiperig beschouwd werd, dat men het vooral geschikt vond voor vrouwen, om mee te pronken. Een waardige, serieuze man bestudeerde alleen de Wet. Toen een geleerde rabbijn gevraagd werd wanneer hij zou beginnen de kinderen 'Griekse wijsheid' te leren antwoordde hij: 'Wanneer het dag noch nacht is, want in de Wet staat geschreven: 'Gij zult dag en nacht studeren.'

Direct noch indirect drong dus enig element van de hellenistische leer door tot Jezus. Hij kende niets anders dan het Jodendom; hij had nog die eerlijke naÔviteit die een gevarieerdere cultuur altijd afzwakt. Hij had, in de schoot van het jodendom, geen idee van vaak met zijn werk vergelijkbare inspanningen van anderen. Enerzijds lijkt het ascetisme van de Essenen en de Therapeuten geen directe invloed op hem te hebben gehad, anderzijds waren de mooie pogingen tot religieuze filosofie, ondernomen door de Joodse school van AlexandriŽ, waarvan Philo, zijn tijdgenoot, de briljante spreekbuis was, hem onbekend. De vele gelijkenissen die men tussen hem en Philo aantreft, die uitmuntende maximen over de liefde van God, over liefdadigheid, over vertrouwen op God, die echo's lijken tussen het Evangelie en de geschriften van de illustere Alexandrijnse denker, komen voort uit gemeenschappelijke gedachten die de vraagstukken van de tijd deden opkomen bij alle verheven geesten.

Gelukkig voor hem bestudeerde hij niet de bizarre scholastiek die in Jeruzalem onderwezen werd en die later de Talmud zou vormen. Als enkele FarizeeŽn het al met zich meegebracht hadden naar Galilea, dan ging Jezus niet met hen om, en toen hij later met deze onnozele casuÔstiek in aanraking kwam bracht het niets dan afkeer in hem boven. Men mag echter aannemen dat de leer van Hillel hem niet onbekend was. Hillel had, vijftig jaar voor hem, aforismen geformuleerd die veel met de zijne gemeen hadden. Met zijn leven in armoede, met de zachtheid van zijn karakter, met de tegenstand die hij hypocrieten en priesters bood was Hillel een leermeester voor Jezus, als je van een leermeester mag spreken in geval van zulke originaliteit.

De boeken van het Oude Testament maakten veel meer indruk op hem. De canon van heilige boeken bestond uit twee hoofddelen; de Wet, dat wil zeggen dat Pentateuch, en de Profeten, zoals wij die nu kennen. Al die boeken gingen vergezeld van allerlei allegorische exegese die eruit probeerde te halen wat er niet in stond, maar die antwoordde aan de noden van de tijd. De Wet – die niet de oude wet van het land was, maar eerder een utopie, een kunstmatige wet, een vrome fraude uit de tijd van de piŽtistische koningen – was sinds de natie zichzelf niet meer bestuurde, onderwerp van eindeloze pietluttige interpretaties geworden. Wat betreft de Profeten en de Psalmen was men ervan overtuigd dat alle mystiek in die boeken te maken had met de Messias, en men probeerde eruit op te maken wat voor man het zou zijn die de hoop van de natie zou verwezenlijken. Jezus deelde in de algemene hang naar zulke allegorische interpretaties. Maar de ware poŽzie van de Bijbel, die voorbij ging aan de simpele exegeten van Jeruzalem, openbaarde zich aan hem in al haar schoonheid. De Wet lijkt voor hem niet veel charme te hebben gehad: die meende hij te kunnen verbeteren. Maar de religieuze poŽzie van de Psalmen sloot prachtig aan bij zijn lyrische geest; die verheven verzen bleven zijn leven lang zijn steun en toeverlaat. De profeten, vooral Jesaja en zijn opvolger in gevangenschap, met hun schitterende toekomstdromen, hun onstuimige welbespraaktheid, hun scheldpartijen afgewisseld door momenten van betovering, waren zijn ware leermeesters. Hij heeft vast ook meerdere apocriefe werken gelezen, dat wil zeggen vrij moderne geschriften waarvoor auteurs, ter wille van het gezag dat alleen zeer oude geschriften genoten, de namen van aartsvaders en profeten gebruikten. Vooral het boek van DaniŽl trof hem. Dat boek, van de hand van een geestdriftige Jood uit de tijd van Antiochus Epifanus en door hem aan een oude wijze toegeschreven, was de weerslag van de nieuwe tijdgeest. De auteur, die eigenlijk de geschiedfilosofie uitgevonden heeft, durfde voor het eerst het wereldgebeuren en de opeenvolging van rijken anders uit te leggen dan als ondergeschikt aan het lot van het Joodse volk. Jezus was sinds zijn jeugd doordrongen van dit verheven lot. Misschien heeft hij ook de boeken van Henoch gelezen, die destijds everzeer vereerd werden als de heilige boeken; en vergelijkbare boeken in hetzelfde genre, die zo'n belangrijke rol speelden in de publieke beeldvorming. Men groeide op met vertellingen over de komst van de Messias, met alle grootse en vreeswekkende gevolgen van dien; het een na het andere land dat ineen zou zijgen, de krachtmeting van hemel en aarde; en omdat men meende dat de tijd van die gebeurtenissen naderde en velen probeerden te ramen hoe lang hen nog restte, kwam de bovennatuurlijke orde waarin wij dergelijke visioenen plaatsen op hem volmaakt natuurlijk en vanzelfsprekend over.

Dat hij geen enkele kennis van de rest van de wereld had blijkt uit elk woord van zijn meest authentieke verhandelingen. De wereld was volgens hem nog steeds verdeeld in elkaar bevechtende koninkrijken; hij lijkt geen weet te hebben gehad van de 'pax romana' en de nieuwe staatsvorm die zijn eeuw inluidde. Hij had geen idee van de macht van het Romeinse Rijk, hij kende alleen de naam 'Caesar'. Hij heeft in Galilea en omgeving Herodes' pompeuze projecten – Tiberiade, Juliade, Diocesarea, Caesarea – gebouwd zien worden, die met hun grootse constructies bewondering voor de Romeinse beschaving moesten uitdrukken en eerbied voor de familieleden van Augustus, aan wie, door een speling van het lot, tot op de dag van vandaag, armoedige BedoeÔenengehuchten hun merkwaardige verdraaide namen ontlenen. Hij heeft waarschijnlijk ook de garnizoensstad Sebastia [Nablus] gezien, gebouwd door Herodes de Grote, waarvan de ruÔnes doen geloven dat hij uit ťťn stuk gebouwd is, als een machine die alleen nog maar op zijn plaats gezet hoefde te worden. Die pronkzuchtige architectuur, die duizenden identieke zuilen, smakeloos als in Rue de Rivoli, per vrachtpost naar Judea verscheept – ziedaar de 'glorie der wereldse koninkrijken'. Maar deze luxe-op-bestelling, deze bestuurskundige kunst, beviel hem slecht. Hij hield van de dorpen van Galilea, de hutjes, de pleintjes, de uit rotsen gehouwen pershuizen, de waterputten, de tombes, de vijgen- en olijfbomen. Hij bleef altijd dicht bij de natuur. Het koninklijk hof leek hem een plek van mannen in mooie gewaden. De charmante ondenkbaarheden waarvan het wemelt in zijn parabolen wanneer hij koningen en machthebbers ter sprake brengt bewijzen dat zijn beeld van de aristocratische wereld dat was van een dorpsjongen die de wereld door een prisma van naÔviteit beziet.

Evenmin kende hij het nieuwe, door de Griekse wetenschap ontwikkelde, en door de moderne wetenschap onmiskenbaar bevestigde, idee, grondslag van de hele filosofie, dat de bovennatuurlijk krachten die het naÔeve geloof van de oude tijd de heerschappij over het universum toedichtte, niet bestaan. Bijna een eeuw vůůr hem had Lucretius op bewonderenswaardige wijze uitdrukking gegeven aan de onbuigzaamheid van de natuurwetten. De ontkenning van het wonder, het idee dat alles verklaard kan worden door natuurwetten, zonder persoonlijke inmenging door bovennatuurlijke wezens, werd algemeen geaccepteerd door de grote scholen in alle landen waartoe de Griekse wetenschap was doorgedrongen. Mogelijk waren zelfs BabyloniŽ en PerziŽ en er niet onbekend mee. Jezus wist niets van deze vooruitgang. Hoewel hij geboren werd in een tijdperk waarin al wetenschappelijke principes verkondigd werden, leefde hij in een zeer bijgelovige wereld. De Joden hadden misschien nooit eerder zo gedorst naar wonderen. Philo, die in een belangrijke intellectueel centrum leefde en een zeer complete opleiding had genoten, had maar een schimmig beeld van wetenschap – en wetenschap van laag allooi.

Op dat punt verschilde Jezus helemaal niet van zijn landgenoten. Hij geloofde in de duivel, die hij zag als drijfveer achter het kwaad, en veronderstelde, net als iedereen, dat zenuwziekten veroorzaakt werden door demonen die de patiŽnt bezaten en tot waanzin dreven. Het wonderbaarlijke was voor hem niet uitzonderlijk: het was de normaal. De notie van de onmogelijkheid van het bovennatuurlijke werd pas genomen toen de experimentele natuurkunde werd geboren. Een man die onbekend is met enige fysica, die gelooft door gebed de koers van de wolken te kunnen veranderen, zieken te kunnen genezen en zelfs doden te kunnen opwekken, ziet niets vreemds in een wonder, omdat alles wat hij om zich heen ziet het gevolg is van de willekeur van de Godheid. In deze intellectuele staat verkeerde Jezus nog. Maar een dergelijk geloof leidde in zijn grootse geest tot volstrekt andere resultaten dan bij een doorsnee mens. Bij een doorsnee mens brengt geloof in de willekeur van God een onnozele goedgelovigheid en gevoeligheid voor oplichterij met zich mee. Bij hem leidde dit geloof tot een diep begrip van de vertrouwelijke band van de mens met God en tot een overdreven geloof in de kracht van de mens: prachtige vergissingen die de basis vormden van zijn kracht; want hoewel ze in de ogen van een natuurkundige of een scheikundige zijn ongelijk zouden bewijzen gaven ze hem een invloed op zijn tijd die geen ander voor of na hem gehad heeft.

Al vroeg viel zijn bijzondere karakter op. De legende wil dat hij al jong rebelleerde tegen autoriteit en de gebaande paden verliet om zijn roeping te volgen. Het is in elk geval zeker dat hij niet veel gaf om zijn komaf. Zijn familie lijkt niet van hem te hebben gehouden en hij komt soms hardvochtig over als hij ze noemt. Jezus hield, net als alle mensen die geobsedeerd zijn door een idee, weinig rekening met bloedverwantschap. Ideologische verwantschap is het enige wat zulke mensen erkennen: 'Toen wees hij naar zijn leerlingen: “Daar zijn mijn moeder en mijn broers! Want ieder die doet wat mijn Vader in de hemel wil, die is mijn broer, mijn zuster, mijn moeder.” [Mat. 12:48] Eenvoudige mensen begrepen dit niet en op een dag riep een vrouw die hem tegenkwam uit, zo wordt gezegd: “Gelukkig de schoot die u heeft gedragen en de borst die u heeft gevoed!” Maar hij antwoordde: “Ja, en gelukkig zij die luisteren naar het woord van God en ernaar leven!” [Luc. 11:27] Spoedig zal hij, in zijn koppige opstand tegen de natuur, nog verder moeten gaan en zullen we hem alles zien vertrappen wat menselijk is: bloed, liefde, vaderland; en zal hij alleen nog maar hart hebben voor het idee dat hem voorkwam als de absolute gedaante van het goede en het ware.

Uit: Aanvang van de legende van Jezus (hoofdstuk 15)


Toen Jezus terugkeerde in Galilea had hij zijn joodse geloof geheel verloren en was hij een geestdriftige revolutionar. Hij drukt zijn ideeŽn nu met een perfecte helderheid uit. De onschuldige aforismen van zijn eerste profetische periode, deels overgenomen van vroegere rabbi's, en de mooie moralistische predikingen van zijn tweede periode monden uit in een uitgesproken politiek. De Wet moet worden afgeschaft, en hij is het die hem af zal schaffen. De Messias is gekomen, en hij is het die het is. Het koninkrijk van God wordt weldra onthuld, en hij zal de onthuller zijn. Hij weet heel goed dat hij slachtoffer zal worden van zijn onbevreesdheid; maar het koninkrijk van God kan niet veroverd worden zonder geweld; het zal tot stand komen door crises en pijn. Na zijn dood zal de Mensenzoon in glorie wederkomen, vergezeld van legioenen engelen, en zij die hem verwierpen zullen verslagen worden.

De stoutmoedigheid van een dergelijke opvatting moet ons niet verbazen. Jezus zelf zag zijn band met God al sinds lange tijd als die tussen zoon en vader. Wat bij anderen onverdraaglijke hoogmoed zou zijn moet hem niet te zwaar aangerekend worden.

De titel 'Davids zoon' was de eerste die hij aanvaardde, waarschijnlijk zonder zich in te laten met het onschuldige bedrog waarmee men hem van die naam wilde verzekeren. De familie van David was, zo lijkt het, al sinds lange tijd uitgestorven; noch de AsmoneŽrs, van priesterlijke komaf, noch Herodes, noch de Romeinen hebben maar een moment gedacht dat zich te midden van hen een erfgenaam van de oude dynastie bevond. Maar sinds het eind van de tijd van de AsmoneŽrs leefde in ieders verbeelding de droom van een onbekende afstammeling van de oude koningen die de natie op haar vijanden zou wreken. Er werd algemeen geloofd dat de Messias een zoon van David zou zijn en net als hij in Bethlehem geboren zou worden geboren. Dat was bepaald niet wat Jezus voor ogen had. Zijn hemels koninkrijk had niets te maken met de nagedachtenis van David, waarvan het Joodse volk zo vervuld was. Hij geloofde dat hij de zoon van God was, en niet van David. Zijn koninkrijk en de verlossing die hij voor ogen had waren van geheel andere orde. Maar de algemene mening werkte hem hier min of meer tegen. De onmiddelijke consequentie van de stelling 'Jezus is de Messias' was die andere stelling: 'Jezus is de zoon van David'. Hij liet zich een titel aanleunen zonder welke hij niet kon hopen op enig succes. Het lijkt erop dat hij er uiteindelijk genoegen aan beleefde, want hij verrichtte in zijn beste humeur wonderen wanneer men hem zo aansprak. Wat dit betreft schikte Jezus zich, als bij meerdere gelegenheden in zijn leven, naar ideeŽn die opgeld deden in zijn tijd, ook al strookten ze bepaald niet met de zijne. Hij verbond aan zijn dogma van het 'Koninkrijk der Hemelen' al wat de harten en verbeeldingskracht van de mensen voedde. Zo hebben we hem de doop van Johannes over zien nemen, wanneer hij toch niet veel belang kan hebben gehecht.

Er deed zich een moeilijkheid voor: het algemeen bekende feit dat hij in Nazareth geboren was. We weten niet of Jezus dat bezwaar bestreed. Misschien werd het niet opgeworpen in Galilea, waar het idee dat de zoon van David een Bethlehemmer moest zijn minder verbreid was. Voor een idealistische GalileŽr was de titel 'zoon van David' trouwens voldoende gerechtgevaardigd als degene aan wie men hem had toegekend de glorie van zijn volk zou doen herleven en de mooie dagen van IsraŽl terug zou laten keren. Erkende hij door zijn zwijgen de fictieve stambomen die zijn aanhangers gefabriceerd hadden om zijn koninklijke afstamming te bewijzen? Had hij weet van de legenden die verzonnen werden om hem in Bethlehem geboren te doen worden, en in het bijzonder van de kunstgreep waarmee zijn Bethlehemse origine in verband werd gebracht met de volkstelling die plaatshad op bevel van de Romeinse proconsul Quirinius? We weten het niet. De onnauwkeurigheid en de tegenstrijdigheid van de stambomen staven het vermoeden dat zij het werk waren van verschillende auteurs bij verschillende gelegenheid, en dat geen enkele door Jezus bevestigd is. Nimmer beweert hij zelf de zoon van David te zijn. Zijn discipelen, veel minder verlicht dan hij, overdreven soms de dingen die hij zelf gezegd had; meestal hij had geen weet van deze overdrijvingen. Laat me nog opmerken dat gedurende de eerste drie eeuwen belangrijke stromingen binnen het christendom de koninklijke afstamming van Jezus en de authenticiteit van de stambomen hardnekkig bestreden.

Zijn legende was zodoende gevolg van een grote, spontane samenzwering, en kreeg al vorm toen hij nog leefde. Geen enkele grote historische gebeurtenis heeft zich voltrokken zonder aanleiding te geven tot een reeks fabelen, en Jezus kon, zo hij het wilde, deze populaire verdichtselen geen halt toeroepen. Misschien had een scherpzinnig oog toen al de kiem kunnen herkennen van de vertellingen die hem een bovennatuurlijke geboorte moesten toedichten, hetzij vanwege het in de oudheid wijd verspreide denkbeeld dat een buitengewoon mens niet geboren kan worden uit de ordinaire vereniging van de twee seksen; hetzij om overeenstemming te vinden met een verkeerd begrepen hoofdstuk uit Jesaja, waar men uit dacht op te kunnen maken dat de Messias geboren zou worden uit een maagd; hetzij ten slotte als gevolg van het idee dat de 'Heilige Geest', die al in een goddelijk Zijn was verwezenlijkt, een beginsel van vruchtbaarheid was. Al over de kindertijd van Jezus doet wellicht meer dan een enkele anekdote de ronde die is verzonnen met als bedoeling in zijn levensloop de vervulling van het messiaanse ideaal te kunnen aanwijzen, of, beter gezegd, de profetieŽn die de allegorische exegese van die tijd aan de Messias verbond. Een algemeen geaccepteerd denkbeeld was dat de Messias aangekondigd zou worden door een ster, en dat boodschappers van verre volkeren hem vanaf zijn geboorte eer zouden komen bewijzen en geschenken zouden komen brengen. Men neemt aan dat die waarzegging vervuld werd door vermeende astrologen uit Chaldea die rond die tijd naar Jeruzalem kwamen. Dan weer liet men hem al vanaf de wieg omgaan met grote mannen als Johannes de Doper en Herodes de Grote en twee grijzaards, Simeon en Anna, die voor zeer heilig werden gehouden. Een nogal zwakke chronologie beheerst deze samenvoegingen, die merendeels op ware, maar verdraaide feiten gebaseerd zijn. Maar deze fabelen ademden een bijzondere geest van zachtmoedigheid en goedheid en een door en door volks karakter, en werden een aanvulling op zijn prediking. Vooral na de dood van Jezus namen dergerlijke relazen een enorme vlucht; we kunnen er echter vanuit gaan dat ze al tijdens zijn leven circuleerden, zonder op iets anders dan vrome goedgelovigheid en naÔeve adoratie te stuiten.

Dat Jezus er nooit aan gedacht heeft zich uit te geven voor een reÔncarnatie van God zelf valt niet te betwijfelen. Een dergelijk idee was de Joodse geest geheel vreemd, er is geen spoor van te vinden in de synoptische evangeliŽn; men treft het pas aan in die delen van het vierde evangelie die het minst als echo van Jezus' gedachtegoed te beschouwen vallen. Soms lijkt Jezus voorzorgsmaatregelen te treffen om een dergelijke doctrine te verwerpen. De beschuldiging dat hij zich voor God of Gods gelijke uitgeeft wordt, zelfs in het vierde evangelie, gepresenteerd als laster van de Joden. In dit laatste evangelie verklaart Jezus zich de mindere van zijn vader. Elders geeft hij toe dat zijn vader hem niet alles geopenbaard heeft. Hij ziet zichzelf als groter dan de gewone mens, maar van God gescheiden door een oneindige afstand. Hij is de zoon van God, maar in zekere zin is iedereen dat, of kan iedereen het worden. Iedereen moet God dagelijks zijn vader noemen; alle wederopgestanen zullen kinderen van God zijn. De afstamming van God werd in het Oude Testament toegekend aan wezens die men geenszins aan God gelijk wilde stellen. Het woord 'zoon' heeft in semitische talen en in de taal van het Nieuwe Testament de breedst denkbare betekenis. Trouwens, het beeld dat Jezus van de mensheid had was niet het schamele beeld dat door een kil deÔsme is geÔnstigeerd. In zijn poŽtische opvatting van de natuur waart ťťn enkele geest in het universum: de menselijke geest is de geest Gods; God huist in de mensheid, leeft door de mensheid, evenzoals de mensheid in God huist en door God leeft. Het transcedente idealisme van Jezus stond hem nimmer toe zich een duidelijk beeld van zijn persoon te vormen. Hij is zijn Vader, zijn Vader is hem. Hij leeft door zijn discipelen, hij is altijd met hen; zijn discipelen zijn ťťn, zoals hij en zijn Vader ťťn zijn. De idee is voor hem alles; het lichaam, dat individuen van elkaar onderscheidt, is niets.

Wonderen (hoofdstuk 16)

Volgens de tijdgenoten van Jezus konden slechts twee bewijsmiddelen, wonderen en het uitkomen van profetieŽn, een bovennatuurlijke roeping aantonen. Jezus en vooral zijn discipelen wendden deze bewijsvoeringen te goeder trouw aan. Sinds lange tijd was Jezus ervan overtuigd dat de profeten hem op het oog hadden toen zij schreven. Hij vond zichzelf terug in hun heilige voorspellingen; hij zag zichzelf als de spiegel waarin de profetische geest van IsraŽl de toekomst had gelezen. De christelijke school probeerde, misschien toen zijn stichter nog leefde, te bewijzen dat Jezus perfect voldeed aan dat wat de profeten over de Messias hadden voorspeld. In veel gevallen waren die overeenkomsten geheel uiterlijk en kunnen wij ze nauwelijks meer opmerken. Het waren meestal toevallige of onbetekenende gebeurtenissen uit het leven van de meester die de discipelen bepaalde profetieŽn of passages uit de Psalmen in herinnering brachten, waarin zij, door hun constante preoccupatie, schilderingen zagen van wat zich voor hun ogen afspeelde. De exegese van die tijd bestond zo dus bijna geheel uit woordenspel, uit kunstmatige en willekeurig aangehaalde citaten. De synagoge had geen officieel goedgekeurde lijst van passages die verband hielden met de toekomstige heerschappij. De toepassing van teksten op de Messias stond ieder vrij en zo ontstonden eerder stilistische kunstgrepen dan een serieuze argumentatie.

Wat betreft wonderen, men hield die in die tijd voor onmisbare tekenen van het goddelijke en van een profetische roeping. De legendes van Elia en Elisa waren er vol van. Er werd verwacht dat de Messias er vele zou verrichten. Niet ver van Jezus, in Samaria, verwierf een magiŽr genaamd Simon zich een bijna goddelijk prestige. Later, toen men de roem van de in zwang geraakte Apollonius van Tyana wilde onderbouwen en wilde bewijzen dat zijn leven de reis van een god op aarde was geweest, geloofde men niet dat dat op andere wijze mogelijk was dan door het verzinnen van een enorme reeks wonderen. Ze worden zelfs de Alexandrijnse filosofen, Plotinus en de anderen, toegeschreven. Als gevolg daarvan werd Jezus voor de keuze gesteld: of afstand nemen van zijn missie, of een wonderdoener worden. We moeten beseffen dat de hele oudheid, met uitzondering van de grote Griekse wetenschappers en hun Romeinse volgelingen, het bestaan van wonderen aanvaardde; dat Jezus zelf er niet alleen in geloofde, maar niet het minste idee had van het bestaan van natuurwetten. Zijn kennis op dit vlak was geenszins superieur aan die van zijn tijdgenoten. Sterker nog, ťťn van zijn diepst gewortelde overtuigingen was dat de mens door geloof en gebed alle kracht van de natuur verkreeg. Het vermogen om wonderen te verrichten werd beschouwd als een gift die God soms schonk aan de mens, dat had niets verbazends.

De tijden zijn veranderd en dat wat de grote stichter zijn macht gaf is voor ons iets heel storends geworden. Als de positie van de cult van Jezus onder de mensen ooit verzwakt, komt dat door precies die dingen die eens in hem deden geloven. Critici voelen zich allerminst in verlegenheid gebracht door zulke historische fenomenen. Wonderdoeners van onze tijd, behalve de zeer naÔeven, zoals bepaalde Duitse gestigmatiseerden, worden gehaat omdat zij wonderen verrichten zonder er zelf in te geloven – zij zijn charlatans. Maar neem Franciscus van Assisi en de zaak ligt al heel anders; de reeks wonderen die ten grondslag ligt aan de stichting van de Franciscaner Orde stoort ons niet, maar doet ons integendeel genoegen. De stichters van het christendom leefden in een minstens zo complete staat van poŽtische onwetendheid als de heilige Claire van Assisi en de tres socii. Zij vonden het volstrekt aanvaardbaar dat hun meester zich onderhield met Mozes en Elia, dat hij de elementen beheerste en dat hij zieken genas. Men moet trouwens ook beseffen dat elke idee iets van haar puurheid verliest zodra ze zich wil verwezenlijken. Men slaagt nooit ergens in zonder dat als gevolg daarvan de kwetsbaarheid van de ziel gekrenkt wordt. De menselijke geest is zo zwak dat beste zaken gewoonlijk onderbouwd worden met slechte redenen. De betogen van de eerste verspreiders van het christendom berusten op zeer zwakke argumenten. Mozes, Columbus en Mohamed konden hun hindernissen pas overwinnen door elke dag opnieuw de zwaktes van de mens uit te buiten en niet altijd hun werkelijke beweegredenen te onthullen. Jezus' wonderen troffen zijn omgeving waarschijnlijk meer dan zijn goddelijke predikingen. Laten we ook niet vergeten dat Jezus' roem, voor zowel als na zijn dood, leidde tot enorme overdrijvingen van het aantal wonderen. Het genre van evangelische wonderen biedt in feite weinig variatie; ze herhalen elkaar en lijken navolgingen van een heel klein aantal voorbeelden, die overeenkomstig de smaak van het volk worden aangepast.

Het is onmogelijk om uit de vermoeiende opsommingen van wonderlijke gebeurtenissen die de evangeliŽn geven onderscheid te maken tussen de wonderen die Jezus door volksgeloof zijn toegeschreven, zij het tijdens zijn leven of na zijn dood, en die waarbij hij welwillend een rol speelde. Het is bovendien onmogelijk om te weten of ergerlijke bijzonderheden als zijn inspanningen, zijn moeite, het trillen van zijn lichaam, en andere details die naar goochelarij zwemen, historisch zijn, of de vrucht van het geloof van de schrijvers, die nogal bezig waren met godsdaden, en in dat opzicht ideeŽn hadden die lijken op die van de 'spiritisten' van onze tijd. De algemene opinie wilde in feite dat goddelijke vermogens bij de mens iets hadden van kramp of epilepsie. Bijna alle wonderen die Jezus zou hebben verricht lijken genezingswonderen te zijn geweest. De geneeskunde was in die tijd in Judea dat wat ze in de Midden-Oosten vandaag de dag nog steeds is, dat wil zeggen geenszins wetenschappelijk, maar geheel overgeleverd aan persoonlijke ingevingen. De wetenschappelijke geneeskunde, vijf eeuwen eerder in Griekenland gegrondvest, was in de tijd van Jezus vrijwel onbekend bij de Joden van Palestina. In dergelijke omstandigheden is de aanwezigheid van een superieur mens, die de zieke met goedmoedigheid behandelt en met enkele welgekozen gebaren het vertrouwen in zijn genezing herstelt, vaak een effectieve remedie. Wie zou durven beweren dat in veel gevallen, los van uitwendig letsel, de aanraking door een voortreffelijk mens niet evenveel waarde heeft als de middelen van de farmacie? Het genoegen zo iemand te zien heeft genezende werking. Hij geeft wat hij kan bieden, een glimlach, een sprankje hoop, en dat is niet vergeefs.

Jezus had, evenals het merendeel van zijn landgenoten, geen weet van de rationale medische wetenschap; hij geloofde net als bijna iedereen dat genezing vooral door religeuze rituelen tot stand moest komen, en een dergelijk geloof was volkomen consequent. Wanneer men ziekte beschouwde als de bestraffing van een zonde, of als de daad van een demon, en niet als gevolg van fysieke oorzaken, was de heilige mens, die macht had in bovennatuurlijke sferen, het beste medicijn. Genezing werd beschouwd als een morele daad; Jezus, die zich bewust was van zijn morele kracht, moet zich in het bijzonder uitverkoren hebben gevoeld tot genezer. Ervan overtuigd dat de aanraking met zijn mantel, de oplegging van zijn handen en de aanwending van zijn speeksel zieken goed deed zou het hardvochtig zijn geweest hun die lijden de verlichting die hij bieden kon te onthouden. De genezing van zieken werd beschouwd als een van de tekenen van het koninkrijk van God, en altijd geassocieerd met de verheffing van de armen. Beide tekenen wezen op de grote revolutie die moest resulteren in het herstel van alle gebreken. De Essenen, die zo verwant waren aan Jezus, gingen ook door voor zeer krachtige spirituele genezers.

Een vorm van genezing die Jezus dikwijls verichtte is exorcisme, ofwel de uitdrijving van demonen. De vreemde neiging om in demonen te geloven waarde alom rond. Het was een universele overtuiging, niet alleen in Judea, maar over de hele wereld, dat demonen bezit nemen van het lichaam van bepaalde personen en die tegen hun eigen wil in laten handelen. Een Perzische demon die meermaals genoemd wordt in de Avesta, AŽschmadaŽva, 'de demon van de begeerte', die de Joden onder de naam Asmodeus hadden overgenomen, werd de oorzaak van alle hysterische aandoeningen van vrouwen. Epilepsie, geestesziekten en zenuwaandoendingen, waarbij de patiŽnt zichzelf niet meer in de hand lijkt te hebben, en aandoeningen zonder aanwijsbare oorzaak, zoals doofheid en stomheid, werden op dezelfde manier verklaard. Hippocrates' bewonderenswaardige verhandeling 'Over de heilige ziekte', waarin vierenhalve eeuw voor Jezus de werkelijke medische achtergronden van dergelijke condities waren vastgesteld, had zulke onwetendheid lang niet uit de wereld geholpen. Men ging ervan uit dat er min of meer effectieve procťdťs waren voor het uitdrijven van demonen; exorcist was een geaccepteerd beroep, net als arts. Het is boven twijfel verheven dat Jezus tijdens zijn leven de reputatie had de fijne kneepjes van dat werk te beheersen. Er waren toen veel krankzinnigen in Judea, ongetwijfeld als gevolg van de verhitte gemoederen. Deze gekken, die men los liet rondlopen, zoals dat nog steeds gebeurt in die regio, bewoonden verlaten grafspelonken, de gebruikelijke schuilplaats van zwervers. Jezus had veel invloed op deze ongelukkigen. Over zijn genezingen werden talloze wonderlijke verhalen verteld, waarbij alle goedgelovigheid van die tijd goed van pas kwam. Maar ook hier moeten we de moeilijkheden niet overdrijven. De aandoeningen die men verklaarde door bezetenheid waren vaak niet ernstig. Mensen met een kleine bijzonderheid beschouwt men in SyriŽ in onze tijd als gek of bezeten (die twee dingen zijn hetzelfde, medjnoun). Een lief woord volstaat in zo'n geval vaak voor de uitdrijving van de demon. Dat was ongetwijfeld de methode die Jezus toepaste. Wie zegt dat zijn faam als exorcist zich niet verspreidde zonder dat hij daar weet van had? Aan personen in het Midden-Oosten wordt soms, door verloop van tijd, tot hun eigen verrassing een grootse reputatie als genezer of duivelsuitdrijver toegekend, zonder dat ze zich kunnen herinneren welke gebeurtenissen aanleiding gegeven hebben tot zulke verbeeldingen.

Veel omstandigheden lijken er overigens op te wijzen dat Jezus pas laat en met tegenzin een wonderdoener werd. Vaak verricht hij zijn wonderen pas na gebeden te hebben, in een slecht humeur, en verwijt hij degenen die hem erom gevraagd hebben de vulgariteit van hun geest. Een schijnbaar onverklaarbare bijzonderheid is de moeite die hij zich getroost om zijn wonderen verborgen te houden en het beroep dat hij doet op degenen die hij geneest om er niemand over te vertellen. Als de demonen hem tot Zoon van God willen uitroepen verbiedt hij hun hun mond open te doen; het is zijns ondanks dat zij hem erkennen. Deze eigenschap is vooral karakteristiek in Marcus, die bij uitstek de evangelist van wonderen en duivelsverdrijvingen is. Het lijkt of de discipel die de uitgangspunten van dit evangelie heeft verschaft Jezus hinderde met zijn bewondering voor wonderen, en dat de meester, moe van een reputatie die hem tegenstond, hem vaak gezegd heeft: praat er niet over. Eenmaal leidt deze onenigheid tot een opmerkelijke uitbarsting, een aanval van ongeduld waaruit blijkt hoe vervelend Jezus de eeuwige verzoeken van zwakke naturen vond. Je zou nu en dan zeggen dat hij de rol van wonderdoener onaangenaam vind en dat hij zo min mogelijk ruchtbaarheid probeert te geven aan de wonderen waarbij hij op enige wijze betrokken was. Wanneer zijn vijanden hem vragen om een wonder, een hemels wonder nog wel, een meteoor, weigert hij koppig. We mogen dus geloven dat zijn reputatie als wonderdoener hem opgedrongen werd, dat hij er niet veel tegen deed, maar dat hij er ook niet aan bijdroeg, en dat hij zich in elk geval bewust was van de ijdelheid van de openbare mening op dit punt.

Het zou geen goede geschiedschrijving zijn om te veel naar onze afkeren te luisteren. De essentiŽle voorwaarde van waarachtige kritiek is het tonen van begrip voor een andere tijd en het zich ontdoen van instinctieve gewoonten die de vrucht zijn van een puur rationele educatie. We zouden de zaken die in de ogen van zijn tijdgenoten tot zijn voornaamste prestaties behoorden niet moeten wegstoppen om ons te kunnen onttrekken aan bezwaren die geopperd zijn tegen het karakter van Jezus. Het zou gemakkelijk zijn om te zeggen dat het toevoegingen zijn van discipelen die ver beneden hun meester stonden, en die, omdat ze zijn werkelijke grootheid niet konden bevatten, gepoogd hebben hem te verheffen met een prestige dat hem onwaardig is. Maar de vier vertellers van het leven van Jezus zijn unaniem in het pochen met zijn wonderen. Een van hen, Marcus, spreekbuis van de apostel Petrus, legt er zo de nadruk op dat als men het karakter van Jezus uitsluitend op zijn evangelie zou baseren, men zich Jezus voor zou stellen als een duivelverdrijver in het bezit van zeldzaam effectieve middelen, als een zeer machtig tovenaar die angst zaait en bij wie men liefst uit de buurt blijft. We zullen dus zonder aarzeling toegeven dat handelingen die tegenwoordig als tekenen van illusie of gekte worden beschouwd een voorname plaats in het leven van Jezus innamen. Moeten we aan dit lelijke aspect het sublieme van zijn leven opofferen? Laten we daarvoor waken. Een simpele tovenaar zou geen morele revolutie teweeg hebben gebracht zoals Jezus dat gedaan heeft. Als de duivelsuitdrijver Jezus de moralist en godsdienstvernieuwer Jezus overschaduwd had zou uit hem een school van duivelsuitdrijvers voortgekomen zijn, en niet het christendom.

Hetzelfde probleem doet zich daarnaast voor bij alle heiligen en alle grondleggers van religies. Vandaag de dag morbide zaken als epilepsie, visioenen waren destijds tekenen van kracht en grootsheid. Een arts kan de naam van de ziekte noemen die Mohameds pad effende. Bijna tot op de dag van vandaag zijn de mensen die het meest gedaan hebben voor het welzijn van hun medemens (zelfs de voortreffelijke Vincentius a Paulo) wonderdoeners geweest, of ze dat nu wilden of niet. Er we ervan uitgaan dat elk historisch personage aan wie daden worden toegeschreven die wij in de 19e eeuw voor redeloos of charlatanesk houden een gek of een oplichter was is elke kritiek vertekend. De Alexandrijnse school was eerbiedwaardig en toch liet zij zich in met extravagante wonderdoenerij. Socrates en Pascal waren niet gevrijwaard van dwalingen. Met moet feiten verklaren uit evenredige oorzaken. De zwakten van de menselijke geest brengen niets dan zwakte voort; grootse zaken hebben altijd hun oorzaak in de grootsheid van de menselijke natuur, evenzeer als zij zich vaak vergezeld weten van kleinzieligheden die er, voor oppervlakkige geesten, hun grootsheid aan ontnemen.

In algemene zin is het dus juist om te zeggen dat Jezus slechts ondanks zichzelf wonderdoener en duivelsuitdrijver was. Zoals dat altijd gaat in een grootse goddelijke loopbaan legde hij zich er eerder bij neer dat er wonderen van hem verwacht werden dan dat hij ze verrichte. Gewoonlijk is een wonder het werk van het publiek, en niet van degene aan wie het toegeschreven wordt. Zou Jezus halsstarrig geweigerd hebben wonderen te verrichten die het publiek voor hem indachtig had; dan zou het grootste wonder zijn dat hij ze niet verrichte; nooit is er zo'n forse inbreuk gemaakt op de wetten van de populaire geschiedschrijving en psychologie. Hij was niet toeschietelijker dan de heilige Bernard en de heilige Franciscus van Assisi in het bevredigen van de zucht naar het wonderbaarlijke van de massa en van zijn eigen leerlingen. De wonderen van Jezus zijn een geweld dat zijn tijd hem heeft aangedaan, een consessie die voorzag in een voorbijgaande noodzaak. Zoals de duivelsuitdrijver en de wonderdoener zijn gevallen, zo zal de godsdiensthervormer in eeuwigheid leven.

Zelfs zij die niet in hem geloofden werden getroffen door zijn daden en probeerden er getuige van te zijn. De heidenen en de mensen die onbekend waren met Jezus ervoeren een gevoel van angst en probeerden hem te verdrijven uit hun streek. Velen waren er wellicht op bedacht hem oproerige bewegingen aan te wrijven. Maar Jezus' geheel morele en geenszins politieke karakter redde hem van die krachten. Zijn koninkrijk onstond in een groep jongeren die zich door een gemeenschappelijke jeudige verbeeldingskracht en gemeenschappelijke hemelse denkbeelden rondom hem verenigd hadden, en verenigd bleven.


Oppositie tegen Jezus (hoofdstuk 20)

Het lijkt erop dat Jezus tijdens het eerste deel van zijn carriŤre geen serieuze tegenstand ontmoette. Dankzij de extreme vrijheid die men genoot in Galilea en het grote aantal meesters dat zich overal opwierp baarde zijn prediking slecht in beperkte kring opzien. Maar vanaf het moment dat Jezus het pad van wonderdoeningen en publiek succes had betreden begon het te rommelen. Meer dan eens moest hij zich verschuilen en vluchten. Antipas hinderde hem echter niet, hoewel Jezus zich soms behoorlijk fel over hem uitsprak. In Tiberiade, zijn gewoonlijke woonplaats, was de tetrach niet meer dan een of twee uur gaans verwijderd van het kanton dat Jezus gekozen had als zijn werkterrein. Hij hoorde spreken over zijn wonderen, die hij ongetwijfeld voor knappe trucs hield, en wilde ze zien. De ongelovigen waren toen zeer nieuwsgierig naar dat soort praktijken. Jezus weigerde, met zijn gebruikelijke tact. Hij paste ervoor zich te begeven in een niet-religieuze wereld die hem zag als onbetekenend amusement; hij wilde slechts het gewone volk voor zich winnen; hij bewaarde zijn simpele manieren voor simpele mensen.

Op een zeker moment ging het gerucht rond dat Jezus niemand anders was dan Johannes de Doper die uit de dood was herrezen. Antipas was bezorgd en ongerust; hij bedacht een list om de nieuwe profeet uit zijn gebieden te verjagen. FarizeeŽn, die deden of zij om Jezus gaven, kwamen hem zeggen dan Antipas hem wilde laten doden. Jezus doorzag ondanks zijn eenvoud de valstrik en vertrok niet. Zijn vreedzame uitstraling en zijn afkeer van opruiÔng stelden de tetrarch uiteindelijk gerust en het gevaar week.

De nieuwe leer kreeg lang niet overal in Galilea een even warm welkom. Niet alleen bleef het ongelovige Nazareth de man afwijzen aan wie het zijn roem zou danken; niet alleen bleven zijn broers hardnekkig weigeren in hem te geloven; zelfs de stadjes aan het meer, meestentijds welwillend, werden niet alle bekeerd. Jezus beklaagt zich vaak over de ongelovigheid en de hardvochtigheid die hij ontmoet, en hoewel het voor de hand zou liggen in zulke verwijten de overdrijvingen van een predikant te zien, en hoewel men er een soort convicium seculi in vermoed, dat Jezus cultiveerde in navolging van Johannes de Doper, is het duidelijk dat het land zich nog verre van overgegeven had aan het koninkrijk Gods. 'Wacht maar, Chorazin, wacht maar, BetsaÔda! Want als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gedaan die bij jullie gedaan zijn, zouden hun inwoners allang het boetekleed hebben aangetrokken, zich met as hebben een bestrooid en een nieuwe leven zijn begonnen. Ik zeg jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan jullie lot. En jij, KafarnaŁm, denk jij hemelhoog verheven te worden? Je zult afdalen tot in het dodenrijk! Want als in Sodom de wonderen waren gedaan die bij jou gedaan zijn, zou het nu nog bestaan! Maar ik zeg je dat op de dag van het oordeel het lot van Sodom draaglijker zal zijn dan jouw lot.' 'Op de dag van het oordeel zullen de inwoners van Nineve opstaan samen met deze mensen hier en hen veroordelen. Want toen zij hoorden wat Jona verkondigde, begonnen zij een nieuw leven. En hier is iets dat groter is dan Jona. De koningin van het Zuiden zal op de dag van het oordeel verrijzen samen met deze mensen hier en hen veroordelen. Want zij kwam van het einde van de aarde om te luisteren naar de wijsheid van Salomo. En hier is iets dat groter is dan Salomo.' Zijn zwervende leven, aanvankelijk vol charme, begon hem zwaar te vallen. 'Vossen hebben holen en vogels nesten, maar de Mensenzoon heeft nergens een plek om zijn hoofd neer te leggen.' Hij beschuldigde de ongelovigen ervan dat zij het bewijs verwierpen. Zijn hart raakte steeds meer vervuld van verbittering en verwijt.

Jezus kon de tegenstand immers niet aanvaarden met de koelheid van een filosoof, die met zijn begrip voor de diversiteit van meningen simpelweg vaststelt dat men het niet met hem eens is. Een van de voornaamste gebreken van het joodse ras is zijn overgevoeligheid bij controverse, en de gekwetste toon die daarbij meestal aangeslagen wordt. Nergens ter wereld vind je zulke hevige twisten als die van de Joden onderling. Het is gevoel voor nuance dat een beschaafd en bescheiden man maakt. Maar gebrek aan nuance is een van de meest constante trekken van de semitische geest. Grote werken als de dialogen van Plato zijn deze mensen geheel onbekend. Jezus, die gevrijwaard was van bijna alle gebreken van zijn ras, en wiens belangrijkste eigenschap juist een onbegrensde fijngevoeligheid was, werd zijns ondanks betrokken in de polemiek van zijn tijd. Evenals Johannes de Doper sprak hij zich fel uit over zijn tegenstanders. Hij ging met voortreffelijke zachtmoedigheid om met eenvoudige mensen, maar hij verbitterde bij ongelovigheid, zelfs in de mildste vorm. Dit was niet meer de lieve meester van de Bergrede, die tegenstand noch moeilijkheden had ontmoet. De hartstocht die ten grondslag lag aan zijn karakter leidde tot hevige uitbarstingen. Deze samenkomst hoeft niet te verbazen. In onze tijd heeft een man hetzelfde contrast met een zeldzame kracht laten zien: namelijk dhr. De Lamennais. In zijn mooie boek 'Woorden van een gelovige' wisselt hij als in een luchtspiegeling een onbeteugelde woede af met de zoetste hernemingen. Deze man, die in de dagelijkse omgang een grootse goedheid betoonde, werd gekmakend onhandelbaar tegenover hen die anders dachten dan hij. Jezus deed niet zonder reden de passage uit het boek Jesaja gelden: 'Hij zal niet twisten en niet schreeuwen. Niemand zal op straat zijn stem horen. Het geknakte riet zal hij niet breken, de nog rokende pit zal hij niet doven, tot hij het recht heeft laten zegevieren.'

Veel van de aanbevelingen die hij zijn discipelen doet leggen evenwel de kiem voor een waar fanatisme, een kiem die zich in de middeleeuwen op wrede wijze zou ontwikkelen. Kan men hem daar een verwijt van maken? Geen enkele revolutie ontrolt zich zonder enige grofheid. Als Luther of de grondleggers van de Franse revolutie de regels van beleefdheid in acht hadden moeten nemen zouden de reformatie en de revolutie er nooit gekomen zijn. Laten we ons gelukkig prijzen dat Jezus nooit gestuit werd door een wet die het beledigen van een groep burgers bestraft. Dan zouden de FarizeeŽn onaantastbaar zijn geweest. Alle grote verdiensten van de mensheid zijn uit naam van rotsvaste principes bereikt. Een kritische filosoof had zijn leerlingen gezegd: 'Respecteer de mening van anderen en onthoud dat niemand ooit evenzeer gelijk heeft als zijn tegenstander ongelijk.' Maar Jezus' handelen had niets gemeen met de objectieve speculatie van een filosoof. Te moeten toegeven dat men even aan het ideaal had geraakt, maar gestopt is door de slechtheid van anderen is een onverdraaglijke gedachte voor een hartstochtelijke natuur. Hoe moet dat dan zijn voor de stichter van een nieuwe wereld!

Een onoverwinnelijk obstakel voor de ideeŽn van Jezus kwam vooral van de FarizeeŽn. Jezus verwijderde zich steeds meer van het orthodoxe jodendom. Wel, de FarizeeŽn waren hart en ziel van het jodendom. Hoewel deze groepering haar centrum had in Jeruzalem had ze ook aanhangers die in Galilea woonden of zich vaak in het noorden begaven. Dat waren, in het algemeen, kleingeestige, stijve, zelfvoldane en zelfverzekerde mannen, met veel aandacht voor uiterlijk vertoon en een minachtende devotie. Hun omgangsvormen waren lachwekkend en deden zelfs hun sympathisanten glimlachen. De bijnamen die ze kregen, en die zwemen naar karikatuur, bewijzen dat. Er was de 'krombenige farizeeŽr' (nifki), die zich voortsleepte door de straten, zijn voeten stotend aan de stenen; de 'farizeeŽr met het bebloede voorhoofd' (kizai) die met zijn ogen dicht liep om geen vrouwen te hoeven zien en zijn voorhoofd zo vaak tegen muren botste dat hij altijd een bebloed gezicht had; de 'stamper-farizeeŽr' (medoukia), die altijd krom stond als de stamper van een bloem; de 'breedgeschouderde farizeeŽr' (schikmi), die met gebogen rug liep alsof hij het volle gewicht van de Wet met zich mee torste; de 'wat-moet-ik-doen-ik-zal-het-doen-farizeeŽr', die altijd een voorschrift zocht om zich aan te kunnen houden. Soms sprak men van een 'geschminkte farizeeŽr', voor wie de in het openbaar uitgedragen devotie niets anders dan een vernis van hypocrisie was. Die gestrengheid was vaak immers slechts uiterlijk vertoon en verborg in werkelijkheid een groot moreel verval. Toch werd het volk erdoor misleid. Het volk, dat altijd een goed instinct heeft, zelfs wanneer het zich ernstig op individuen verkijkt, laat zich makkelijk bedriegen door valse vromen. Het wordt wordt aangetrokken door iets goeds en bewonderswaardigs, maar het heeft onvoldoende diepgang om schijn van werkelijkheid te onderscheiden.

De weerzin die in zo'n hartstochtelijk milieu moest ontstaan tussen Jezus en dergelijke personen is eenvoudig voor te stellen. Jezus wilde slechts een religie van het hart; de religie van de FarizeeŽn bestond bijna geheel uit het naleven van voorschriften. Jezus zocht allerlei nederigen en verstotenen op; de FarizeeŽn zagen hen als een belediging van het geloof van nette mensen. Een farizeeŽr was een onfeilbaar en onberispelijk mens met een zekere arrogantie, die op de voorste rij zat in de synagoge en luidruchtig aan liefdadigheid deed, erop toeziend of men hem wel bedankte. Jezus hield vol dat een ieder Gods oordeel met vrees en beving tegemoet moet zien. De religieuze richting die door de FarizeeŽn vertegenwoordigd werd heerste niet alom. Heel wat mannen vůůr Jezus, of uit zijn eigen tijd, zoals Jezus, zoon van Sirach, ťťn van Jezus van Nazareths werkelijke voorvaderen, Gamaliel, Antigone van Soco, en bovenal de zachmoedige en nobele Hillel, stonden een veel verhevener en al bijna evangelische religieuze leer voor. Maar deze goede pogingen waren in de kiem gesmoord. De mooie spreuken van Hillel, die de hele wet in gelijkheid samenvatten, en van Jezus, zoon van Sirach, die een cult van goeddoen stichtte, waren vergeten of weerlegd. SchammaÔ had met zijn bekrompen en gesloten geest de overhand genomen. Een enorme hoeveelheid 'tradities' had de Wet verstikt, onder het mom haar te beschermen en te interpreteren. Zonder twijfel hadden behoudende maatregelen een nuttige kant; het is goed dat het joodse volk tot waanzin toe van zijn Wet hield, want die razende liefde had het jodendom gered onder Antiochus Epifanus en onder Herodes en het benodigde gist behouden waaruit het christendom rees. Maar strikt genomen waren de oude voorschiften waar het over gaat nogal kinderachtig. De synagoge, die erop toezag, was niet meer dan een slechte moeder. Haar heerschappij was voorbij, maar haar vragen terug te treden was iets te vragen wat het gevestigd gezag nooit gedaan had, en nooit had kunnen doen.

Jezus' strijd met de officiŽle hypocrisie ging door. De gebruikelijke tactiek van hervormers die verschenen in de religieuze omstandigheden die we beschreven hebben, en die je 'traditioneel formalisme' kunt noemen, is het schetsen van een tegenstelling tussen de 'tekst' van heilige boeken en 'tradities'. Religieuze geestdrift is altijd vernieuwend, zelfs wanneer ze uiterst conservatief pretendeert te zijn. Zoals de neo-katholieken van onze tijd onophoudelijk afstand nemen van de EvangeliŽn, zo weken de FarizeeŽn constant van de Bijbel af. Ziedaar waarom een puriteinse hervormer gewoonlijk in essentie 'bijbels' is, uitgaand van de onwrikbare tekst om de theologie te bekritiseren die van generatie op generatie is gaan gelden. Het is wat later de karaÔeten en de protestanten deden. Jezus zette heel wat energieker de bijl aan de wortel. Men ziet hem weliswaar soms de heilige schrift aanhalen tegen valse masora's of tradities van de FarizeeŽn, maar in het algemeen geeft hij weinig exegese; hij appeleert aan het geweten. Hij treft met ťťn slag zowel tekst als commentaar. Hij toont de FarizeeŽn kundig aan dat zij met hun tradities het jodendom ingrijpend veranderen; maar hij pretendeert allerminst zelf terug te keren naar Mozes. Zijn doel lag vůůr, niet achter hem. Jezus was meer dan de hervormer van een oude religie; hij was de stichter van de eeuwige religie van de mensheid.

Onenigheid ontstond vooral om een hoeveelheid praktijken die in de traditie geÔntroduceerd waren, en waar Jezus noch zijn volgelingen gehoor aan gaven. De FarizeeŽn maakten hem daar ernstige verwijten van. Wanneer hij bij hen at, schokte hij ze zeer door zich niet aan de gebruikelijke reinigingen te houden. 'Geef de inhoud van uw bekers en schalen aan de armen en alles is rein voor u.' Wat bovenal zijn delicate gevoeligheid kwetste, was de zelfverzekerde houding van de FarizeeŽn in religieuze kwesties, hun benepen devotie die neerkwam op een ijdele zoektocht naar rangen en titels, en geenszins op de verruiming van hun hart. Een bewonderenswaardige parabool geeft die gedachte met eindeloze charme en juistheid weer: 'Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden; de een was een FarizeeŽr, de ander een tollenaar. De FarizeeŽr ging daar staan en bad bij zichzelf: O God, ik dank u dat ik niet ben zoals de andere mensen: hebzuchtig, oneerlijk en overspelig, of zoals die tollenaar daar! Ik vast tweemaal per week en sta het tiende deel af van al mijn inkomsten. Maar de tollenaar bleef achteraf staan en durfde zelfs zijn ogen niet naar de hemel op te slaan. Hij zei, terwijl hij zich op de borst sloeg: O God, ik ben een zondaar. Wees mij genadig! En ik zeg u: deze man, en niet de FarizeeŽr, ging vrij van schuld naar huis. Want ieder die zichzelf verheft, zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert, zal vergeven worden.'

Een haat die slechts bekoeld kon worden met de dood was het gevolg van deze onenigheid. Johannes de Doper had al vergelijkbare vijandschap uitgelokt. Maar de aristocraten van Jeruzalem, die op hem neerkeken, lieten het eenvoudige volk hem voor een profeet houden. Dit keer was het een strijd op leven en dood. Het was een nieuwe geest die in de wereld verscheen en die alles achter zich liet wat eerder had bestaan. Johannes de Doper was ten diepste joods, Jezus was het nauwelijks. Jezus beroept zich altijd op de verfijning van het moreel besef. Hij is niet twistziek, behalve als hij met FarizeeŽn discussieert, waarbij de tegenstander hem ertoe dwingt zijn toon over te nemen, zoals dat bijna altijd gebeurt. Zijn uitgelezen spot en scherpe provocaties zijn altijd treffend. Als eeuwige littekens zijn zij in de wonde gegrift. Het lachwekkende Nessus-kleed dat de joden, zonen van de FarizeeŽn, sinds achttien eeuwen aan flarden achter zich aan slepen is door Jezus met een goddelijk vakmanschap geweven. Deze meesterwerken van hogere scherts staan in het vlees van de hypocriet en de schijngelovige gebrand. Onvergelijkelijke meesterwerken, het werk van een godenzoon! Alleen een god kan op zo'n manier doden. Socrates en MoliŤre schampen slechts even de huid. Jezus doet het vuur en de pijn doordringen tot het merg van het gebeente.

Maar het was ook onvermijdelijk dat deze grote meester der ironie met zijn leven betaalde voor zijn triomf. Al in Galilea probeerden de FarizeeŽn van hem af te komen en zij zetten een manoeuvre in die later zou slagen in Jeruzalem. Ze probeerden de nieuwe politieke orde te interesseren voor hun twisten. Het gemak waarmee Jezus Galilea ontvuchtte en de zwakte van Antipas' regering verijdelden die pogingen. Hij ging zich blootstellen aan gevaar. Hij zag goed in dat zijn handelen tot mislukken gedoemd was als hij in Galilea bleef. Judea trok hem als met toverkracht aan; hij wilde een laatste poging wagen om de rebelse stad te veroveren en leek zich het gezegde ter harte te nemen dat een profeet nooit buiten Jeruzalem moet sterven.

Jezus' laatste reis naar Jeruzalem (hoofdstuk 21)

Al lange tijd was Jezus zich bewust van de gevaren die hem omringden. Gedurende een periode van naar schatting achttien maanden vermeed hij de heilige stad. Voor het Loofhuttenfeest van het jaar 32 (volgens de gangbare aanname) overtuigden nog altijd onwelwillende en ongelovige familieleden hem echter erheen te gaan. De evangelist lijkt te insinueren dat achter die aanmoediging de bedoeling om hem kwijt te raken schuilging. 'Toon jezelf aan de wereld,' zeiden ze hem, 'dit soort dingen doet men niet in het geheim. Ga naar Judea, opdat men ziet wat je vermag.' Jezus, op zijn hoede voor verraad, weigerde aanvankelijk, maar toen de stoet bedevaartgangers vertrokken was ging ook hij op weg, bijna alleen en zonder dat iemand het wist. Dat was zijn laatste afscheid van Galilea. Het Loofhuttenfeest viel samen met de herfstequinox. Het zou nog zes maanden duren tot de fatale ontknoping. Maar in dat tijdsbestek zag Jezus zijn dierbare noordelijke streken niet terug. De tijd van heerlijkheid is voorbij; nu moet hij stap voor stap de smartelijke weg afleggen die zal eindigen met de verschrikkingen van de dood.

Zijn discipelen en de vrome vrouwen die hem dienden voegden zich in Judea weer bij hem. Maar wat was verder alles anders voor hem! Jezus was een vreemdeling in Jeruzalem. Hij voelde dat daar front van weerbarstigheid dat hij niet zou kunnen breken. De FarizeeŽn vielen hem onophoudelijk lastig met hun bezwaren, listen en kwade wil. In plaats van het heerlijke vermogen onbeperkt de geloven dat hij onder jonge mensen in Galilea gevonden had, in plaats van die goede en zachtmoedige mensen die geen problemen zagen (die altijd het gevolg zijn van onwelwillendheid en weerspannigheid) trof hij hier overal koppige ongelovigheid, waarop de methodes die hem in het Noorden zo van pas waren gekomen weinig invloed hadden. Op zijn discipelen werd neergekeken omdat ze uit Galilea kwamen. Nicodemus, die bij hem was, had zich op een vorige reis, bij een nachtelijke onderhoud, gecompromitteerd tegenover het gezag omdat hij Jezus had willen verdedigen. 'Komt u soms ook uit Galilea?' had men hem gevraagd, 'Ga het maar na, dan zult u ontdekken dat er uit Galilea geen profeet komt.'

Jezus hield, zoals we al gezegd hebben, niet van de stad. Tot dusver had hij grote plaatsen altijd vermeden en er de voorkeur aan gegeven zijn werkzaamheden op het platteland en in minder belangrijke stadjes te verrichten. Verscheidene regels die hij zijn apostelen voorschreef waren absoluut ontoepasbaar buiten een simpele maatschappij van eenvoudige mensen. Omdat hij gewend was aan de lieflijke gemeenschapszin van Galilea en geen idee had van de wereld ontglipten hem continu naÔviteiten die in Jeruzalem vreemd konden overkomen. Zijn verbeeldingskracht en zijn liefde voor de natuur moesten binnen de stadsmuren inschikken. Ware religie komt niet voort uit het tumult van de stad, maar uit de serene rust van de velden.
Hij vond het tempelplein onaangenaam, vanwege de arrogantie van de priesters. Op een dag wilde een van zijn discipelen, die Jeruzalem beter kende dan hij, hem opmerkzaam maken op de bouwkundige schoonheid van de tempel, de prachtige materialen, de rijkdom van de offerplaatsen in de muren
. 'Zie je die grote gebouwen?' zei Jezus, 'Daarvan zal geen steen op de andere blijven; alles wordt met de grond gelijkgemaakt.' Hij wilde niets bewonderen dan een arme weduwe die op dat moment langs liep en een muntje in de schatkist wierp. 'Zij heeft meer gegeven dan de anderen,' zei hij, 'de anderen hebben uitgegeven wat ze over hadden, zij wat ze nodig had.' Doordat hij alles wat zich afspeelde in Jeruzalem op deze manier bekritiseerde, de arme die weinig gaf verhief, de rijke die veel gaf kleineerde, de weelderige clerus laakte die niets deed voor het gewone volk, irriteerde hij natuurlijk de priesterlijke kaste. De tempel, zetel van een behoudzuchtige elite, was, evenals het islamitische heiligdom dat er nu staat, de laatste plek op aarde waar een revolutie zou kunnen slagen – stel je een hedendaagse vernieuwer voor die voor de Omarmoskee de omverwerping van de islam predikt! Want de tempel was het centrum van het joodse leven, een plek waar je moet zegevieren, of moet sterven. Op deze plek, waar Jezus ongetwijfeld meer geleden heeft dan op Golgotha, verliepen zijn dagen in dispuut en verbittering, te midden van vervelende canonieke controverse en exegese, waarbij zijn grote morele verhevenheid hem maar weinig hielp – wat zeg ik! – hem de schijn van minderwaardigheid gaf.

In deze woelige tijden slaagde de gevoelige en
zachtaardige Jezus erin een toevluchtsoord te vinden waar hij heel gelukkig was. Nadat hij de dag in dispuut had doorgebracht bij de tempel daalde Jezus 's avonds af in de Cedronvallei, rustte hij wat uit in de boomgaard van een boerenbedrijf genaamd Gethsemane (waarschijnlijk een producent van olijfolie), die als ontspanningsplek voor buurtbewoners diende en sliep hij op de Olijfberg, die in het oosten de horizon van de stad vormt. Die heuvel is de enige plek in de buurt van Jeruzalem die een prettige, groene aanblik biedt. Olijfbomen, vijgenbomen en palmen waren talrijk rondom de dorpen, boerderijen en hoven van Bethfagť, Getsemane en BetaniŽ. Op de Olijfberg stonden twee grote ceders die nog lang voortgeleefd hebben in de herinnering van de Joden: hun takken boden onderdak aan grote groepen duiven en in hun schaduw waren kleine bazaars opgezet. Deze omgeving was min of meer het thuis van Jezus en zijn discipelen; we zien dat zij de omgeving veld voor veld en huis voor huis kennen.

Het dorpje BetaniŽ, dat bovenop een heuvel lag, met uitzicht op de Jordaan en de Dode Zee, anderhalf uur gaans van Jeruzalem, had Jezus in het bijzonder lief. Hij maakte er kennis met een gezin bestaande uit drie mensen, twee zussen en een derde persoon, wier vriendschap veel voor hem betekende. De ene zus, Marta, was een goedhartige, gedienstige, ijverige vrouw; maar de andere, Maria geheten, beviel Jezus door een soort loomheid, en een goed ontwikkelde intuÔtie. Vaak vergat ze, aan Jezus' voeten gezeten, de verplichtingen van het huishouden. Haar zus, op wie al het werk dan aankwam, beklaagde zich mild. 'Marta, Marta!' antwoordde Jezus haar, 'Je loopt maar te zorgen de je maakt je druk om zoveel dingen; toch is er maar ťťn ding echt nodig. Maria heeft het goede gekozen en dat zal haar niet worden afgenomen.' Een zekere Simon de Melaatse, eigenaar van het huis, lijkt de broer van Marta en Maria te zijn geweest, of in elk geval een familielid. Daar, door hun eerbiedige vriendschap, vergat Jezus zijn walging van het publieke leven. In de vredige woning kwam hij bij van de onophoudelijke pesterijen van de FarizeeŽn en de schriftgeleerden. Hij beklom vaak de Olijfberg, tegenover de berg Moria, waar hij een prachtig uitzicht had op de tempel en de daken, die schitterden in de zon. Dat uitzicht werd door vreemdelingen bewonderd: vooral bij zonsopgang was de heilige berg oogverblindend en leek hij te bestaan uit sneeuw en goud. Maar een diep gevoel van droefheid verpestte voor Jezus het spektakel dat alle andere IsraŽlieten vervulde van blijdschap en trots. 'Jeruzalem, Jeruzalem! U doodt de profeten en stenigt hen die God u gestuurd heeft. Hoe dikwijls heb ik uw kinderen niet willen verzamelen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels! Maar u hebt niet gewild.'

Het is niet zo dat niemand door hem geraakt werd. Maar de invloed van de orthodoxie was zodanig, dat maar weinigen ervoor uit durfden te komen. Men vreesde bij de Jeruzalemmers in diskrediet te raken als men zich met deze school van een GalileeŽr inliet. Je zou riskeren uit de synagoge te worden verjaagd, wat in een bevooroordeelde en kleinzielige samenleving het grootste affront was. Tevens leidde excommunicatie tot inbeslagname van al je bezittingen. Door op te houden Jood te zijn, werd men geen Romein; men werd rechteloos onder de wetten van de strenge theocratie. Op een dag vertrouwden enkele lagere beambten van de tempel, die Jezus gelegenheid tot spreken hadden gegeven en door zijn discours vervoerd waren geraakt, hun twijfels aan de priesters toe. 'Is een van de leden van de Hoge Raad of een van de FarizeeŽn soms in hem gaan geloven? Maar dat volk dat de wet niet kent: vervloekt is het!' Jezus bleef in Jeruzalem aldus een provinciaal die door andere provincialen bewonderd werd, maar verworpen door de aristocratie. Sekteleiders waren zo talrijk dat men niet erg onder de indruk was wanneer er weer een nieuwe verscheen. Zijn stem vond in Jeruzalem weinig weerklank. Raciale en sektarische vooroordelen, directe vijanden van de geest van het evangelie, waren er te diep geworteld.

Het gedachtegoed van Jezus veranderde in deze nieuwe omgeving noodgedwongen. Zijn mooie preken, die berekend waren op de jeugdige verbeeldingskracht en de morele puurheid van zijn toehoorders, sloegen hier niet aan. Hij die zo op zijn gemak was aan de oevers van zijn mooie meer geneerde zich tegenover pedante stedelingen. Zijn redevoeringen werden een beetje langdradig. Hij moest theoloog, exegeet en jurist zijn. Zijn gesprekken, anders zo gracieus, verwerden tot discussies, een onophoudelijke reeks scholastieke disputen. Hij overspeelde zijn harmonieuze genie met zouteloze argumentatie over de Wet en de profeten, terwijl wij hem liever niet in de rol van agressor zien. Hij laat zich met een minzaamheid die ons pijn doet uit over de listige testen die de tactloze haarklovers hem laten ondergaan. Hij werd steeds vakkundig in het nauw gedreven. Zijn redeneringen waren weliswaar vaak subtiel (subtiliteit en eenvoud van geest komen samen als de eenvoudige wil redeneren is het altijd een beetje sofistisch); her en der zie je hoe hij misverstanden eruit pikt en er opzettelijk op doorgaat, maar zijn argumentatie is naar aristotelische maatstaven zeer zwak. Als zijn onvergelijkelijke charme zich echter laat zien wordt het een triomf. Op een dag dacht men hem voor schut te kunnen zetten door hem een overspelige vrouw te presenteren en hem te vragen wat er met haar moest gebeuren. Jezus' bewonderenswaardige antwoord is ons bekend. De tempering door een zalige goedheid van de listige spot van de wereldse man kan niet beter worden tentoongespreid. Maar die combinatie van geestdrift en morele grootsheid kan op weinig waardering van de onnozelen rekenen. Toen hij deze zo juiste en zo pure woorden uitsprak – 'Wie zonder zonde is werpe de eerst steen!' – drong Jezus door tot de kern van hypocrisie, en tegelijkertijd tekende hij zijn doodvonnis.

Het is denkbaar dat Jezus zonder de verbittering die het gevolg was van zoveel lage streken lang onopgemerkt had kunnen blijven en verdwenen was in de vervaarlijke storm die weldra de hele Joodse natie te gronde zou richten. De hogepriester en de sadduceeŽrs voelden eerder minachting voor hem dan haat. De grote priesterlijke families, de BoŽthusim, de familie van Hannan, toonden zich zelden fanatiek, behalve als het hun eigen comfort betrof. De saducceeŽrs keken evenals Jezus neer op de 'tradities' van de FarizeeŽn. Merkwaardig genoeg waren deze afvalligen, die de wederopstanding ontkenden, de orale traditie en het bestaan van engelen, de ware joden, of, beter gezegd, omdat de oude wet n zijn eenvoud niet meer voldeed aan de religieuze noden van de tijd, maakten zij die zich er strikt aan hielden en vernieuwingen afwezen op de gelovigen een oneerbiedige indruk, bijna zoals een evangelische protestant vandaag de dag als ongelovige beschouwd wordt in orthodoxe landen. In elk geval – uit die hoek zou Jezus geen sterke tegenstand kunnen krijgen. Een officiŽle priester, de blik gericht op de macht, en daarmee intiem verbonden, begreep niets van zulke geestdriftige bewegingen. Het was de farizese bourgeoisie, het waren de talloze soferim, of schriftgeleerden, die leefden van hun kennis van de 'traditie', die gealarmeerd waren, en die werkelijk hun denkbeelden en belangen bedreigd zagen door de leer van de nieuwe meester.

De FarizeeŽn waren continu bezig Jezus in een politieke val te lokken en hem met de partij van Judas de GalileeŽr in verband te brengen. Dit was een handige tactiek, want de diepste vindingrijkheid van Jezus moest eraan te pas komen om niet gebrouilleerd te raken met het Romeinse gezag, ondanks zijn afkondiging van het koninkrijk Gods. Op een dag werd hij benaderd door een groep FarizeeŽn en aanhangers van Herodes, die hem onder het mom van godsdienstijver vroegen: 'Meester, we weten dat u eerlijk bent en echt leert wat God van ons wil. Zeg ons dus wat u vindt: mogen wij aan de keizer belasting betalen, of niet?' Ze hoopten op een antwoord dat hun een reden zou geven hem aan Pilatus uit te leveren. Jezus' antwoord was bewonderenswaardig. Hij bekeek de beeltenis op een geldstuk. 'Geef de keizer wat de keizer toekomt, en God wat God toekomt.' Een belangrijke uitspraak die bepalend was voor de toekomst van het christendom! Een uitspraak van volmaakt spiritualisme en van een wonderbaarlijke juistheid, die de scheiding heeft gemaakt tussen het spirituele en het tijdelijke en de basis heeft gelegd voor het ware liberalisme en de ware beschaving!

Zijn zachtzinnige en doortastende geest gaven hem, wanneer hij alleen was met zijn discipelen, prachtige inzichten: 'Ik verzeker u: wie niet door de deur de schaapskooi binnengaat maar op een andere plaats naar binnen klimt, is een dief en een rover. Maar wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen. De man die bij de ingang de wacht houdt, doet de deur voor hem open: de schapen luisteren naar de stem van de herder, hoe roept de schapen die van hem zijn bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als hij ze allemaal naar buiten heeft gebracht, loopt hij voor ze uit en zij volgen hem, want ze kennen zijn stem. De dief komt alleen om te stelen en te vernietigen. Een gehuurde knecht is geen echter herder, de schapen zijn niet van hemzelf. Wanneer hij een wolf ziet komen laat hij ze in de steek en rent weg. Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij. Ik geef mijn leven voor de schapen.' Zijn grote welsprekendheid kwam altijd boven wanneer hij hypocrisie wilde aanpakken. 'De schriftgeleerden en de FarizeeŽn hebben zich bekleed met het gezag van Mozes. Houd u dus stipt aan alles wat zij u zeggen, maar neem geen voorbeeld aan hun daden. Want ze doen niet wat ze zeggen. Zij binden ondraaglijk zware lasten samen en leggen die op de schouders van de mensen, maar zelf willen ze geen vinger uitsteken om bij het dragen te helpen. Alles wat ze doen, doen ze om op te vallen bij de mensen. De banden met schrifttekens die zij op hun voorhoofd en aan hun armen dragen, maken ze extra breed, en de kwasten aan hun kleren maken ze extra lang. Ze zijn gesteld op de beste plaatsen aan tafel en de voorste banken in de synagoge. Ze willen graag gegroet worden op het marktplein en met 'rabbi' worden aangesproken. Wacht maar, schriftgeleerden en FarizeeŽn! Huichelaars! Want u sluit voor de mensen de deur naar het hemelse koninkrijk. Zelf gaat u niet naar binnen, en u verhindert het anderen die wel naar binnen willen. Wacht maar! Want u vaart de zee over en doorkruist het land om ťťn mens te bekeren, en als hij bekeerd is, maakt u hem rijp voor de hel, nog meer dan u zelf al bent. Wacht maar! Want u geeft aan God het tiende deel van kruiden als munt, dille en komijn, maar de belangrijkste voorschriften in de wet verwaarloost u, zoals recht, barmhartigheid en trouw. Juist deze dingen moet u doen zonder die andere te laten. Blinde leiders! U zeeft uw drinken om er een mug uit te halen, maar een kameel slikt u door. Wacht maar, huichelaars! Want u maakt bekers en schalen van buiten schoon, maar van binnen zitten ze vol roofzucht en onmatigheid. Blinde FarizeeŽr, maak bekers eerst van binnen schoon, dan worden ze het van buiten ook! Wacht maar! Want u lijkt op gewitte grafkelders die er van buiten mooi uitzien, maar van binnen vol liggen met knekels en vergane resten. Zo lijkt ook u van buiten wel rechtvaardig, maar van binnen zit u vol huichelarij en zonde. Wacht maar! Want u bouwt graftombes voor de profeten en versiert de monumenten van hen die rechtvaardig geleefd hebben, en u zegt: Als wij geleefd hadden in de tijd van onze voorouders, hadden we niet met hen meegedaan en hadden we de profeten niet gedood! Zo bevestigt u zelf dat u nakomelingen bent van hen die de profeten hebben gedood. Maak de maat van uw voorouders maar vol! De Wijsheid van God heeft dus wel terecht gesproken: Ik stuur daarom profeten, wijzen en schriftgeleerden naar u toe, maar sommigen van hen zult u doden en aan het kruis slaan, anderen geselen in uw synagogen of van stad tot stad vervolgen. Uiteindelijk zal op uw hoofd neerkomen al het onschuldige bloed dat op aarde vergoten is, van het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharias, zoon van Berekja, die u vermoord hebt tussen de tempel en het altaar. Ja, ik verzeker u, dat alles zal neerkomen op deze generatie.'

Zijn angstaanjagende dogma van plaatsvervanging door de heidenen, het idee dat het koninkrijk Gods op anderen zou overgaan, omdat de degenen voor wie het bestemd was het niet wilden hebben, was een enorme bedreiging voor de aristocratie, en zijn titel van Zoon van God, die hij openlijk uitdroeg in levendige parabolen, waarin zijn vijanden de rol van moordenaars van boodschappers van God speelden, was een uitdaging van de joodse wet. Dat hij zich hardnekkig bleef richten tot de lagere klassen was nog gevaarlijker. Hij verkondigde dat hij was gekomen om de blinden te laten zien en de zienden te verblinden. Op een dag ontglipte hem in zijn chagrijn jegens de tempel een onvoorzichtig woord: 'Deze tempel, die door mensen gemaakt is, zal ik afbreken en in drie dagen zal ik een andere bouwen die niet door mensen gemaakt is.' We weten niet goed wat Jezus hiermee wilde zeggen, hoewel zijn discipelen er er vergezochte allegorieŽn in zagen – maar omdat men op zoek was naar een reden om hem te vervolgen, werden de woorden ernstig opgevat. Ze zouden terugkomen in de overwegingen bij Jezus' doodvonnis en hem in de oren weergalmen tijdens zijn doodsangsten op Golgotha. Deze vervelende discussies eindigden altijd in woede. De FarizeeŽn gooiden stenen naar hem, waarmee ze niets anders deden dan het uitvoeren van de Wet, die opdraagt zonder wederhoor iedere profeet, iedere wonderdoener die het volk tot afvalligheid probeert te verleiden, te stenigen. Andere keren maakten ze hem uit voor gek, bezeten, een Samaritaan, of probeerden ze hem te doden. Men gebruikte zijn woorden om de wetten van een intolerante theocratie tegen hem in te roepen, die door de machtige Romeinen nog niet waren afgeschaft.

Dood van Jezus (hoofdstuk 25)

Hoewel het werkelijke motief voor Jezus' dood volledig religieus was, slaagden zijn vijanden er voor de rechtbank in hem een politiek misdrijf aan te wrijven; ze zouden van de skeptische Pilatus geen veroordeling gekregen hebben op theologische gronden. Als gevolg daarvan lieten de priesters het volk om Jezus' kruisiging vragen; als de veroordeling van Jezus een puur joodse aangelegenheid was geweest zou hij zijn gestenigd. Kruisiging was een Romeinse methode, gebruikt voor slaven en in gevallen waarin men de doodstraf wilde verzwaren met vernedering. Door deze straf op Jezus toe te passen behandelde men hem als een struikrover, een overvaller, een bandiet, als een crimineel van laag allooi die de Romeinen de eervolle dood door het zwaard wilde ontzeggen. Het is de denkbeeldige 'koning der Joden', niet de onorthodoxe theoloog, die men bestrafte. Om dezelfde reden werd de executie zelf aan de Romeinen overgelaten. In die tijd fungeerden bij politieke veroordelingen Romeinse soldaten als beulen. Jezus werd dus overgeleverd aan een detachement van huurlingen onder leiding van een centurion, en hij werd blootgesteld aan alle hatelijke martelingen die tot de wrede gebruiken van de nieuwe overheersers behoorden. Het was rond het middaguur. Men trok hem zijn kleren weer aan, die hem afgenomen waren voor de openbare parade. Daar het cohort al twee dieven in bewaring had die ter dood moesten worden gebracht voegde men hen samen en stoet ging op weg naar de executieplaats.

Deze plaats was een plek genaamd Golgotha, buiten Jeruzalem, maar dicht bij de stadsmuren gelegen. De naam Golgotha betekent schedel, komt schijnbaar overeen met ons Chaumont en duidde waarschijnlijk een ontboste heuvel aan die de vorm had van een kaal hoofd. We weten niet precies waar deze heuvel zich bevond. Het was zeker ten westen of noord-westen van de stad, in de onregelmatige hoogvlakte die zich uitstrekt tussen de stadsmuren en de valleien van Cťdron en Hinnom, een nogal alledaagse streek, versomberd door de gevolgen van de nabijheid van een grote stad. Er is geen doorslaggevende reden om Golgotha te situeren op de plek waar, sinds Constantijn, het gehele christendom het vereerd heeft. Maar er is ook geen belangrijk bezwaar dat ertoe verplicht de christelijke traditie op dit punt in verwarring te brengen.

De tot kruisiging veroordeelde moest zelf het instrument van zijn marteling dragen. Maar Jezus, lichamelijk zwakker dan zijn twee gezellen, kon het gewicht van zijn kruis niet aan. De groep kwam een zekere Simon van CyrŤne tegen, die terugkwam van het land, en de soldaten, met de bruuske manieren van een vreemdelingenlegioen, dwongen hem de fatale stam te dragen. Misschien beriepen zij zich hier op een erkende herendienst, omdat de Romeinen het beruchte hout zelf niet mochten dragen. Het lijkt erop dat Simon later deel uitmaakte van de christelijke gemeenschap. Zijn twee zonen, Alexander en Rufus, waren vooraanstaande leden. Hij heeft wellicht meerdere details overgeleverd waarvan hij getuige was. Geen van de discipelen was op dat moment in de buurt van Jezus.

Ten slotte kwam men aan op de executieplaats. Naar joods gebruik bood men de veroordeelden sterk gekruide wijn aan, een benevelende drank die men de veroordeelde uit medelijden gaf, zodat hij zich kon bedwelmen. Schijnbaar werd deze wijn vaak door Jeruzalemse dames naar de ongelukkigen aan het kruis gebracht, maar als zij niet verschenen werd het met publiek geld gekocht. Jezus weigerde te drinken, na met zijn lippen het glas te hebben beroerd. Dit trieste soelaas voor gewone veroordeelden paste niet bij zijn verheven natuur. Hij liet het leven liever in volledige tegenwoordigheid van geest en wachtte bij vol bewustzijn de dood af die hij gewild en over zich afgeroepen had. Toen werd hij uitgekleed en aan het kruis gehangen. Het kruis bestond uit twee balken die een 'T' vormden. Het was niet hoog, zodat de voeten van de veroordeelde bijna de grond raakten. Eerst richtte men het kruis op, vervolgens hing men de veroordeelde eraan door hem spijkers in de handen te slaan; de voeten werden vaak vastgespijkerd, soms alleen met touw vastgebonden. Een houten blok, een soort voelspriet, werd aan de stam van het kruis bevestigd, in het midden, en stak tussen de benen van de veroordeelde door, die erop steunde. Zonder dat zouden de handen uitgescheurd en het lichaam ingezakt zijn. Andere keren werd een horizontaal plankje aangebracht ter ondersteuning van de voeten.

Jezus smaakte deze verschrikkingen in al hun wreedheid. De twee dieven waren naast hem gekruisigd. De beulen, aan wie men gewoonlijk de waardeloze vodden van de gemartelden naliet, lootten om zijn kleren en bewaakten hem, gezeten aan de voet van het kruis. Volgens de overlevering sprak Jezus deze woorden, die, indien niet over zijn lippen, zeker uit zijn hart zijn gekomen: 'Vader, vergeef hen; ze weten niet wat ze doen.'

Boven aan het kruis was, naar Romeinse gebruik, een bordje bevestigd met in drie talen, Hebreeuws, Grieks en Latijn, het opschrift: DE KONING DER JODEN. Die woordkeus had iets bezwaarlijks en kwetsends voor het Joodse volk. De vele voorbijgangers die het lazen waren beledigd. De priesters lieten Pilatus weten dat er voor een formulering had moeten worden gekozen die impliceerde dat Jezus zelf de koning der Joden beweerde te zijn. Maar Pilatus, die genoeg had van deze zaak, weigerde iets te veranderen aan wat geschreven stond.

De discipelen waren gevlucht. De overlevering wil niettemin dat Johannes steeds aan de voet van het kruis gestaan heeft. Met meer zekerheid kunnen we aannemen dat de trouwe vriendinnen uit Galilea, die Jezus naar Jeruzalem waren gevolgd en hem bleven dienen, hem niet in de steek gelaten hadden. Maria Kleopas, Maria Magdalena, Johanna, vrouw van Khouza, Salomť en enkele anderen hielden zich op in zijn nabijheid en verloren hem niet uit het oog. Als we het vierde evangelie moeten geloven was Maria, moeder van Jezus, ook bij het kruis, en zei Jezus, toen hij zijn moeder en zijn geliefde discipel verenigd zag, tegen de ťťn: 'Zie daar uw moeder', en tegen de ander: 'Zie daar uw zoon'. Maar het is onverklaarbaar waarom de synoptische evangelisten, die wel de andere vrouwen noemen, de aanwezigheid van Maria, zo'n opvallend gegeven, onvermeld zouden laten. Misschien is zelfs voor een verheven natuur als Jezus zo'n teder woord niet waarschijnlijk op het moment dat hij slechts nog voor de mensheid bestaat en vervuld is van zijn taak.

Los van deze kleine groep vrouwen, die hem van veraf troostten, had Jezus slechts zicht op het spektakel van de laagheid en domheid van de mens. Voorbijgangers beledigden hem. Op zich heen hoorde hij dwaze scherts en zijn laatste kreten van ellende werden met hatelijke woorden bespot: 'Jij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red nu jezelf, als je de zoon van God bent, en kom van het kruis af!' 'Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet. Hij is toch koning van IsraŽl? Laat hij maar van het kruis afkomen, dan zullen we hem geloven. Hij vertrouwt op God. Laat God hem dan redden, als hij van hem houdt!' Sommigen, vaag op de hoogte van zijn apocalyptische ideeŽn, meenden hem Elia te horen aanroepen en zeiden: 'Ze zullen zien of Elia hem komt bevrijden.' Het lijkt erop dat de twee dieven die naast hem gekruisigd waren hem ook beledigden. De lucht was somber, de wereld, zoals overal in de buurt van Jeruzalem, dor en doods. Volgens sommige verhalen verloor hij even de moed; een wolk bedekte het gezicht van zijn Vader, hij had hopeloze stervenspijn, duizend maal schrijnender dan elke marteling. Hij zag niets dan de ondankbaarheid van de mensen; hij betreurde misschien te hebben geleden voor een verachtelijk ras en riep uit: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?' Maar zijn goddelijk instinct leidde hem nog steeds. Terwijl zijn lijfelijke leven uitdoofde kwam zijn geest tot rust en hervond hij zijn hemelse oorsprong. Hij hernam zich en zag in zijn dood de redding van de wereld; hij verloor het afzichtelijke gebeuren uit het zicht dat zich aan zijn voeten afspeelde, en aan het kruis, ten diepste herenigd met zijn Vader, begon hij aan het goddelijke leven dat hij eeuw na eeuw in de harten van de mensheid zou leiden.

Een bijzonder wreed aspect van de marteling aan het kruis was dat je nog nog drie of vier dagen kon blijven leven in deze gruwelijke staat. Het bloeden van de handen hield snel op en was niet dodelijk. De werkelijke doodsoorzaak was de onnatuurlijke lichaamshouding, die de bloedsomloop vreselijk hinderde, pijn veroorzaakte in hoofd en hart en uiteindelijk leidde tot verstijving van de ledematen. Gekruisigden met een goede gesteldheid konden slapen en stierven pas door honger. De achterliggende gedachte van deze wrede martelmethode was de veroordeelde niet met een fatale verwonding te doden, maar de slaaf vast te spijkeren door de handen waarvan hij geen goed gebruik had weten te maken en hem te laten rotten aan het hout. De delicatie conditie van Jezus bespaarde hem deze langzame dood. Een brandende dorst, een van de kwellingen van de kruisiging, zoals van alle martelingen die hevige bloedingen met zich meebrengen, verscheurde hem. Hij vroeg te drinken. Er was een vat vol posca, een gangbaar soldatendrankje, een mengsel van azijn en water. Soldaten moesten dat bij zich hebben tijdens al hun dienstverrichtingen, waaronder ook executies vielen. Een soldaat doopte een spons in het vat, prikte hem aan het einde van een stok en bracht hem naar Jezus' lippen, die eraan zoog. Men beeldt zich in het Midden-Oosten in dat het laven van gekruisigden en gehangenen de dood bespoedigt: velen geloofden dat Jezus kort na de azijn gedronken te hebben de geest gaf. Het is veel waarschijnlijker dat een beroerte of een gescheurde hartslagader hem na drie uur plotseling doodde. Vlak voordat hij de geest gaf had hij nog een luide stem. Plotseling slaakte hij een vreselijke kreet, waarin sommigen hoorden: 'O vader, ik leg mijn ziel in uw handen!' en ander, meer bedacht op het uitkomen van profetieŽn: 'Het is volbracht.' Zijn hoofd viel op zijn borst en hij stierf.

Rust nu in je glorie, nobele stichter. Je werk is volbracht; je goddelijkheid is gegrondvest. Vrees niet langer door een fout het resultaat van je inspanningen te zullen zien instorten. Voortaan kun je, ongehinderd door lichamelijke kwetsbaarheid, vanuit de hemel van goddelijke vrede, de gevolgen van je handelen aanschouwen. Tegen de prijs van enkele uren lijden, die je grootse geest niet eens aangetast hebben, heb je je de meest volmaakte onstervelijkheid verschaft. De wereld zal duizenden jaren afhankelijk van je zijn! Je zult het vaandel van onze tegenstellingen zijn, het middelpunt van onze vurigste twisten. Je zult na je dood duizend maal levender en duizend maal geliefder zijn dan tijdens de dagen die je op aarde doorbracht, je zult in zulke mate de hoeksteen van de mensheid worden, dat het uitwissen van je naam gelijk zou staan aan het vernietigen van de beschaving. Men zal geen onderscheid meer maken tussen jou en God. Je hebt de dood volledig overwonnen; neem bezit van je koninkrijk, waarnaar eeuwen van aanbidders je zullen volgen via de koninklijke weg die jij bereid hebt.

Jezus in het graf (hoofdstuk 26)

Het was, volgens onze manier van tellen, ongeveer drie uur 's middags toen Jezus stierf. Een joodse wet verbood het lijk te laten hangen op de avond na de executie. Het ligt niet voor de hand dat deze regel gehandhaafd werd bij door de Romeinen ten uitvoer gebrachte executies. Maar omdat het de volgende dag sabbat was, en de sabbat bijzonder plechtig is, spraken de Joden bij de Romeine autoriteiten de wens uit dat die heilige dag niet bevlekt zou worden door een dergelijke omstandigheid. Hun verzoek werd ingewilligd; er werden orders uitgevaardigd om de dood van de drie veroordeelden te bespoedigen en de lichamen van het kruis te halen. De soldaten voerden dit bevel uit door op de twee dieven een andere lijfstraf toe te passen, voortvarender dan de kruisiging, crurifragium, het breken van de benen, de gebruikelijke bestraffing van slaven en krijgsgevangenen. Wat betreft Jezus, hij was al dood en ze vonden het niet nodig zijn benen te breken. Om echter alle twijfel over het overlijden van deze derde gekruisigde weg te nemen, of dit te bewerkstelligen in het geval dat hem nog enige adem restte, stak een van hen hem in zijn zij met een speer. Men meende bloed en water te zien vloeien, wat als een bewijs van zijn dood werd beschouwd.

De vierde evangelist, die hier de apostel Johannes als ooggetuige opvoert, legt veel nadruk op dit detail. Het is immers duidelijk dat er twijfels rezen over de dood van Jezus. Een paar uur aan het kruis leek mensen die vaker kruisigingen hadden gezien onvoldoende voor een dergelijk resultaat. Men haalde meerdere gevallen aan van gekruisigden die, tijdig van het kruis gehaald, met krachtige middelen weer tot leven gewekt waren. Origenes zag zich later gedwongen zich op een wonder te beroepen om zo'n spoedig einde te verklaren. Dezelfde verbazing is terug te vinden in het verslag van Marcus. Het beste bewijs dat een historicus van een dergelijke kwestie heeft is eigenlijk de achterdochtige haat van Jezus' vijanden. Het valt zeer te betwijfelen of de Joden toen al vervuld waren van de vrees dat Jezus voor herrezen zou doorgaan, maar ze zullen er in elk geval op hebben toegezien dat hij werkelijk dood was. Hoe nalatig de oude volkeren soms ook waren als het gaat om juridische nauwgezetheid en een correcte afhandeling van zaken, het is niet voor te stellen dat de belanghebbenden in dit geval, dat hen zo direct aanging, niet enige maatregelen zouden hebben getroffen.

Volgens het Romeinse gebruik had Jezus' lichaam moeten blijven hangen als aas voor de roofvogels. Volgens de Joodse wet moest het 's avonds van het kruis gehaald worden en in het roemloze graf voor geŽxecuteerden gelegd worden. Als Jezus' geen andere aanhangers had gehad dan arme, timide GalileŽrs, zou het hem ook zo vergaan zijn. Maar we hebben gezien dat hij, ondanks zijn geringe succes in Jeruzalem, de sympathie van enkele aanzienlijke personen had gewonnen die het koninkrijk van God verwachtten en die, zonder toe te geven zijn discipelen te zijn, een diepe verbondenheid met hem voelden. Een van deze personen, Jozef, uit het kleine plaatsje Arimathea (HaramathaÔm), ging 's avonds bij de procurator om het lichaam vragen. Jozef was een rijk en eerzaam man, lid van de sanhedrin. De Romeinse wet bepaalde destijds dat het lichaam van een gehangene moest worden overgedragen aan wie erom vroeg. Pilatus, die niet van het crurifragium wist, verbaasde zich erover dat Jezus zo snel gestorven was en liet de centurion komen die op de executie had toegezien, om te weten te komen hoe het zat. Nadat de centurion hem verzekerd had dat Jezus dood was willigde Pilatus Jozefs verzoek in. Het lichaam was toen waarschijnlijk al van het kruis gehaald. Men gaf het Jozef om ermee toe doen wat hij maar wilde.

Ook een andere geheime vriend, Nicodemus, die we zijn invloed al eerder ten gunste van Jezus hebben zien aanwenden, liet zich niet onbetuigd. Hij kwam met een ruime hoeveelheid van de kruiden aan die nodig zijn voor balseming. Jozef en Nicodemus begroeven Jezus volgens Joods gebruik, dat wil zeggen gewikkeld in een lijkwade met mirre en aloŽ. De Galileese vrouwen waren aanwezig en begeleidden het schouwspel zonder twijfel met tranen en schelle kreten.

Het was laat en dit alles gebeurde in grote haast. Er was nog geen plek gekozen waar het lichaam definitief zou komen te rusten. Bovendien had die verplaatsing nog wel een uur kunnen duren en de sabbat kunnen schenden; en de discipelen gehoorzaamden nog altijd gewetensvol aan de Joodse wet. De keuze viel zodoende op een tijdelijk graf. In een tuin in de buurt was onlangs een tombe uit de rotsen gehouwen. Waarschijnlijk was die in bezit van een sympathisant. Grafspelonken bestonden, als ze voor een enkel lichaam bedoeld waren, uit een kleine ruimte waarin uit de achterwand een boog gehouwen was en een kribbe voor het lichaam. Omdat deze spelonken uit steile rotswanden gehouwen werden kon men ze gelijkvloers betreden; de ingang werd afgesloten met een zeer moeilijk te verplaatsen steen. Ze legden Jezus in het graf; ze rolden de steen voor de ingang, en namen zich voor terug te keren om hem een volmaaktere begrafenis te geven. Maar omdat de volgende dag een plechtige sabbat was, werd het werk pas de dag daarna hervat.

De vrouwen trokken zich terug nadat zij zich er zorgvuldig van hadden overtuigd hoe het lichaam erbij lag. Ze gebruikten de overige avonduren om opnieuw voorbereidingen voor een balseming te treffen. Zaterdag rustte iedereen uit.

Zondagochtend vroeg kwamen de vrouwen, Maria Magdalena als eerste, naar de tombe. De steen was voor de ingang weggerold, en het lichaam lag niet meer op de plek waar ze het hadden neergelegd. Intussen hoorde men in de christelijke gemeenschap de vreemdste dingen. De uitroep 'Hij is opgestaan!' ging als een lopend vuurtje onder de discipelen. Hun liefde droeg bij aan hun lichtgelovigheid. Wat was er gebeurd? De oorsprong van de opstandingslegende moeten we onderzoeken als we de geschiedenis van de apostelen behandelen. Het leven van Jezus eindigt voor de historicus met zijn laatste ademtocht. Maar de indruk die hij had nagelaten in de harten van zijn discipelen en enkele toegewijde vriendinnen was zo diep dat hij voor hen nog wekenlang in leven was en hun troost gaf. Wie had zijn lichaam weggenomen? In welke omstandigheden kon door goedgelovig enthousiasme een verzameling verhalen ontstaan waarop men het geloof in de opstanding baseert? Dat zullen we nooit weten, omdat de bronnen elkaar tegenspreken. Maar laten we zeggen dat de sterke verbeeldingskracht van Maria Magdalena hier een belangrijke rol bij heeft gespeeld. De goddelijk kracht van de liefde! Het heilige moment waarop de hallucinaties van een gepassioneerde vrouw de wereld een herrezen God geeft!


Het lot van de vijanden van Jezus (hoofdstuk 27)

Volgens de berekening die wij hanteren viel de dood van Jezus in het jaar 33. Het kan in elk geval niet eerder zijn geweest dan het jaar 29, want de prediking van Johannes de Doper en Jezus begon in het jaar 28, noch later dan het jaar 35, want in het jaar 36, schijnbaar nog voor Pasen, verloren Pilatus en Kajafas hun functies. De dood van Jezus had overigens niet met deze ontslagen te maken. Pilatus heeft bij zijn pensioen waarschijnlijk geen moment bedacht aan de gebeurtenis die zijn trieste roem zou vestigen bij latere generaties. Wat betreft Kajafas, zijn opvolger was Jonathan, zijn zwager, zoon van dezelfde Hanan die in het proces tegen Jezus de hoofdrol had gespeeld. De Sadducese familie van Hanan bekleedde al lange tijd het pontificaat en vervolgde, machtiger dan ooit, de verbeten strijd die men tegen Jezus zelf begonnen was tegen de familie en discipelen van de grondlegger. Het christendom heeft aan Hanan de beslissende aanzet tot haar stichting te danken, maar ook haar eerste martelaren. Hij werd beschouwd als de gelukkigste mens van zijn tijd. De werkelijke schuldige aan de dood van Jezus stierf op het hoogtepunt van zijn roem en aanzien, zonder ook maar een moment te hebben betwijfeld dat ook hij zijn volk een grote dienst bewezen had. Zijn zonen zetten zijn heerschappij rondom de tempel voort, met grote moeite in toom gehouden door de procuratoren, en vaak aan hen voorbijgaand, om hun arrogante, gewelddadige instincten te kunnen botvieren.

Ook Antipas en Herodias verdwenen spoedig van het poltieke toneel. Toen Herodes Agrippa door Caligula tot koninklijke waardigheid was verheven bezwoer de jaloerse Herodias ook koningin te worden. Onder constante druk van deze ambitieuze vrouw, die hem lafheid verweet omdat hij iemand boven zich duldde in zijn familie, overwon Antipas zijn natuurlijke onverschilligheid en begaf hij zich naar Rome om voor zichzelf de titel te vragen die zijn neef gekregen had (jaar 39 van onze jaartelling). Maar de zaak liep uit de hand. Door Herodes Agrippa bij de keizer belasterd werd Antipas afgezet en voor de rest van zijn leven verbannen, eerst naar Lyon, toen naar Spanje. Herodias volgde hem op zijn schaamtevolle pad. Ten minste honderd jaar moest nog voorbij gaan voordat de naam van hun onbetekenende, inmiddels vergoddelijkte onderdaan tot deze verre oorden reikte en bij hun graven de moord op Johannes de Doper in herinnering bracht.

Over de ongelukkige Judas Iskariot doen vreselijke legendes de ronde. Men neemt aan dat hij, met de opbrengst van zijn ontrouw, een stuk grond in de buurt van Jeruzalem heeft gekocht. Er was even ten zuiden van de berg Zion een plek genaamd Hakeldama (bloedveld). Men gaat ervan uit dat dat het eigendom van de verrader was. Volgens de ene overlevering heeft hij zelfmoord gepleefd. Volgens een andere kwam hij ten val op zijn stuk grond, als gevolg waarvan zijn ingewanden zich uitstortten over de aarde. Volgens weer een andere stierf hij aan een vorm van waterzucht, in afgrijzelijke omstandigheden die men voor een kastijding uit de hemel aanzag. Het verlangen in Judas een pendant van Achitofel te zien en de verwezenlijking aan te tonen van de dreigementen die in de psalmen tegen verraad van vriendschap worden uitgesproken heeft mogelijk aanleiding gegeven tot deze legendes. Misschien leidde Judas, teruggetrokken op zijn stuk grond in Hakeldama, een rustig en onbetekenend leven, terwijl zijn oude vrienden de verovering van de wereld voorbereidden en het gerucht verspreidden van zijn schandelijke daad. Misschien ook leidde de ontzettende haat tegen hem tot gewelddadigheden, waarin de hand van God werd gezien.

Los daarvan was de tijd van grote christelijke wraaknemingen nog ver verwijderd. De nieuwe sekte had niets te maken met de karastrofe die het Jodendom spoedig zou ondergaan. De synagoge begreep pas veel later waaraan men zich blootstelt als men intolerante wetten uitvaardigt. Het Romeinse Rijk was er nog lang niet op bedacht dat zijn toekomstige vernietiger geboren was. Bijna drie eeuwen gingen de Romeinen voort zonder te beseffen dat in hun boezem ideeŽn groeiden die bestemd waren om de mensheid compleet te transformeren. Het gedachtegoed van Jezus, tegelijkertijd theocratisch en democratisch, was samen met de invasie door de Germanen de oorzaak van het uiteenvallen van het werk van de keizers. Enerzijds onstond een ieders recht om deel te nemen aan het koninkrijk van God. Anderzijds waren godsdienst en staat nog altijd van elkaar gescheiden. Het recht van het geweten, onttrokken aan de politieke wet, brachten een nieuwe macht tot stand, de 'geestelijke macht'. Deze macht heeft zijn oorsprong meer dan eens verloochend; eeuwenlang waren de bisschoppen prinsen en was de paus een koning. De zogenaamd geestelijke macht heeft zich diverse malen een vreselijke tirannie betoond, gehandhaafd met behulp van martelingen en executies. Maar de dag zal komen waarop de scheiding van godsdienst en politiek zijn vruchten zal dragen, waarop het domein van de geestelijke dingen zich geen 'macht' meer zal noemen, maar een 'vrijheid'. Het christendom is, voortgekomen uit de onverschrokken prediking van een man van het volk, ontloken onder het volk, aanvankelijk geliefd en bewonderd door het volk, doordrenkt van een oorspronkelijk karakter dat nooit meer zal verdwijnen. Het was de eerste revolutionaire triomf, de overwinning van het volk, de troonsbestijging van de eenvoudigen van geest, de huldiging van volkidealen. Jezus heeft in de oude aristocratische maatschappijen de bres geslagen waaraan zij uiteindelijk ten onder gingen.

De politieke machthebbers zijn eigenlijk onschuldig aan de dood van Jezus (ze hebben slechts, ondanks zichzelf, het vonnis geratificeerd), maar ze dragen een zware verantwoordelijkheid. Door toe te kijken bij het schouwspel op de Schedelberg bracht de Staat zichzelf een zeer zware klap toe. Er kwam een legende vol oneerbiedigheden uit voort die de wereld veroverde, een legende waarin de gevestigde orde een gehate rol speelt, waarin de beschuldigde gelijk heeft, waarin de ordetroepen en de rechters samenspannen tegen de waarheid. Het passieverhaal, onder miljoenen mensen verspreid, is bij uitstek opruiend: het laat zien hoe de Romeinen de meest onrechtvaardige straf denkbaar sanctioneren, en hoe Romeinse soldaten die uitvoeren, onder toezicht van een Romeinse prefect. Wat een klap voor de gevestigde orde! Ze zijn er nooit meer helemaal van hersteld. Hoe kun je je tegenover het arme volk een air van onfeilbaarheid aanmeten met de grote schande van Getsemane op je geweten?


de drie doden van dokter Austino (1936, Varlam Sjalamov) 

    Een geschoren achterhoofd raakt de koude muur. Het voelt klam, hoewel de zon al lang op is. Bij de muur ertegenover staan soldaten. Hun knopen glimmen zwak. Eťn, twee... zes knopen aan een soldatenjas. Naast hen staat een officier. Dokter Austino had hem al gezien in het erekonvooi van de gouverneur. Maar toen droeg hij een pluimhelm. Nu een pet. Het is vandaag immers een gewone werkdag voor de officier. Naast elkaar tegen de muur: kameraden. Dokter Austino kent ze niet, maar het zijn krijgskameraden, vrienden, die gestreden hebben en zullen sterven voor ťťn zaak. Ze schudden elkaar de hand, hun boeien klingelen licht. Net gewassen witte blinddoeken worden voor de ogen van de veroordeelden gebonden. Dokter Austino weigert. Hij heeft voldoende moed om de dood met open ogen tegemoet te gaan. Maar het mag niet zonder blinddoek, dat staat het executiereglement niet toe. Zijn ogen worden bedekt, zoals die van alle anderen. Wanordelijk heffen ze een lied aan. Het vlot niet. Het lied stokt. Nu vult de officier, vermoedelijk, de magazijnen van de soldatengeweren: sommige met losse flodders, andere met echte munitie, zodat niemand weet of juist hij een moordenaar is. De officier steekt, waarschijnlijk, zijn hand op...

    -'Ho, wacht! Wie is hier dokter Austino?'

    De dokter doet een stap naar voren. Zijn blinddoek wordt hem afgedaan. Een hijgende soldaat brengt op warrige en onsamenhangende wijze verslag uit aan de officier. De vrouw van de gevangeniscommandant is voortijdig aan het bevallen. Ze dreigt te sterven. De enige arts van dit kleine provinciestadje is een goede honderd mijl de bergen in getrokken en zal pas tegen de ochtend terugkeren. De commandant is ten einde raad. Het is de eerste bevalling van zijn vrouw, haar eerste kind.

-'Ga!, zegt de officier tegen de dokter, 'Het spektakel gaat niet door!'

    Dokter Austino kent de gevangeniscommandant, een magere bruut met een dun snorretje, in een onberispelijk, smetteloos uniform gestoken. Hij was het die tijdens een samenkomst van gevangenen het bevel gaf de cellen onder water te zetten. Hij was het die het systeem van hels hete en ijzig koude strafcellen perfectioneerde. Hij was de hoogopgeleide bruut die eigenhandig gevangenen in elkaar sloeg. Dokter Austino kent ook de vrouw van de bruut – een vetgemest, opgedirkt vrouwmens, begunstigster van kerken en kapelletjes, die huispersoneel dat het badwater twee graden te warm liet worden sloeg met een paraplu. Dokter Austino gaat niet. Zalige wraak op de vijand in de laatste minuut van zijn leven. Duivels, wat had dokter Austino een geluk!
    Maar Austino is immers arts! Hij had de eed gezworen. Onzin! Al zijn rechten zijn hem afgenomen. Hij staat op de drempel van de dood. De naderende dood ontslaat hem van elke eed en belofte. Maar van elke? Ook de belofte van haat? En de belofte van liefde? Dokter Austino denkt aan het kind dat geboren zal worden. Het wordt een jongetje, natuurlijk. Dokter Austino ziet hem: een pieperig, ongezond kind, dat langzaam de borsten van de voedster afknabbelt. Een te vroeg geboren kind met een zieke lever en een onvolgroeid lichaam, opgegroeid met een kruik in bed, een kleine, door zorg omringde egoÔst. Ze brengen hem vanaf zijn kindertijd bij dat hij een wezen van hogere orde is, dat de wereld hem toebehoort. Dokter Austino ziet het brutenjong katjes verzuipen en kuikens de ogen uitprikken. Kijk hem in zijn uniformpje, de opgroeiende moordenaar. Kijk de bezorgde moeder, die personeel aanneemt ten gerieve van haar zoon. De dokter ziet de dienstmeid – een huilende, zwangere vrouw, die zich verward voortsleept over de hete klinkers van de stad.
    Het brutenjong groeit op tot bruut, hij heeft al leiding gegeven aan het uiteendrijven van een demonstratie en zijn eerste promotie gemaakt, en 's avonds, dansend, met een goed glas Jurawijn in de hand, zonder ook maar een druppel te morsen, schept de jonge bruut op over zijn eerste succes. Zo zal hij worden, en niet anders, als zoon van een bruut.
    'Ik weiger', zegt dokter Austino luid en duidelijk. 'Weest vervloekt!' Hij wordt weer geblinddoekt. En dokter Austino heft een overwinningslied aan. Hou op! Dokter! Er sterft een mens, en er wordt een mens geboren. Twintig jaar lang kwam dokter Austino om het minste of geringste, zelfs 's nachts, bij slecht weer, of als hij ziek was – hij kwam altijd. Dat was zijn gewoonte geworden. En waarom was hij dokter geworden? Hij hield van mensen – hij wilde en zou genezen, het leven redden van de dood. Zou hij dan nu die liefde verloochenen? Er is een mensenleven in gevaar, en wat is er belangrijker dan het leven? Zijn eigen dood nabij redt de dokter twee mensen. En misschien ook een derde, zichzelf. De gevangeniscommandant heeft immers ook menselijke gevoelens. Dankbaarheid. Maar ook als dokter Austino zou sterven, dan heeft hij toch iets grootmoedigs gedaan. De soldaten zullen het opmerken en aan anderen vertellen – de hele stad, de hele wereld zal weten wat een edelmoedig mens dokter Austino was. Hij moet wel gaan. Hij wil leven. Al was het maar een dag. Maar misschien ook langer: jaren. Wat een heerlijk vooruitzicht! Maar zo niet? Dan zal hij proberen te vluchten. Hoe dan ook, het belangrijkste is dat er een mensenleven in gevaar is, en dokter Austino, de mensenvriend...
    'Ik ga,' zegt Dokter Austino. Hij voelt de blikken van zijn kameraden in zijn rug, misschien hatelijke, misschien jaloerse blikken. Trouwens, ze zijn geblinddoekt. De hele hemel stort zich uit boven dokter Austino, de wind striemt het in het gezicht, terwijl de wagen stuiterend en onafgebroken toeterend naar het stadshospitaal vliegt. Dokter Austino wijst instrumenten aan en de bewakers stoppen ze in een koffer.
    In de woning, waar de vrouw ligt te sterven, ontmoet de dokter een verwarde en meelijwekkende man met ontstoken ogen, groene wangen en scherp omlijnde jukbeenderen. Zijn onderlip trilt, hij strekt zijn dunne vingers met lange nagels naar de arrestant uit. De bewakers staan in de houding bij een enorme buste van Dante. Barokke boekenkasten strekken zich uit langs de wanden van het vertrek. Op een kleine, witte vleugel staat een boeket verwelkte bloemen. Een opengeslagen Engels boek ligt op de divan. Een apparaatje om een snor te draaien is van de kaptafel gevallen. Dokter Austino steekt zijn handen uit en de vermoeide, magere man snelt naar de schrijftafel. Hij haalt een sleutel tevoorschijn en maakt de handboeien los. De gevangeniscommandant was trots op zijn speciale boeien, die hij zelf had uitgevonden, en slechts belangrijke misdadigers omdeed.
    Dokter Austino strekt zijn verstijfde vingers en gaat naar de kamer van de aanstaande moeder. Het uitgeputte, vertrokken gezicht van de vrouw kijkt hoopvol naar de dokter. Haar ogen zijn diep ingevallen en rood schuim staat op haar lippen. 'Sublimaat hebben we natuurlijk vergeten,' zegt de dokter. 'Breng me alcohol en kook wat water! Waar kan ik me opfrissen? Ik heb me al een maand niet gewassen.' Een uur later komt de dokter terug uit de slaapkamer. In zijn handen ligt, gewikkeld in wit gaas, het blauwige lichaampje van een kind. Het kind piept zachtjes. 'Dit is uw zoon,' zegt dokter Austino, 'de moeder is buiten levensgevaar.' Er komt een bode de kamer binnen – de stadsdokter is teruggekeerd uit de bergen. De bewakers brengen Austino terug naar de gevangenis en hij zit tot de volgende ochtend hongerig in zijn cel, verstoken van eten – de administratie beschouwt hem al als dode. 's Ochtends nemen soldaten hem mee naar de vierkante binnenplaats van de gevangenis.
    Een geschoren achterhoofd raakt de koude, vochtige muur. Dokter Austino wordt geblinddoekt en hij hoort het zachte bevel van de officier.

(Vertaald in samenwerking met Daan in 't Veld en Stefan van den Akker.)-


mijn muzikale leven (1906, memoires van Nikolaj Rimski-Korsakov)

HOOFDSTUK I 1844-1856

    Ik werd geboren in de stad Tichvin op 6 maart 1844. Mijn vader was toen allang met pensioen en had zijn eigen huis waar hij woonde met mijn moeder en mijn oom (zijn broer) Pjotr Petrovitsj Rimski-Korsakov. Ons huis stond bijna aan de rand van de stad, aan de oever van de Tichvinka. Aan de overkant, tegenover ons, bevond zich het mannenklooster van Tichvin.
    In het eerste jaar van mijn bestaan gingen mijn ouders een tijdje naar St. Petersburg, naar een broer van mijn vader, Nikolaj Petrovitsj Rimski-Korsakov, en namen mij mee. Nadat we terugkwamen heb ik tot 1856 onafgebroken in Tichvin gewoond.
    Vanaf mijn vroege kindertijd gaf ik blijk van muzikale begaafdheid. Wij hadden een oude piano; mijn vader speelde redelijk, maar niet bijzonder vlot, op zijn gehoor. Tot zijn repertoire behoorden enkele operamotiefjes uit zijn tijd; zo herinner ik me de bekende romance uit 'Josef', een aria uit 'Tankred', de begrafenismars uit 'De Vestaalse maagd' en een aria van Papageno uit de 'Toverfluit'. Mijn vader zong veel, waarbij hij zichzelf begeleidde. De liedjes die hij zong waren meestal stichtelijke versjes; ik herinner me bijvoorbeeld deze:
     
    O gij, die door lezen
    de geest wil verlichten,
    leest geen zinloze boeken    
    waakt voor groter duisternis.

    Zulke versjes zong hij op melodieŽn uit verschillende oude opera's. Mijn vader en moeder vertelden dat mijn oom van vaderskant, Pavel Petrovitsj, een groot muzikaal talent bezat en gemakkelijk hele ouvertures en andere stukken op zijn gehoor speelde (hij las geen noten). Mijn vader was niet zo getalenteerd, maar had in elk geval een goed gehoor en een behoorlijk geheugen en hij speelde zuiver. Mijn moeder had ook een goed gehoor. Een interessant feit: mijn moeder had de gewoonte alles wat zij kende veel langzamer te zingen dan de bedoeling was. Zo zong zij bijvoorbeeld 'Toen ze de moeder doodden' altijd in adagio-tempo. Ik herinner me dat omdat, volgens mij, die eigenschap van haar doorklinkt in mij. Daarover zal ik later spreken. Mijn moeder had in haar jeugd piano leren spelen, maar daarna is ze gestopt en voor zover ik me herinner speelde ze nooit.
    De eerste tekenen van mijn muzikale begaafdheid dienden zich heel vroeg aan. Toen ik nog geen twee jaar oud was kon ik al goed de melodieŽn onderscheiden die mijn moeder voor me zong. Op mijn derde of vierde hield ik uitstekend maat op mijn speelgoedtrom wanneer mijn vader piano speelde. Mijn vader veranderde vaak opzettelijk het thema en het ritme, en ik volgde hem. Kort daarop begon ik heel nauwkeurig na te zingen wat mijn vader speelde, en we zongen veel samen. Daarna begon ik zelf op de piano de stukken uit te zoeken die ik hem had horen spelen. Al snel had ik het notenschrift geleerd en kon ik vanuit een andere kamer alle tonen van de piano onderscheiden en benoemen. Op mijn zesde kreeg ik pianoles. Daarvoor werd een oud vrouwtje aangenomen, ene Jekaterina Nikolajevna Oenkovskaja, onze buurvrouw. Op dit moment kan ik in het geheel niet oordelen over het niveau van haar muzikaliteit, van haar eigen spel of van haar lesmethodes. Waarschijnlijk was het allemaal uiterst middelmatig, uiterst provinciaals. Toch speelde ik toonladders met haar, eenvoudige etudes en andere stukjes. Ik herinner me dat ik dat alles slecht en slordig speelde, ik was een matige leerling.
    Ik had niet alleen muzikale talenten. Lezen leerde ik spelenderwijs; ik had een voortreffelijk geheugen en kende hele pagina's van de door mijn moeder voorgelezen boeken woord voor woord uit mijn hoofd; rekenkunde begreep ik heel snel. Ik kan niet zeggen dat ik in die tijd veel van muziek hield, maar ik vond het leuk genoeg en studeerde ijverig. Soms zong ik of speelde ik wat op de piano, voor de grap, maar ik herinner me niet dat muziek in die tijd veel indruk op me maakte. Misschien omdat ik onverschillig was, maar misschien ook omdat ik in die tijd nog niets gehoord had dat werkelijk veel indruk kan maken op een kind.
    Anderhalf of twee jaar na aanvang van mijn lessen bij Jekaterina Nikolajevna weigerde ze mij nog langer te onderwijzen omdat ze vond dat ik een betere leraar nodig had. Daarop kreeg ik les van de gouvernante van de familie Fel, goede bekenden van ons: Olga Nikitisjna, haar achternaam weet ik niet. Het leek me dat zij uitstekend speelde. Onder haar begeleiding boekte ik enig succes. Onder de stukken die ik met haar speelde waren enige transscripties van Beyer uit Italiaanse opera's, een stuk naar een motief uit een ballet van BurgmŁller, en ook een sonate van Beethoven voor vier handen (in d-groot), die me beviel. Ik herinner me dat ik met haar onder meer een potpourri van Marx naar motieven uit 'De Profeet' en 'Les diamants de la couronne' speelde. Olga Nikitisjna onderwees me een jaar of anderhalf jaar en daarna ging ik over naar haar leerlinge Olga Feliksovna Fel, die ook behoorlijk goed speelde. Van de stukken uit die tijd herinner ik me: de ouverture 'Otello' (veel langzamer uitgevoerd dan de bedoeling was), het scherzo uit Beethovens sonate in A-Dur, op. 2, een potpourri uit de 'Hugenoten', een fantasie naar motieven uit Rigoletto (welke, dat weet ik niet meer, maar een eenvoudige), een fantasie naar motieven uit 'Zar und Zimmermann' en de ouverture van 'Vestalka' voor vier handen. Ik studeerde zo'n drie jaar bij Olga Feliksovna, tot mijn twaalfde (1856). Het leek me dat ze behoorlijk goed speelde, maar op een dag werd ik getroffen door het spel van een dame (haar naam weet ik niet) die ik bij Olga Feliksovna zag. Zij speelde 'Si l'oiseau j'ťtais'. Op mijn elfde of twaalde speelde ik wel eens stukken voor vier of acht handen bij bekenden van ons, de Kalisski's. Ik herinner me dat bij hen toen een kolonel kwam, Vorobjov, die in Tichvin als een goede pianist werd beschouwd. We speelden de ouverture 'Otello' voor acht handen.
    Andere instrumentale muziek hoorde ik nooit in Tichvin. Er waren violisten noch cellisten. Het dansorkest van Tichvin bestond lange tijd uit een viool waaruit ene Nikolaj polka's en quadrilles zaagde en een tamboerijn waarop artistiek geslagen werd door de huisschilder en enorme dronkenlap Koezma. In latere jaren verschenen er joden (viool, hakkebord en tamboerijn) die Nikolaj en Koezma overschaduwden en populaire muzikanten werden.  
    Op het gebied van vocale muziek hoorde ik in Tichvin slechts ťťn jongedame: Baranova, die de romance 'Wat slaap je, man?' zong. Verder bleef het, op het zingen van mijn vader na, bij geestelijke muziek, d.w.z. het gezang in het mannen- en vrouwenklooster. In het vrouwenklooster was de zang onbetekenend, maar in het mannenklooster zong men, voor zover ik me herinner, heel behoorlijk. Ik hield van de Cherubijnse hymnes en enkele andere stukken van Bortnjanski. Kerkgezangen, in een prachtige omgeving van orthodoxe godsdienst, maakten meer indruk op me dan wereldse muziek, hoewel ik in het algemeen niet snel onder de indruk was. Van alle stukken die ik kende gaven 'Lied van het weeskind' en een duet uit 'Een leven voor de tsaar' me het grootste genoegen. We hadden de noten thuis en op een dag kwam ik op het idee ze door te spelen. Mijn moeder zei mij toen dat dat het mooiste stuk van de opera was. Ze herinnerde zich 'Een leven voor de tsaar' slecht en wist niet eens of ze er een uitvoering van gezien had.
    Mijn vader (Pjotr Petrovitsj) zong soms prachtige Russische liederen. Hij kende die uit zijn jeugd, toen hij nog in het dorp Nikolskoje (district Tichvin) woonde, dat mijn opa toebehoorde. Mijn moeder zong ook wel eens Russische liederen. Ik hield van die liederen, maar onder het volk hoorde ik ze betrekkelijk weinig, omdat wij in de stad woonden, waar ik niettemin elk jaar de uitgeleide per trein van de vogelverschrikker Maslenitsa kon zien. Het dorpsleven heb ik in mijn kindertijd driemaal gezien: toen ik te gast was bij de Timirevs, in Botsjevo en Pentsjevo, en bij de Brovtsyns – ik weet niet meer hoe dat dorp heette.
    Ik was een bescheiden jongetje, hoewel ik stoeide en rende en op daken en in bomen klom en stennis schopte en in tranen over de grond rolde als mijn moeder me strafte. Ik was heel vindingrijk in mijn spel, kon uren alleen spelen. Stoelen als paarden aanspannend speelde ik koetsiertje en praatte ik lang met mezelf, alsof de koetsier en zijn heer in dialoog waren. Ik vond het leuk, net als veel kinderen, om te imiteren wat ik zag. Zo droeg ik een papieren bril en demonteerde en monteerde ik klokken, omdat ik dat de klokkenmaker Barmin had zien doen. Mijn oudste broer Voin Andrejevitsja na-apend, die toen vlootluitenant was en ons brieven schreef vanuit het buitenland, ging ik houden van en verlangen naar de zee, die ik nooit gezien had. Ik las over de reis om de wereld van Dumont d'Urville, tuigde een brik op, speelde kapiteintje. Omdat ik 'De schipbreuk van het fregat Ingermanland' gelezen had kende ik de meeste technisch-maritieme termen. Ik las de lezingen van de populaire astronoom Zeljonoj (toen ik een jaar of tien, elf was) en wist met een kaart van de sterrenhemel een groot deel van de sterren van het noordelijk halfrond op te sporen, die ik sinds die tijd nog goed ken. Behalve van de al genoemde boeken hield ik van 'De zwerver in het bos' van Gabriel Ferris, en van veel uit de 'Kinderkrant' van Tsjistjakov en Razin, in het bijzonder de vertelling 'Svjatoslav, vorst van Lipetsk'. Spelend in de tuin verbeeldde ik me hele scenes uit 'De zwerver in het bos'.
    Ik zei al dat ik niet bijzonder veel van muziek hield, of dat ik er wel van hield, maar dat het niet veel indruk op me maakte, of in elk geval minder dan mijn geliefde boeken. Maar spelenderwijs, imiterenderwijs, precies zoals ik klokken demonteerde en monteerde, probeerde ik wel eens muziek te componeren en noten te schrijven. Door mijn muzikaliteit kon ik op de piano gespeelde muziek al snel heel behoorlijk noteren, met inachtneming van de juiste verhoudingen. Na enige tijd kon ik me, zonder het op de piano voor te spelen, voor de geest halen hoe bladmuziek zou klinken. Ik was elf jaar toen ik op het idee kwam een duet voor stemmen met pianobegeleiding te componeren (waarschijnlijk naar aanleiding van Glinka's duet). De tekst haalde ik uit een kinderboek. Het lied heette, geloof ik, 'De vlinder'. Het is met gelukt dat duet te schrijven. Ik herinner me dat het redelijk goed in elkaar zat. Verder herinner ik me uit die tijd alleen dat ik begonnen was aan een ouverture voor twee handen op de piano. Die begon als adagio, liep over in andante, toen in moderato, toen in allegretto, toen in allegro en het eindigde vast presto. Ik heb die compositie niet genoteerd, maar vermaakte me toen zeer met de ontdekking van mijn stijl. Het spreekt voor zich dat mijn leraren niet betrokken waren bij mijn pogingen tot componeren en er zelfs niets van wisten. Ik sprak in verlegenheid over mijn composities, en mijn ouders beschouwden het gewoon als kattenkwaad, als spel – en dat was het feitelijk ook in die tijd. Ik droomde er nooit over muzikant te worden, wijdde mij niet met bijzondere ijver aan de muziekstudie en was vervuld van de gedachte zeeman te worden. Mijn ouders wilden mij naar de zeevaartschool sturen, aangezien ook mijn oom, Nikolaj Petrovitsj, en mijn broer zeelieden waren. Eind juli 1856 werd ik voor het eerst gescheiden van mijn moeder en oom: mijn vader nam me mee naar St. Petersburg, naar de zeevaartschool.

   
HOOFDSTUK II 1865-1861

    Aangekomen te St. Petersburg brachten we een bezoek aan P. N. Golovin (een vriend van mijn oudste broer). Toen mijn vader mij ondergebracht had op de zeevaartschool vertrok hij weer naar Tichvin. Elke zaterdag ging ik naar P. N. Golovin, die met zijn moeder Maria Andrejevna woonde, en bleef daar tot zondagavond. Op de zeevaartschool was ik snel op mijn plaats tussen mijn kameraden. Ik bood verzet tegen degenen die me als groentje behandelden, als gevolg waarvan ze me met rust lieten. Toch maakte ik geen ruzie, mijn kameraden hielden van me. De directeur van de zeevaartschool was Aleksej Kuzmitsj Davydov. Bestraffingen waren aan de orde van de dag: elke zaterdag, voor het verlof, kwamen alle studenten bijeen in de enorme mensa, waar de ijverigen beloond werden met appels, overeenkomstig het aantal tienen, dat ze gedurende de week bij verschillende vakken gekregen hadden; en de luien, d.w.z. zij die een ťťn gehaald hadden voor enig vak, werden afgeranseld. Onder de klasgenoten heerste het recht van de oudste. De oudste leerling, die het langst in een klas zat, stond aan het hoofd, had de leiding, werd ouwe lul genoemd, krenkte de zwakken, soms zelfs zijn gelijken, en liet ze klusjes opknappen. Bij ons in het tweede regiment was dat zo'n 18-jarige praatjesmaker die zich schandalige dingen permitteerde. Hij liet kameraden zijn laarsen schoonmaken, stal geld en brood, spuugde je in het gezicht, enz. Mij raakte hij echter niet aan en alles verliep voorspoedig. Ik gedroeg me goed, studeerde ook goed. Muziek was ik in die tijd bijna vergeten, dat interesseerde me niet, hoewel ik op zondag pianoles nam bij Ulich. (Ulich was cellist in het Aleksandr-theater en een slechte pianist.) De lessen waren van een grote middelmatigheid. In de zomer van 1857 ging ik voor de vakantie naar mijn ouders en ik herinner me de spijt en zelfs het verdriet waarmee ik Tichvin eind augustus verliet om terug te keren naar de zeevaartschool.
    In het schooljaar 1857/58 studeerde ik slechter, en gedroeg ik me ook slechter; op een dag werd ik gearresteerd. De muzieklessen kabbelden voort, maar mijn liefde voor muziek kwam boven. Met Golovin ging ik twee keer naar de opera: naar de Russische (waar Von Flotovs 'Indra' werd uitgevoerd) en naar de Italiaanse (waar 'Lucia' werd uitgevoerd). Die laatste maakte een diepe indruk op me: ik onthield er wat van, probeerde het op de piano te spelen, luisterde zelfs naar orgeldraaiers die iets uit die opera speelden, probeerde wat noten op te schrijven – op te schrijven dus, niet te componeren.
    Mijn oudste broer kwam terug van een verre zeereis en was benoemd tot commandant van het oorlogsschip Prochor. In de zomer nam hij me mee naar het schip. We verbleven de hele zomer in Reval, schoten afvurend op een mikpunt. Mijn broer probeerde me het zeevaartvak bij te brengen. Hij leerde me zeilen in een sloepje, zette me aan het werk. Ik woonde in zijn kajuit, en niet bij de andere leerlingen. Bij het spannen van de want, ik stond in het tuigage onder het kraaiennest van de bezaansmast, viel ik in zee – gelukkig in zee, en niet op het dek. Ik kwam boven, werd in een sloep gehezen en kwam vrij met de schrik en een lichte kneuzing (waarschijnlijk van het water). Ik had vreselijke opschudding veroorzaakt en mijn broer natuurlijk laten schrikken. Aan het eind van de zomer ging ik voor vakantie naar Tichvin.
    In het schooljaar 1858/59 studeerde ik helemaal niet, maar gedroeg ik me redelijk. Ik zag in het theater 'Robert', 'Der FreischŁtz', 'Martha', 'I Lombardi' en 'La Traviata'. 'Robert' vond ik geweldig. Golovin had die opera in piano-editie en ik speelde hem. De orchestratie (hoewel ik dat woord niet kende) kwam me raadselachtig en verleidelijk voor. Tot op de dag van vandaag herinner ik me de indruk die de klank van de waldhoorn aan het begin van Alisa's aria maakte. Ik datzelfde jaar zag ik voor de tweede maal 'Lucia' en ik hield me bezig met het overzetten van het slot van die opera voor vier handen, in plaats van twee, zodat het beter te spelen was. Ik heb nog wat overzettingen gemaakt, maar die herinner ik me niet meer.
    Dat jaar zag ik ook 'Een leven voor de tsaar'. Die opera bracht me in volmaakte opwinding.  Toch heb ik er weinig van onthouden, maar ik weet dat mijn aandacht, behalve door de typische zangpassages, werd getrokken door de ouverture en het samenspel van orkest en koor. De Italiaanse opera stond in die tijd in volle bloei. Ik hoorde ook 'Otello',  'De barbier van Sevilla', en 'Don Juan'.
    De Golovins en hun vrienden waren liefhebbers van de Italiaanse opera. Rossini vonden zij een zeer belangrijke en grote componist. Hun gesprekken beluisterend probeerde ik dat lange tijd te geloven, maar stiekem neigde ik naar Robert en Een leven voor de tsaar. In de kringen rond de Golovins werd gezegd dat 'Robert' en 'De Hugenoten' mooie en ontwikkelde muziek was. 'Een leven voor de tsaar' konden ze ook billijken, maar over 'Ruslan en Ljudmila' zeiden ze dat die opera, hoewel zeer ontwikkeld, veel zwakker en minder was dan 'Een leven voor de tsaar', en sowieso dat hij saai was. Ulich vond 'Een leven voor de tsaar' erg goed. Gesprekken over 'Ruslan' brachten vragen bij mij op. De Golovins hadden de bladmuziek uit 'Ruslan', 'De Toverdroom', 'De roze ster van liefde' en 'O, veld', die ik vond en speelde. Deze fragmenten uit een mij onbekende opera bevielen me enorm en interesseerden me in hoge mate; daarin werd ik, geloof ik, voor de eerste maal de onmiddellijke schoonheid van  harmonie gewaar. Ik vroeg Golovin naar 'Ruslan' en hij gaf blijk van de allerhoogste achting. Met Ulich speelde ik de mars uit 'De Profeet' en uit 'De Hebriden' – beide bevielen me. Van andere, enigszins symfonische muziek had ik geen verstand. Dat jaar probeerde ik iets te componeren, deels uit het hoofd, deels op de piano, maar het leidde tot niets. Het waren allemaal flarden en vage dromen. Ik ging door met het transscriberen van twee naar vier handen (ik heb iets uit Ruslan overgezet). Met Ulich studeerde ik twee sonates van Beethoven in – de ene met waldhoorn (f-groot), de ander met viool (ook f-groot). Ulich regelde een hoornist (Turner, toen hij nog jong was) en de violiste Mitsja. Met hen speelde ik die sonates. Ik speelde quatre-mains met P. N. Novikova, de zus van Golovin.
    De zomer van 1859 was ik weer met mijn broer op het schip 'Prochor'. De schooljaren 59/60 en 60/61 studeerde ik redelijk was ik op zee met het schip 'Vola' (van commandant Tobin). Mijn passie voor muziek ontwikkelde zich. In het seizoen 59/60 ging ik naar symfonieconcerten, georganiseerd door de directie van het keizerlijk theater in het Bolsjoj-theater onder leiding van Karl Schubert, en ik bezocht ook een universiteitsconcert. In het theater hoorde ik de 'Pastorale Symfonie', 'Midsummernight's Dream', 'De Aragonese Iota', een entrakte uit 'Lohengrin' en 'Prometheus' van Liszt. De rest herinner ik me niet. Op de universiteit hoorde ik de tweede symfonie van Beethoven en 'ErlkŲnig' van Schubert. Met Novikova speelde ik symfonieŽn van Beethoven, ouvertures van Mendelssohn, Mozart, enz. Op die manier raakte ik vertrouwd met symfonische muziek. Van Beethovens tweede symfonie, vooral het laatste deel, genoot ik tijdens een uitvoering op de universiteit, de 'Pastorale symfonie' bracht me in vervoering, 'De Aragonese Iota' verdwaasde me gewoonweg. Ik was verliefd op Glinka. Midzomernachtsdroom verafgoodde ik. Wagner en Liszt begreep ik niet. 'Prometheus' maakt een vreemde, vage indruk op me. In de opera zag ik 'MosŤ in Egitto' van Rossini, 'De Hugenoten', een 'Dmitri Donskoj', 'Marta', 'Der FreischŁtz', nogmaals 'Een leven voor de tsaar' en, eindelijk, 'Ruslan'. Van het zakgeld dat ik had kocht ik een paar delen uit 'Ruslan'. De lijst van stukken op het omslag van de uitgave van Strellovski verleidde me met een zekere geheimzinnigheid. Het Perzisch koor en Najna's dans bevielen me onzegbaar. Ik herinner me dat ik de melodie van het Perzisch koor getransscribeerd heb voor cello en O. P. Denisev (familie van de Golovins) te spelen gaf, terwijl ik hem zelf begeleidde op de piano. Denisev speelde vals en het werd niets. Daarom zette ik 'Kamarinska' over voor viool en piano en speelde het met Mitsja. Datzelfde jaar zag ik, zoals hierboven opgemerkt, 'Ruslan' in het Marijinski-theater en raakte in onbeschrijvelijke vervoering. Mijn broer schonk me de hele bladmuziek van 'Ruslan' voor piano, die een beetje uit de mode was geraakt. Op een zondag op de zeevaartschool (we mochten niet naar huis, als straf voor het en of ander) hield ik het niet langer uit en stuurde ik een bewakers erop uit om voor de tien roebel die ik had de hele opera 'Een leven voor de tsaar' voor piano te kopen. Ik bestudeerde het vol gretigheid, denkend aan de indruk die de uitvoering in het theater had gemaakt. Ik kende, zoals hierboven duidelijk geworden is, al behoorlijk veel goede muziek, maar mijn grootste sympathie ging uit naar Glinka. Ik vond bij de mensen in mijn omgeving niet alleen steun voor dat standpunt.
    Als muzikant was ik in die tijd amateur in de volle betekenis van het woord. Met Ulich studeerde ik maar matig al hield ik enorm van quatre-mains spelen. Zang (behalve opera), kamermuziek, of goede pianoconcerten hoorde ik nooit. Van muziektheorie wist ik niet, ik kon niet ťťn akkoord of integraal noemen, kende geen toonladders, maar kon ze wel begrijpen.  Niettemin probeerde ik entraktes uit 'Een leven voor de tsaar' te orkestreren, door op de piano de partijen van andere instrumenten te spelen. Uiteraard ging ik toen het niet lukte, god weet waar het op uitdraaide, tweemaal naar Strellikovski, die ik verzocht me zijn orkestpartituur van 'Een leven voor de tsaar' te laten zien. De helft begreep ik niet, maar de Italiaanse termen voor de instrumenten, aantekeningen als 'sotto sopra', de verschillende sleutels, en de notatie voor de waldhoorn en andere instrumenten gaven me een soort geheim genoegen. Ik was kortom een 16-jarige jongen die hartstochtelijk van muziek en musiceren hield. Tussen mijn dilletantisme en de bezigheden van een jonge muzikant op het conservatorium zat evenveel verschil als tussen en kind dat soldaatje speelt en echte oorlogsvoering. Niemand leerde me ooit iets, niemand gaf me aanwijzingen, was er maar iemand die dat kon doen! Maar Ulich herkende mijn muzikale begaafdheid en weigerde mij zelf les te geven, hij zei dat ik een echte pianist moest benaderen. Ik werd verwezen naar de leraar F. A. Kanille, ik weet niet op wiens aanbeveling. Vanaf de herfst van 1860 begon ik pianolessen bij hem te nemen.
    Kanille opende mijn ogen. Met wat voor opwinding vernam ik van hem dat 'Ruslan' beslist de beste opera ter wereld was, en Glinka het grootste genie. Tot die tijd vermoedde ik het al, nu hoorde ik het van een echte muzikant. Hij maakte me bekend met 'Vorst Cholmski', met 'Nacht in Madrid', met enkele fuga's van Bach, met Beethovens strijkkwartet in es-groot, met het werk van Schumann en met nog veel meer. Hij was een goede pianist, bij hem hoorde ik voor het eerst goed pianospel. Als we quatre-mains speelden ging het, hoewel ik maar gemiddeld speelde, best goed omdat hij de eerste partij speelde. Toen hij mijn hartstocht voor muziek leerde kennen, moedigde hij me aan om te componeren. Hij gaf me opdracht het allegro van een sonate in de stijl van Beethovens eerste sonate in f-klein te schrijven. Ik schreef iets in d-klein; hij liet me variaties maken op een bepaald thema, naar het voorbeeld van Glinka's variaties op 'In de vlakke valleien', liet me choraalmelodieŽn harmoniseren, maar legde me niet het minste uit, en ik raakte verstrikt, het ging niet goed. Op het gebied van componeren gaf hij me ook nauwelijks heldere opdrachten. Hij leerde me wat over orkestpartituren, hij legde me de transpositie van de waldhoorn uit. Ik probeerde de partituur van 'De Aragonese Iota' over te zetten in quatre-mains, het ging uitstekend, maar om de een of andere reden heb ik het niet afgemaakt. We studeerden niet voldoende op mijn pianospel. Ik ging wel vooruit, maar langzaam. Hij liet me kennismaken met de ouverture 'King Lear' van Balakirev, en ik kreeg een immense achting en ontzag voor de naam Balakirev, die ik voor het eerst hoorde.
    In september 1861 besloot mijn broer, omdat hij vond dat ik goed genoeg speelde, dat het tijd was te stoppen met lessen. Hij hechtte geen bijzondere betekenis aan mijn passie voor muziek en veronderstelde dat ik zeeman zou worden. Het deed me verdriet. Maar Kanille zei dat ik toch elke zondag moest komen en dat hij me les zou blijven geven. Ik ging zondags in de grootste opwinding naar hem toe. De pianolessen in de werkelijke zin van het woord hielden zo goed als op, maar we hielden ons bezig met compositie, en boekten, ondanks een gebrek aan systematiek, enig succes. Voor een nocturne in b-klein bedacht ik een zelfs een mooie, samenhangende harmonie. Ik componeerde ook een begrafenismars in d-klein, een scherzo in c-klein voor vier handen, en iets in de trant van het begin van een symfonie in es-klein. Maar dat alles was uiterst elementair, ik wist niets van contrapunt, in de harmonie kende ik de basisregel over septiemen niet, ik kende de benamingen van de  akkoorden niet. Flarden begrijpend van door mij gespeelde composities van Glinka, Beethoven en Schumann, flanste ik met aanzienlijke moeite iets slaps en elementairs in elkaar. Mijn smaak voor het componeren van melodieŽn ontwikkelde Kanille niet in mij, maar dat was ook normaal, want in die tijd schreef ik 'hardvochtige' romances en symfonische probeersels.
    In het jaar 1860-1861 begon ik ook op school blijk te geven van mijn muzikale interesse. Onder mijn klasgenoten bevonden zich liefhebbers van muziek en koorzang. Ik dirigeerde een koor waarin zij zongen. We studeerden het eerste mannenkoor uit 'Een leven voor de tsaar' in en het slot, dat ik arrangeerde, of in elk geval enigszins bewerkte, voor de uitvoering door een mannenkoor. Koorzang was om de een of andere reden door de directie van de school verboden, en wij deden het stiekem, in lege klaslokalen, zodat we op een dag op ons donder kregen. We maakten geen deel uit van het kerkkoor. Onder mijn kameraden ontwikkelde zich in die tijd een sterke liefde voor 'Een leven voor de tsaar', en zelfs enigszins voor 'Ruslan en Ljudmila'. Ik had een belangrijk aandeel in deze ontwikkeling, 's avonds speelde ik vaak fragmenten uit deze opera's op de blokfluit, begeleid door een van mijn vrienden, vorst A. D. Mysjetski, een hartstochtelijke muziekliefhebber. K. A. Iretski (de broer van Natalia Aleksandrovna, thans professor aan het conservatorium van St. Petersburg) bespeelde vaak de mechi. Een van mijn kameraden, N. I. Skrydlov (thans held van de Turkse oorlog) zong als tenor. Ik heb kennis gemaakt met zijn familie. Zijn moeder was een voortreffelijke zangeres, ik kwam vaak bij hen en begeleidde hen op de piano. Ik leerde in die tijd veel romances van Glinka kennen, soms bij de Skrydlovs, soms zelfstandig. Naast die van Glinka leerde ik ook romances van Dargomyzhski, Varlamov en anderen kennen. Ik weet nog dat ik toen een romance componeerde op de woorden 'Kom naar mij, Signora', iets in de trant van een barcarolle, redelijk melodisch, zelfs in quasi-italiaanse stijl. Op een dag, in november 1861, kwam Kanille naar me toe op de zeevaartschool en vertelde me dat hij me mee zou nemen naar Balakirev. Wat was ik blij!


HOOFDSTUK III 1861-1862

    Vanaf de eerste kennismaking maakte Balakirev een overweldigende indruk op me. Een voortreffelijk pianist, die alles uit het hoofd speelde, een man met gedurfde meningen en nieuwe gedachten, daarbij met compositietalent, waarvoor ik al veel bewondering had. Bij onze eerste ontmoeting kreeg hij mijn scherzo in c-klein te zien; hij vond het goed maar had enige aanmerkingen. Hij kreeg ook mijn nocturne onder ogen en wat onsamenhangend materiaal voor een symfonie (in es-klein). Hij stond er op dat ik de symfonie zou gaan componeren. Ik was verrukt. Bij Balakirev ontmoette ik Cui en Moesorgski over wie ik gehoord had van Kanille. Balakirev instrumenteerde de ouverture 'De gevangene van de Kaukasus' voor Cui. Met welk genoegen was ik aanwezig bij gesprekken over instrumentatie, stemvoering enz. We speelden ook Moesorgski's Allegro in c-groot voor vier handen, dat me beviel. Ik herinner me niet welk van zijn eigen werken Balakirev speelde, ik denk de laatste entrakte uit King Lear. En dan al die gesprekken over actuele muzikale zaken! Ik ging direct op in een nieuwe, mij onbekende wereld, omringd door echte, getalenteerde muzikanten, van wie ik voorheen, in mijn omgeving van dilletanten, slechts gehoord had. Dit maakte uitzonderlijk veel indruk. Gedurende november en december was ik elke zaterdagavond bij Balakirev, waar ik vaak Cui en Moesorgski ontmoette. Ik maakte daar ook kennis met V. V. Stasov. Ik herinner me hoe Stasov ons op een van de zaterdagen voorlas uit de Odyssee, ter ontwikkeling van mijn persoon. Moesorgski las op een dag 'Vorst Cholmski' voor, de kunstschilder Mjasojedov Gogols 'Vi'. Balakirev speelde, alleen, of quatre-mains met Moesorgski, de symfonieŽn van Schumann en kwartetten van Beethoven. Moesorgski zong iets uit 'Ruslan', bijvoorbeeld de scŤne van Farlaf en Naina, waarbij A. P. Arsenjev die laatste speelde. Voor zover ik me herinner componeerde Balakirev in die tijd zijn pianoconcert, waaruit hij ons fragmenten voorspeelde. Vaak verduidelijkte hij voor mij de stijl en de instrumentatie. Ik vernam van hem mij volkomen nieuwe opvattingen. De voorkeur van de groep ging sterk uit naar Glinka, Schumann en de laatste kwartetten van Beethoven. De groep beschouwde de acht symfonieŽn van Beethoven als betrekkelijk onbetekenend. Mendelssohns werk, behalve de ouverture 'Midzomernachtsdroom', 'De Hebriden' en de finale van het octet, werd niet erg gewaardeerd en Moesorgski noemde hem vaak Mendel. Mozart en Haydn vonden ze verouderd en naief.  Bach vonden ze star, zelfs mathematisch-muzikaal, gevoelloos, een doodse natuur, componerend als een machine. Hšndel vonden ze krachtig, maar eigenlijk werd er over hem weinig gesproken. Balakirev vergeleek Chopin met een nerveuse societydame. Het begin van zijn begrafenismars bracht hem in vervoering, maar het vervolg vond hij nergens goed voor. Enkele mazurka's bevielen hem, maar het grootste deel van zijn werk beschouwde hij als mooie decoratie en niet meer dan dat. Berlioz, met wie ze nog maar net bekend raakten, werd hoog ingeschat. Liszt was betrekkelijk onbekend en maakte een geaffecteerde, verdorven indruk, soms karikaturaal. Over Wagner werd weinig gesproken. Tot de contemporaine Russische componisten was de verhouding als volgt: Dargomyzhski werd gewaardeerd om de recitatieven uit 'Rusalka', zijn drie orkestfantasieŽn werden als curiosum gezien en alleen zijn romances 'Paladijn' en 'Oosterse aria' oogsten lof ('De Stenen Gast' was er toen nog niet). Over het algemeen werd hem beketenisvol talent ontzegd, en werd hij met enige spot tegemoetgetreden. Lvov vonden ze een onbenul. Rubinstein had slechts een reputatie als pianist, maar als componist vonden ze hem onbegiftigd en smakeloos. Serov hield zich in die tijd nog niet bezig met 'Josef' en over hem zwegen ze.
    Ik laafde me gretig aan deze meningen en zonder tegenspraak of toetsing nam ik de smaak van Balakirev, Moesorgski en Cui in me op. Veel van de oordelen waren in wezen ongefundeerd en van de composities in kwestie werden vaak slechts fragmenten voor me gespeeld, de complete stukken kende ik niet, en soms bleven ze me geheel onbekend. Niettemin maakte ik mij vol opwinding meester van hun opvattingen en uitte ik ze, geheel overtuigd van hun juistheid, in mijn kring van muzikaal geinteresseerde kameraden.
    Balakirev hield veel van me en zei dat ik voor hem Gussakovski zo'n beetje verving, die naar het buitenland vertrokken was, en voor wie iedereen een grote toekomst zag weggelegd. Terwijl Balakirev van mij hield als van een zoon en een leerling, was ik op hem gewoonweg verliefd. Zijn talent overschreed in mijn ogen alle mogelijke grenzen en al zijn woorden en meningen waren voor mij de onweerspraakbare waarheid. Mijn verhouding tot Cui en Moesorgski was duidelijk niet zů vurig, maar in elk geval was mijn achting en genegenheid voor hen aanzienlijk. Op aanraden van Balakirev begon ik met het componeren van het eerste deel van de symfonie in es-klein. De opzet en uitwerking daarvan (voor de bewerking) leverde me stevige kritiek van Balakirev op; ik begon ijverig opnieuw. Met kerst ging ik naar mijn ouders in Tichvin en daar schreef ik het hele eerste deel, dat Balakirev goed vond en dat hij bijna zonder aanmerkingen aanvaardde. De eerste poging dat deel te instrumenteren kostte me veel moeite en Balakirev instrumenteerde de eerste pagina van de partituur voor me, waarna het een stuk beter ging. Volgens Balakirev en anderen had ik aanleg voor orkestratie.
    In de loop van de winter en het voorjaar componeerde ik het scherzo (zonder het trio) voor mijn symfonie en de finale, die in het bijzonder de goedkeuring van Balakirev en Cui kon wegdragen. Voor zover ik me herinner werd de finale gecomponeerd onder invloed van Cui's symfonische Allegro, dat in die tijd bij Balakirev gespeeld werd, en waaruit Cui later een deel gebruikte voor zijn 'Ratcliffe'. Het hoofdthema van de finale heb ik gecomponeerd in de trein, toen ik eind maart met oom Pjotr Petrovitsj uit Tichvin terugkeerde naar St. Petersburg.
    Mijn bezoek aan Tichvin volgde op het nieuws dat mijn vader ernstig ziek was. Ik kwam er 18 maart met mijn broer Voin Andrejevitsj aan en trof hem niet meer in leven aan. Mijn vader is op zijn 78ste overleden. De laatste jaren had het leven hem weinig te bieden en begon hij sterk te verouderen, hoewel hij een aanzienlijke helderheid van geheugen en geest behield. Tot ruwweg 1859-60 verkeerde hij in uitstekende gezondheid, wandelde hij veel en schreef hij dagelijks in zijn dagboek. Hij had afstand genomen van de vrijmetselarij, waar hij in tsaar Aleksanders tijd bij betrokken was geraakt, en was zeer religieus geworden, las dagelijks uit de evangeliŽn en andere geestelijke en zedenkundige boeken, waarbij hij ontelbare aantekeningen maakte. Zijn religiositeit was van een grote oprechtheid, zonder een greintje huichelarij. Hij ging alleen op feestdagen naar de kerk (in het klooster), maar thuis bad hij elke ochtend en avond. Hij was een uiterst zachtaardig en oprecht mens. Hij had van mijn grootvader een klein vermogen geŽrfd en van zijn eerste vrouw een mooi landgoed in de buurt van Moskou, maar uiteindelijk bleef daarvan niets over, dankzij zijn vrienden die hem kaalplukten, voor hen gunstige landuitruilen realiseerden, geld van hem leenden, etc. Zijn laatste betrekking in staatsdienst was het gouverneurschap van het gouvernement Volynsk, waar hij zeer geliefd was. Hij ging eind jaren dertig met pensioen, naar het schijnt omdat zijn zachte karakter zich niet liet verenigen met de strenge eisen die de hoogste macht aan hem stelde, aangaande de onderdrukking van de Polen. Toen hij met pensioen gegaan was, ontving hij een kleine toelage en vestigde hij zich met mijn moeder en oom Pjotr Petrovitsj in het huis in Tichvin. Als principieel tegenstander van lijfeigenschap liet hij, in mijn herinnering, de een na de andere knecht gaan en uiteindelijk gaf hij ze allemaal hun vrijheid. Ik herinner me dat ons huispersoneel vroeger, in mijn kindertijd, behoorlijk talrijk was: mijn kindermeisje, haar man, de altijd dronken kleermaker Jakov, hun zoon Vanja, de knecht Vasili, de andere knecht Konstantin, zijn vrouw, de kokkin Afimja, en dan nog Varvara, Annoesjka, Doenjasja en anderen. Toen zij vrijgelaten waren bleven we achter met een paar huurkrachten, vroegere lijfeigenen. Mijn vader leefde in rust en aanzien in Tichvin, gaf raad en bemiddelde bij ruzies en misverstanden. Op de belangrijke feestdagen bleef de visite maar komen.
    Vader werd begraven in het grote mannenklooster van Tichvin. De dag na de begrafenis vertrok mijn broer met mijn moeder naar St. Petersburg en de dag daarop ging ik met mijn oom. Voin Andrejevitsj werd in 1862 directeur van de zeevaartschool. Toen ze naar St. Petersburg kwamen gingen mijn moeder en oom bij hem wonen en ik ging zondags naar hen toe. Voor die tijd, met de dood van Golovin, ging ik op feestdagen naar zijn zus Praskovja Nikolajevna Novikova, met wie ik vaak quatre-mains speelde.
    Mijn vertrek naar de marine had plaats op 8 april 1862. In die tijd kreeg je de rang kadet bij het afmaken van de zeevaartschool. Kadetten waren vrije mensen; de rang van officier verkreeg je na twee jaar dienst als kadet. Een kadet zat tussen een leerling en een officier in en werd officier na enige praktijkexamens. Normaal gesproken bracht een kadet twee jaar op zee door om ervaring op te doen. Ook mij stond zo'n onderneming te wachten. Ik zou mijn zeereis volbrengen op de klipper 'Almaz' onder commando van P. A. Zelyonyj. De 'Almaz' was aangewezen voor een buitenlandse reis. Mij stond een twee-driejarige reis te wachten, een scheiding van Balakirev en mijn andere muzikale vrienden en volledige excommunicatie uit de muziekwereld. Ik wilde niet naar het buitenland. Sinds ik in Balakirevs kring verkeerde wilde ik het pad van de muziek volgen, daarbij gesteund en aangemoedigd door de kring. In die tijd hield ik al hartstochtelijk veel van muziek.
    Balakirev was hevig ontstemd door mijn aanstaand vertrek en wilde bewerkstelligen dat de reis me bespaard werd. Maar dat was ondenkbaar. Cui daarentegen stond erop dat ik, met het oog op mijn leeftijd, mijn eerste schreden bij de marine niet zou weigeren, en dat mijn reis en het behalen van het officierschap me van groot nut zouden zijn, en dat na twee, drie jaar wel duidelijk zou zijn wat ik moest gaan doen. Voin Andrejevitsj eiste dat ik in dienst trad en op reis ging. De beginnetjes van composities die ik toen gemaakt had leken hem onvoldoende om het risico te nemen een carriŤre in de zeevaart in de knop te breken. Mijn pianospel was zo ver verwijderd van virtuositeit dat ook dat hem er niet van overtuigde dat kunst mijn roeping was en ik een schitterende toekomst voor me had.
    Hij had duizendmaal gelijk mij als een amateur te zien: dat was ik ook. 

HOOFDSTUK IV 1861-1862

[...]

HOOFDSTUK V 1862-1865

    We voeren naar Kiel, waar we een dag of drie bleven, en vandaar naar Engeland, naar Gravesend. Op zee bleek dat de masten van de klipper te kort waren, dus zouden we ons in Engeland bezig moeten houden met de bestelling van nieuwe masten en de heruitrusting van het schip, wat we snel na onze aankomst daar ook deden. Deze werkzaamheden hielden ons ongeveer vier maanden in Engeland (in Gravesend en Greenwich). Ik ging twee keer met kameraden naar Londen, waar ik alle bezienswaardigheden zag, zoals Westminster Abbey, London Tower, Crystal Palace, enz. Ik ging naar het theater van Covent Garden en naar de opera, maar wat er gespeeld werd weet ik niet meer.

    Op de klipper waren we met vier kadetten, kameraden van de opleiding, een paar stuurlui en wat mechanici. We verbleven in een kleine kajuit – in de officierskajuit mocht de bemanning niet komen. Wij kadetten kregen geen grote, verantwoordelijke opdrachten. We hielden om beurt de wacht, ter ondersteuning van de dienstdoende wachtofficier. Daarnaast hadden we voldoende vrije tijd.

    De klipper had een behoorlijke bibliotheek en we lazen redelijk veel. Ondertussen discussieerden we en maakten we ruzie. De ideeŽn van de jaren zestig raakten ook ons. Er waren onder ons progressieven en conversatieven. P. A. Mordovin hoorde bij de eerste, A. J. Bachtejarov bij de tweede groep. We lazen Buckle, die erg in de mode was in de zestiger jaren, Macauley, Stuart Mill, Belinski, Dobroljoebov, enz. We lazen ook bellettrie. Mordovin kocht in Engeland een massa Engelse en Franse boeken, waaronder allerlei geschiedenissen van de revolutie en de civilisatie. Daar twistten we over. Het was de tijd van Herzen en Ogarjov en hun 'Kolokol'. Kolokol ontvingen we ook. In die tijd begon de Poolse opstand. Die zaak leidde tot ruzie tussen Mordovin en Bachtejarov, omdat de eerste medelijden met de Polen had. Mijn sympathieŽn lagen niettemin bij Mordovin. Bachtejarov, enthousiast gemaakt door Katkin, was niet erg sympathiek, en ook zijn overtuigingen droeg ik geen warm hart toe. Hij was een felle grootgrondbezitter met lijfeigenen en de verwaandheid die bij zijn stand hoorde.
    Behalve aan mijn moeder en broer schreef ik ook brieven aan Balakirev. Hij wilde dat ik, indien mogelijk, het Andante van een symfonie zou schrijven. Ik zette me aan die klus, waarbij ik als uitgangspunt het Russische thema 'In Tataarse gevangenschap' nam, dat Balakirev me aangedragen had, en hem door Jakoesjkin aangereikt was. Het lukte me dat Andante te schrijven tijdens ons verblijf in Engeland en ik stuurde Balakirev per post de partituur op. Ik schreef het zonder hulp van een piano (die hadden we niet) en had het misschien twee keer door kunnen spelen in een restaurant aan de wal. Balakirev schreef me dat hij het Andante ontvangen had en dat zijn hele Petersburgse kring tevreden was met de compositie. [...] Toch stelde hij me schriftelijk nog enkele wijzigingen voor, die ik ook doorgevoerd heb.
    In Londen kochten we een kleine dwarsfluit. Ik speelde er veel op, wanneer het maar kon, ter vermaak van mijzelf en mijn kameraden. Eind februari 1863, toen onze heruitrusting gereed was, kreeg de klipper 'Almaz' een nieuwe, onverwachte bestemming. De Poolse opstand liep uit de hand, we werden naar de kust bij Liepaja3 gestuurd vanwege de aanvoer van wapens aan de Polen vanuit het buitenland. De klipper moest terugkeren naar de Baltische zee, heen en weer varen in het zicht van Liepaja en verzekeren dat er geen wapens vervoerd en in Polen afgeleverd konden worden. Of we nu wilden of niet, ondanks het stiekeme medelijden in de jonge harten van sommigen van ons, ondanks de zaak, de rechtvaardige zaak van vrijheid, onafhankelijkheid, liefde voor het vaderland en onderdrukking door zuster Rusland –  op bevel van de admiraliteit moest we trouw en waarachtig die laatste dienen. We namen afscheid van de Engelse mist en onze klipper voer naar Liepaja. Uiteraard kwamen we in de Duitse zee in een behoorlijke storm terecht. De deining was verschrikkelijk, twee dagen lang konden we geen eten koken. Toch werd ik helemaal niet zeeziek.
    We bleven een maand of vier voor de kust van Liepaja en gingen nu eens naar Liepaja, dan weer naar Palanga voor een lading kolen en proviand. Ons kruisen had dan misschien als doel de overdracht van wapens en ander oorlogstuig aan de opstandige Polen te voorkomen, wij hebben geen enkel verdacht schip in de buurt gezien. Op een dag verscheen in de verte de stoom van een of ander stoomschip. We voeren er op volle kracht op af, maar het stoomschip verdween snel uit zicht, en wij konden beslist niet bepalen of het een vijandelijk schip was, of een stoomschip dat toevallig langsvoer. Bij Liepaja varen was vervelend. Slecht weer en harde wind vergezelden ons bijna voortdurend. Liepaja had niets interessants, Palanga nog minder. Soms, als we aan wal waren in Palanga ondernamen bij ter verstrooiing tripjes te paard. Ik herinner me dat ik in deze tijd enigszins vervreemd raakte van mijn hang naar muziek en lezen me helemaal in beslag nam.
    In juni of juli keerde onze klipper terug naar Kronstadt4. Het doel van die terugkeer was ons onbekend. Na in Kronstadt te zijn aangekomen en een dag of drie, vier op de rede te zijn geweest werd ons opgedragen ons bij het eskader van admiraal Lesovski te voegen. Dat bestond uit de volgende schepen: het fregat 'Aleksandr Nevski', de korvetten 'Vitjaz' en 'Varjag' en de klipper 'Zjemtsjoeg'. De admiraal was aan boord van de 'Aleksandr Nevski'. Tijdens ons oponthoud in Kronstadt lukte het me naar Petersburg te gaan en  naar Pavlovsk, waar de Golovins en de Novikovs hun datsja's hadden. Mijn moeder, het gezin van mijn broer, Balakirev, Cui en andere bekenden waren niet in Petersburg vanwege het zomerseizoen. In Pavlovsk dirigeerde in die tijd Johann Strauss en ik kon 'Nacht in Madrid' bijwonen. Ik herinner me dat dat me veel plezier deed.
    Bij het vertrek naar zee gingen de schepen van ons eskader uit elkaar en gingen zij elk hun eigen weg. Eenmaal op zee kwamen we te weten dat we naar New York gingen, waar we ons bij de andere schepen van het eskader zouden voegen, en dat het doel van onze reis puur militair was. Er werd oorlog met Engeland verwacht vanwege de Poolse opstand, en in het geval van oorlog moest ons eskader Engelse schepen bedreigen op de Atlantische oceaan. We moesten naar Amerika varen zonder opgemerkt te worden door de Engelsen en daarom lag onze route noord van Engeland, want door die omweg te nemen vermeden we de gebruikelijke routes van Engeland naar New York. Op onze route zouden we geen enkel schip tegen moeten komen. Onderweg bleven we twee dagen in Kiel om kolen in te slaan, het doel van onze reis strikt geheim houdend. Vanuit Kiel voeren we zonder te stoppen naar New York, noord langs Engeland. Het grootste deel van deze oversteek moesten we op de zeilen varen, want we hadden niet genoeg kolen voor zo'n grote afstand. Onze reis, via de hierboven beschreven omweg, duurde 67 dagen. Toen we noord van Engeland afbogen kwamen we geen andere schepen meer tegen. Onze klipper kreeg op de oversteek van de oceaan te maken met aanhoudende tegenwind, vaak met de kracht van een storm. Met gehezen zeilen kwamen we bij stevige tegenwind soms enkele dagen letterlijk niet vooruit. Het werd behoorlijk koud en nat. Vaak was er geen warm eten, omdat de klipper vreselijk deinde op de enorme golven. Het kruisten het pad van orkanen, die in die tijd van het jaar langs de kust van Noord-Amerika over de Atlantische oceaan razen en dan dwars over de oceaan richting de kust van Engeland afbuigen. Op een schitterende dag bemerkten we dat we op het oog van zo'n orkaan af voeren. Een sterke daling van de barometer en de benauwdheid in de lucht kondigden zijn nadering aan. De wind werd krachtiger en krachtiger en veranderde steeds van richting, van links naar rechts. Het zorgde voor enorme golven. We voeren op ťťn klein zeil. De nacht viel en bliksemschichten lichtten op. De deining was vreselijk. Tegen de ochtend gaf de barometer aan dat de orkaan zich verwijderde. We hadden de rechterhelft doorsneden, niet ver uit het centrum. Alles liep goed af, maar krachtige stormen bleven ons lastig te vallen.   
    Niet ver uit de Amerikaanse kust doorkruisten we een warme stroming: de Golfstroom. Ik herinner me hoe verbaasd en opgelucht we waren toen we 's ochtends op het brugdek kwamen en de totaal veranderde kleur van de oceaan zagen. Van groen-grijs was hij wonderlijk lichtblauw geworden. In plaats van koude, scherpe lucht was het 18 graden en zonnig, bekoorlijk weer. We waren in de tropen terecht gekomen, uit het water sprongen elk moment vliegende vissen op. 's Nachts kreeg de oceaan een weelderige, fosforische kleur. De volgende dag ook. We hielden een thermometer in het water: 18 graden. Op de ochtend van de derde dag sinds we in de Golfstroom waren gekomen weer veranderingen: grijze mist, koude lucht, de oceaan grijs-groen van kleur, een watertemperatuur van 3 of 4 graden, de vliegende vissen verdwenen. Onze klipper kwam weer in een koude stroming, parallel aan de Golfstroom. We begonnen koers te zetten naar het zuid-westen, naar New York, en snoedig kwamen we commerciŽle schepen tegen. In oktober, ik weet niet meer op welke datum, kwam de Amerikaanse kust in zicht. We vroegen om een loods, voeren de rivier de Hudson op en gingen voor anker in New York, waar we de andere schepen van ons eskader troffen. We verbleven van oktober 1863 tot april 1864 in de Verenigde Staten. We zijn behalve in New York in Anapolis en Baltimore geweest. Vanuit Chesapeake Bay gingen we Washington bekijken. Toen we in Anapolis waren vroor het flink (-15 graden), de rivier waarin ons schip en de korvet 'Varjag' lag vroor dicht. Het ijs was zo stevig dat we erop probeerden te lopen. Het duurde een dag of twee, drie voordat de rivier weer open was.
    Vanuit New York hadden wij, de kadetten en de officiers, de gelegenheid naar Niagara te gaan. De reis ging per stoomschip over de Hudson-rivier naar Albany en vanaf daar per trein. De oevers van de Hudson bleken erg mooi te zijn, maar de Niagara Falls maakten op ons de allerdiepste indruk. Dat was geloof ik in november. De bladeren aan de bomen waren bontgekleurd, het weer was prachtig. We klauterden over alle rotsen en liepen vanaf de Canadese kant, voor zover mogelijk, tot onder de deken van water. In een bootje kwamen we zo mogelijk nog dichter bij de waterval. De indruk, die de waterval van verschillende kanten maakt, vooral vanaf de Terrapin-toren, is met niets vergelijkbaar. Die toren is gebouwd op de rotsen bij de waterval zelf. Je komt er via een smal bruggetje vanaf Goat Island, dat de waterval in twee kanten verdeelt: een Amerikaanse en een Canadese (Horseshoe Falls). Het geraas van de waterval is onbeschrijvelijk en voert mijlenver. De Amerikanen brachten ons naar de Niagara Falls op hun kosten, met het oog op de gastvrijheid die hen door Russische vrienden was verleend. We waren in een luxueus hotel ondergebracht. Aan het uitstapje namen alle kadetten en officieren deel, opgesplitst in twee groepen. Bij onze groep hoorde ook admiraal Lesovski. In het hotel in Niagara werd me voorgesteld piano te spelen ter vermaak van het gezelschap. Ik verzette me natuurlijk, ging naar mijn kamer, deed de deur op slot en hield me slapend. Maar op bevel van Lesovski (er werd iets onder mijn deur door geschoven) moest ik mij aankleden en naar de salon begeven. Ik ging achter de piano zitten en speelde, geloof ik, een krakowiak en nog iets uit 'Een leven voor de tsaar'. Spoedig merkte ik op dat niemand luisterde en iedereen door mijn muziek heen praatte. In dat gerucht stopte ik met spelen en ging ik slapen. De volgende avond vielen ze mij niet lastig, want eerlijk gezegd zat niemand op mijn spel te wachten en had het de eerste avond slechts gediend om een gril van Lesovski te bevredigen, die van muziek vrij weinig begreep en er ook niet erg van hield. Trouwens, over Lesovski. Hij was een beroemd zeeman, die nog het commando gevoerd heeft over de 'Diana', die zonk bij Japan, als gevolg van een aardbeving. Lesovski onderscheidde zich door een opvliegend en  onstuimig karakter. Op een dag, in een vlaag van woede, heeft hij een matroos besprongen die zich ergens aan bezondigd had, en beet hem zijn neus af, als gevolg waarvan, zo wordt gezegd, hij met pensioen werd gestuurd.
    Na twee dagen in Niagara keerden we naar New York terug via een andere route, over Elmira, waardoor we Lake Erie en Lake Ontario te zien krijgen. Het mastwerk van onze klipper werd in New York opnieuw vervangen, waarna de reis verder ging over Chesapeake Bay naar Annapolis en Baltimore, waarover ik al vertelde. De laatste maanden werden we weer naar New York gestuurd. De verwachte oorlog met Engeland verwezenlijkte zich niet en wij hoefden geen Engelse koopvaardijschepen te enteren en schrik aan te jagen op de Atlantische oceaan. Terwijl wij in Chesapeake Bay lagen, voeren het fregat 'Aleksandr Nevski' en de korvet 'Vitjaz' naar Havana.
    Tegen het eind van onze aanwezigheid in Noord-Amerika kwam het hele eskadron naar New York. Gedurende ons hele verblijf in de Verenigde Staten woedde er de burgeroorlog tussen de zuidelijke en noorderlijke staten over de slavernijkwestie en wij volgden de ontwikkelingen met interesse, steunden zonder uitzondering de noorderlijke staten, die onder president Lincoln voor de vrijheid van de negers stonden.
    Hoe besteedde je je tijd in Amerika? Toezicht houden op de werkzaamheden, de wacht houden, lezen in behoorlijke hoeveelheden, en we ondernamen om beurt nogal zinloze bezoekjes aan de wal. Bij uitstapjes aan de wal, bij aankomst in een nieuwe plaats, ontmoetten we gewoonlijk enige hoogwaardigheidsbekleders, en daaruit volgde de gang naar restaurants, waar we eten kregen en soms ook drank. Wij hielden geen grote drankgelagen, maar er was een overvloedige hoeveelheid wijn! Die werd dikwijls aangesproken. Bij die gelegenheden bleef ik niet achter bij de anderen, hoewel ik op dat gebied nooit een van de voorlopers geweest ben. Op een dag, herinner ik me, zaten alle kadetten brieven te schrijven. Iemand vroeg om een fles wijn, die direct leeggedronken werd 'ten behoeve van de verbeelding'. Daarop volgde nog een fles, en een derde. De brieven werden in de steek gelaten en spoedig ging het hele gezelschap naar de wal, waar het drankgelag werd voortgezet. Soms werd het drinken onderbroken voor bezoekje aan dames van plezier. Laaghartig en smerig...
    In New York hoorde ik 'Robert' van Meyerbeer en 'Faust' van Gounod in nogal slechte uitvoeringen. Muziek ging geheel aan me voorbij, als je de dwarsfluit niet meetelt, die ik van tijd tot tijd bespeelde ter vermaak van het kadettenkorps, en de duetten met viool, bespeeld door een Amerikaanse loodsman, Thomson. We speelden verschillende nationale Amerikaans hymnes en liederen, waarbij ik, tot zijn niet geringe verbazing, direct op het gehoor de begeleiding speelde bij melodieŽn die ik voor het eerst hoorde. Ik las enorm veel in die tijd. Behalve voor geschiedenis, kritieken en literatuur interesseerde ik me ook voor geografie, meteorologie en reisverslagen. In Amerika leerde ik ook wat Engels.
    Tegen april 1864 werd bekend dat de oorlog tegen Engeland er niet zou komen en ontving ons eskader een andere opdracht.  Wij kregen het bevel onze klipper langs Kaap Hoorn naar de Stille Oceaan te varen. Ons stond dus een reis om de wereld te wachten, d.w.z. nog twee of drie jaar varen. De korvet 'Varjag' kreeg hetzelfde bevel, de overige schepen moesten terugkeren naar Europa. Kapitein Zeljyoni wilde om de een of andere reden helemaal niet rond de wereld varen. Mij deed het eerder vreugde dan andersom. Aan muziek was ik in die tijd bijna helemaal ontwend. Brieven van Balakirev kreeg ik maar zelden, zoals ik hem ook zelden schreef. Het idee om muzikant en componist te worden had me langzamerhand verlaten. Verre landen begonnen me te lokken, hoewel het vak van zeeman me eigenlijk maar matig beviel en ik er ook het karakter niet voor had.
    In april verliet onze klipper New York met bestemming Kaap Hoorn. Schepen die in die tijd van New York naar Kaap Hoorn voeren zetten gewoonlijk koers naar het oosten, profiterend van de machtige westenwind. Vervolgens, als ze bijna bij de Azoren waren, voeren ze naar het zuiden, de noordoostelijke passaatwinden op de evenaar zover mogelijk uit de Amerikaanse kust kruisend, zodat de zuidoostelijke passaatwinden van het zuidelijk halfrond zo goed mogelijk van pas kwamen om naar Rio de Janeiro of Montevideo te varen, waar schepen doorgaans heengaan voor ze naar de kaap gaan. Wij deden dat ook. We voeren op de zeilen van New York naar Rio de Janeiro in 65 dagen. Die lange duur kwam ten eerste doordat de klipper 'Almaz', ondanks twee aanpassingen van de masten (in Engeland en in New York) nogal traag bleek te zijn, en ten tweede doordat kapitein Zelyoni een angstig mens en een wantrouwige zeeman was. Hij had geen enkel vertrouwen in zijn wacht en in zijn oudste officier L. V. Michajlov, die hij alleen op de kleine zeilen liet varen, die gestreken moest worden bij de minste toename van de wind. Hoewel de koopvaardijschepen die wij in die tijd tegenkwam op volle zeilen voeren waagden wij ze niet te imiteren en we deden het rustig aan. Tijdens het varen bleef Zelyoni hele dagen aan dek, zelf het commando voerend, en 's nachts dommelde hij aangekleed op het trappetje van zijn kajuit, klaar om bij het eerste gerucht op te springen en het commando over te nemen. Als gevolg van het wantrouwen van de commandant leerden de wachtofficieren niet zelfstandig te werken en richtten ze zich met elk klein dingetje tot de commandant, die hen bij de kleinste onvolkomenheid van hun kant kleineerde en vernederde voor de hele bemanning. De officieren noch de kadetten hielden van hem, vanwege zijn barsheid en wantrouwen, en ze vonden het ook vervelend dat het onder zijn leiding onmogelijk was ervaring op te doen. Op zondag, de hele bemanning verzameld bij de ikoon, ging hij gewoonlijk zelf voor in gebed. Daarna las hij op het dek het zeevaartreglement en de wet voor, waarin gesproken werd over zijn grenzeloze macht aan boord van een schip op zee. Het tuchtigen van de bemanning gaf hem geen plezier, wat voor hem pleit, maar zijn handen zaten los en hij foeterde grof en onbehoorlijk op ons.
    Maar ik zal het varen zelf, het zeemansschap en andere maritieme aangelegenheden, waarover ik al voldoende gezegd heb, verder buiten beschouwing laten en me richten op de indrukken van het varen als reis in de enge zin van het woord. Die indrukken waren van een geheel andere aard.
    Aanvankelijk had onze reis net zo'n guur karakter als de overtocht van Rusland naar New York. Frisse en onstuimige winden vergezelden ons op weg naar de kusten van Europa, hoewel de Atlantisce oceaan deze keer minder ruw was omdat het voorjaar was. Toen we koers zetten naar het zuiden (niet ver bij de Azoren vandaan) begon het weer beter te worden. De lucht werd blauwer en blauwer, er woei een steeds krachtigere warme wind, en tenslotte kwamen we in de noord-oostelijke passaat terecht en we overschreden al snel de kreeftskeerkring. Het prachtige weer, de gelijkmatige warme wind, de licht golvende zee en de azuurblauwe lucht met witte stapelwolken hielden aan zolang we in de gunstige baan van de passaat voeren. Prachtige dagen, prachtige nachten! De wonderbaarlijke azuren kleur van overdag veranderde 's nachts in een fantastische fosforische flonkering. Met de nadering van het zuidelijk halfrond werd de schemering steeds korter, en de zuidelijke sterrenhemel liet zich steeds beter aanschouwen. Wat schitteren de Melkweg en het Zuiderkruis! Wat een wonderschone sterren zijn Canopus (sterrenbeeld Schip), en Alpha Centauri! Wat straalt de rode Antares (in Schorpioen), voor ons zichtbaar als een bleke ster op heldere zomeravonden, prachtig! Sirius, die wij kennen uit de winternacht, leek hier twee keer groter en helderder. Al snel werden alle sterren van beide halfronden zichtbaar. De Grote Beer stond laag boven de horizon en het Zuiderkuis verscheen steeds hoger en hoger. Het licht van de in de stapelwolken duikende volle maan was gewoonweg oogverblindend. De tropische oceaan met zijn azuurblauwe en fosforische kleuren was wonderschoon, de tropische zon en wolken waren wonderschoon, maar de nachtelijke tropische hemel boven de oceaan is het allermooiste dat er in de wereld bestaat. Bij de nadering van de evenaar verdween het verschil in dag- en nachttemperatuur bijna helemaal: overdag 24 graden (in de schaduw, natuurlijk), 's nachts 23. De watertemperatuur was ook 23 of 24 graden. Ik had geen last van de warmte. De wonderlijke passaatwind gaf de sensatie van een soort warme koelte. 's Nachts in de kajuiten was het natuurlijk benauwd, daarom hield ik van de nachtdienst, wanneer je op dek die heerlijke lucht kon inademen en verliefd worden op de zee en de hemel. In plaats van te zwemmen, wat gevaarlijk was vanwege haaien, namen we een paar keer per dag een bad. Op een dag bleven we lang een haai volgen, die voor het schip uit zwom. We probeerden hem te vangen, maar om de een of ander reden lukte dat niet. Fontijntjes spuitende walvissen zagen we vaak, en vliegende vissen waren dag en nacht aan de boegen van het schip te zien. Een van hen vloog zelfs zo hoog dat hij op het dek belandde.
    We verbleven een paar dagen in Porto Grande op de Kaapverdische Eilanden. Het was een kaal en rotsachtig eiland met een zielige, verschroeide vegetatie en een kleine stad met een steenkoolvoorraad, maar het bracht ons een bekend vermaak: we reden rond op ezels, die door hun drijvers, negerjongetjes, genadeloos met stokken werden geslagen. Toen we proviand en kolen hadden ingeslagen gingen we op weg naar Rio de Janeiro. Het windstille stuk voeren we op stoom. Heet weer, wolkenluchtig en veel regenbuien vergezelden ons op de oversteek. Aan de horizon waren vaak wervelstormen zichtbaar die de wolken met de zee verbonden. Het overschrijden van de evenaar werd gevierd met de gebruikelijke processie voor Neptunus en feestelijke baden, hetgeen al vele malen beschreven is in allerlei reisverslagen.
    Na het windstille gebied vingen we de zuid-oostelijke passaat en het verrukkelijke tropische weer was voorbij. Met het naderen van de steenbokskeerkring helde de Grote Beer steeds meer (de Poolster was allang verdwenen) en het Zuiderkruis kwam hoger en hoger te staan. Omstreeks 10 juni kwam de Braziliaanse kust in zicht en de Suikerbroodberg, die de ingang van de haven van Rio de Janeiro aangaf, en spoedig gingen we voor anker aan de rede van Rio de Janeiro.
    Wat een schitterende plek! Groene bergen omringen een grote, maar van alle kanten ingesloten baai, met aan het hoofd de Corcovado, aan de voet waarvan de stad zich uitspreidt. Het was juni – een wintermaand op het zuidelijk halfrond. Maar wat een opmerkelijk winter op de steenbokskeerkring! Overdag was het ongeveer 20 graden in de schaduw, 's nachts 14 tot 16. Het stormde veel, maar verder was het rustig en helder weer. Het water van de baai was overdag groen-blauw, en 's nachts schitterde het, en de oevers en de bergen waren weelderig groen. In de stad en op de kades liepen negers in allerlei tinten: van bruin tot glanzend zwart, in hemden of halfnaakt; en Brazilianen met zwarte jassen en hoge hoeden. Op de markt zag je oneindige hoeveelheden sinaasappels, mandarijnen en heerlijk bananen, en ook apen en papegaaien. De Nieuwe Wereld, het zuidelijk halfrond, de tropische winter in juni! Alles is anders dan bij ons.
    Met mijn kameraden, vooral met I. P. Andrejev, zwierf ik veel rond in de bossen en bergen rond Rio, we maakten wandelingen van 30-40 werst per dag en genoten van de wonderschone natuur en prachtige uitzichten. Een enkele keer ging ik naar de Tijuca-waterval of beklom ik de Corcovado of de GŠvea. Op een dag moest ons verdwaalde gezelschap overnachten in het bos, wat geen gevaar opleverde omdat wilde dieren niet in de buurt van de stad komen. Ik ging ook graag wandelen in de botanische tuin met zijn prachtige laan met koningspalm, recht en hoog als zuilen. Opgewonden bekeek ik de wonderbaarlijke en veelkleurige bomen van de tuin, waarin naast inheemse ook Aziatische soorten stonden, zoals kruidnagel- en kaneelplanten, kamferbomen, enz. Overdag vlogen er piepkleine vogeltjes en enorme vlinders en 's nachts was de lucht vol van lichtgevende insecten.
    We gingen voor twee dagen naar Petropolis – de residentie van de Braziliaanse keizer – een plaatsje dat in de bergen ligt. Daar maakten we een schitterende wandeling naar de Itamaraty-waterval, in de buurt waarvan opmerkelijk hoge boomvarens groeien. Ook de verbazingwekkende, lange, donkere bamboelaan dichtbij Rio kan ik niet vergeten, die wel een gotische koepelgewelf lijkt, met de naar elkaar toe gebogen bamboetoppen.
    We bleven ongeveer vier maanden in Rio de Janeiro om de volgende reden. Na een verblijf van twee weken namen we afscheid van Rio en voeren we naar het zuiden richting Kaap Hoorn. Ter hoogte van het eiland Santa Catarina stak een krachtige pamperos op (zo noemen ze de winden die vaak bij de monding van de Rio de la Plata waaien). Het was een zeer krachtige wind, de golven werden enorm, maar om de een of andere reden hield de kapitein de zeilen dit maal gehezen. De schroef gaf enorme trillingen bij elke klap van het achtersteven, en al snel bleek dat er een behoorlijk lek in het schip zat. We konden niet verder en keerden terug naar het dok in Rio de Janeiro voor herstelwerkzaamheden. We zonden een rapport naar Rusland over de ongeschiktheid van de klipper voor de lange reis om de wereld. In het rapport stonden sterke overdrijvingen, zoals dat de planken van het dek in de pamperos heen en weer bewogen als de toetsen van een piano. Dat was in werkelijkheid niet zo; we hadden alleen niet met volle zeilen moeten varen en het achtersteven ontwrichten door de trillingen van de deinende schroef. Alle stormen die ons eerder beproefd hadden, hadden we goed doorstaan door met klein zeil te varen. Hoe het ook zij, het schip moest gerepareerd worden. Het werk hield ons tot december in Rio, dat wil zeggen tot die tijd dat vanuit Rusland besloten was dat we zouden terugkeren naar Europa, waarmee het plan van de wereldreis van de baan was (tot genoegen van de kapitein, overigens).
    Toen de reparaties aan het lek waren voltooid, en voor het definitieve bevel terug te keren naar Europa ontvangen was ging onze klipper voor enkele dagen naar het kleine eiland Ilha Grande, dat even zuidelijk van Rio ligt, om een artillerie-oefening uit te voeren. We bleven een dag of vijf, zes bij Ilha Grande. Het is een bergachtig eiland, begroeid met dichte tropische bossen. Aan ťťn kant zijn er koffie- en suikerplantages. We hebben veel gewandeld in de prachtige bossen. Bij terugkeer in Rio de Janeiro vanaf Ilha Grande ontvingen we al snel het bevel. Het was al oktober: de zomer begon en de hitte nam toe. Ik was enigszins teleurgesteld dat ik Rio en zijn prachtige natuur moest verlaten.
    Onze klipper zette koers naar Cadiz, waar we nadere instructies af moesten wachten. De terugkeer naar het noordelijk halfrond duurde 60-65 dagen. Opnieuw heerlijke stukken passaat, in omgekeerde richting, de verschijning van de sterren van het noordelijk halfrond en de verdwijning van die van het zuidelijk halfrond. Ergens rond de evenaar konden we voor twee nachten achtereen getuige zijn van de buitengewone fosforische schittering van de oceaan. Waarschijnlijk hadden we de zogeheten Sargasso-zee bereikt, dat is een gebied dat rijk is aan mariene algen en weekdieren,  die een bijzondere kracht geven aan de fosforische schittering van het water. Er woei een behoorlijk krachtige passaat en de zee golfde. De hele oppervlakte van de oceaan, van het schip tot aan de horizon, was overgoten met fosforisch licht, dat op de zeilen weerspiegelde. Wie het niet gezien heeft kan zich onmogelijk een voorstelling maken van zoiets moois. De derde nacht nam de schittering van het water af, en de oceaan hernam zijn gewone nachtelijk aanzicht. We kwamen, geloof ik, begin december in Cadiz aan, en na daar drie dagen geweest te zijn voeren we, overeenkomstig de opdracht, naar de Middellandse Zee, waar we ons in Villefranche-sur-Mer moesten aansluiten bij het zich daar bevindende eskader van Lesovski, dat de tsarevitsj Nikolaj Aleksandrovitsj begeleidde, die de winter wegens ziekte in Nice doorbracht. Op weg daarheen kwamen we langs Gibraltar, waar we de beroemde gefortificeerde rots zagen, en ook langs Port Mahon, op het eiland Menorca. De tropische hitte hadden al lang achter ons gelaten; desondanks was het weer schitterend, hoewel koel. Net zulk weer was het in Villefranche-sur-Mer, waar we eind december arriveerden.
    In Villefranche-sur-Mer troffen we het eskader van Lesovski, waar we ons bij aansloten. Het verblijf in  Villefranche-sur-Mer werd onderbroken door korte uitstapjes naar Toulon, Genua en La Spezia. Vanuit Toulon bezocht ik Marseille en vanuit Genua ging ik naar de beroemde Villa Durazzo-Pallavicini. Een bekoorlijke wandeling door Nice was mijn gebruikelijke tijdverdrijf op mijn vrije dagen. Met I. P. Andrejev maakte ik ook wandelingen in de bergen. De mooie rotsachtige bergen, de olijf- en sinasappelbomen en de mooie zee lieten een betoverende indruk in mij na. Ik ging ook naar het notoire Monaco, waarheen vanuit Villefranche-sur-Mer een stoomboot genaamd 'Bulldog' voer. Er was een ongewoon onprettige deining, waardoor ik, gewend aan de golven van de oceaan, zeeziek werd op een uitstapje naar Monaco. Ik probeerde roulette te spelen, maar toen in enkele goudstukken verloren had hield ik ermee op, omdat ik geen enkele zin meer had in het spel. In Nice was toen een Italiaanse opera, maar ik ging er niet heen. Als ik met kameraden aan wal was die van muziek hielden speelde ik vaak Gounods 'Faust', die ik nog in New York had gehoord. 'Faust' begon in die tijd in de mode te raken. Ik had de bladmuziek ergens vandaan gehaald. Mijn luisteraars waren in vervoering; en ik moet eerlijk zeggen dat het ook mij toen enorm beviel.
Mijn kameraden en ik waren in die tijd al gepromoveerd tot korporaals, dus tot echte officieren, en hadden toegang tot de officierskajuit.
    In april overleed de tsarevitsj. Zijn lichaam werd met groot ceremonieel vertoon naar het fregat 'Aleksandr Nevski' overgebracht en ons hele eskader werd naar Rusland ontboden. We reisden langs Plymouth en Christiansand. In Noorwegen in april was het warm en het groen was in volle glorie. Vanuit Christiansand ging ik naar een mooie waterval, wiens benaming ik vergeten ben. Naarmate we dichter bij de Finse golf kwamen werd het kouder en kouder en in de Golf kwamen we zelfs ijsschotsen tegen. In de laatste dagen van april wierpen wij het anker uit aan de rede van Kronstadt.
    Mijn buitenlandse reis was voorbij. Ik heb vele onuitwisbare herinneringen aan de prachtige natuur van verre landen en zeeŽn en ik heb vele slechte, lage, weerzinwekkende indrukken van het zeemansleven doorstaan op mijn reis van twee jaar en acht maanden. Maar wat te zeggen van muziek en mijn hang daarnaar? De muziek was vergeten, en mijn hang naar het kunstenaarschap verdrongen. Zodanig verdrongen dat ik bij mijn moeder, bij het gezin van mijn broer, bij de Balakirevs, die al snel voor de zomer uit St. Petersburg vertrokken, tijdens mijn verblijf in Kronstadt voor de ontmanteling van de klipper en in huis bij mijn vriend officier K. J. Zambrzhitski, die een piano had, me niet eenmaal met muziek bezighield. Als bezighouden met muziek tel ik niet mee de sonates met viool, waarvoor van tijd tot tijd bij mij bekende zeelui/dilletanten naar me toe kwamen. Ik was zelf een zeeman/amateur die af en toe wel eens muziek luisterde of speelde. Mijn dromen over een loopbaan als kunstenaar waren echter geheel verdwenen, en ik miste ze niet.


HOOFDSTUK VI 1865-1866

Toen in september 1865 de ontmanteling van de klipper 'Almaz' gereed was werd ik met dat deel van de Eerste Vlootequipage dat de de bemanning vormde naar St. Petersburg gestuurd, waar mijn dienst aan wal en mijn Petersburgse leven begon. Mijn moeder en mijn broer met zijn gezin keerden na de zomer terug naar St. Petersburg; ook mijn muzikale vrienden kwamen weer: Balakirev, Cui en Moesorgski. Ik begon Balakirev te bezoeken, raakte eerst weer gewend aan muziek en werd er vervolgens door meegesleept. Tijdens mijn verblijf in het buitenland was er veel water onder de brug door gestroomd, veel leek nieuw te zijn in de muzikale wereld. De Vrije Muziekschool was opgericht. Balakirev was er samen met G. I. Lomakin dirigent geworden. In het Marijinski-theater was de opera 'Josef' uitgevoerd en de componist Serov was in aanzien gestegen. Richard Wagner was gekomen, op uitnodiging van de Philharmonische SociŽteit, en had muzikaal Petersburg bekend gemaakt met zijn werken en met meesterlijke concerten onder zijn leiding. In navolging van Wagner keerden alle dirigenten vanaf toen hun rug toe naar het publiek om het orkest aan te kunnen kijken. Al bij mijn eerste ontmoetingen met Balakirev hoorde ik dat er een nieuw lid in de kring verschenen was, een veelbelovend talent. Dat was A. P. Borodin. Toen ik teruggekeerd was in St. Petersburg was hij er nog niet, hij was nog niet terug na de zomer. Balakirev speelde fragmenten van het eerste deel van zijn symfonie in Es-groot, die me eerder verbaasden dan bevielen. Borodin kwam spoedig, ik maakte kennis met hem, en in die tijd begon onze vriendschap, hoewel hij tien jaar ouder was dan ik. Ik ontmoette zijn vrouw Jekaterina Sergejevna. Borodin was toen al hoogleraar chemie op de Medische Academie en woonde bij de Litejni-brug, in een appartement in een gebouw van de academie, waar hij tot zijn dood is gebleven. Borodin vond mijn symfonie mooi, die Balakirev en Moesorgski quatre-mains voor hem hadden gespeeld. Het eerste deel van zijn symfonie in Es-groot was nog niet af, maar hij had in de zomer in het buitenland al materiaal voor de overige delen gecomponeerd. Ik was verrukt door deze fragmenten, en doorgrondde toen ook het eerste deel, dat mij slechts bij de eerste kennismaking verbaasd had. Ik kwam vaak bij Borodin, overnachtte ook dikwijls bij hem. We spraken veel over muziek en hij speelde zijn projecten voor me en stukken uit zijn symfonie. Hij was bekwamer dan ik in de orkestratiepraktijk, want hij speelde cello, hobo en dwarsfluit. Borodin was een zeer gemoedelijk en beschaafd man, een aangename, originele en scherpzinnige gesprekspartner. Als ik bij hem kwam trof ik hem vaak in zijn laboratorium aan, dat aan zijn appartement grensde. Wanneer hij met zijn kolven bezig was, en een of ander kleurloos gas door een verbindingspijp van het ene vat naar het andere liet stromen, dan zei ik hem dat hij water naar de zee droeg.
    Als hij klaar was met werken kwam hij naar huis en hielden we ons bezig met muzikale aangelegenheden of gesprekken, te midden waarvan hij dan opsprong en naar zijn laboratorium rende om te zien of er niets uitgebrand was, of overgekookt of iets dergelijks, de gang vullend met een of andere ongelofelijke sequentie van nonen of septiemen, waarna hij terugkwam en wij verder gingen met de muziek of een onderbroken gesprek hervatten. Jekaterina Sergejevna was een lieve, ontwikkelde vrouw, een schitterende pianiste die het talent van haar man aanbad.   
    In het najaar van 1865 werd ik met een deel van de Eerste Vlootequipage, waar ik bij hoorde, in St. Petersburg gestationeerd tot de zomer. Onze bemanning verbleef in de Galerni-haven, in het zogeheten Derjabin-huis. Ik woonde in een gemeubileerde kamer in het vijftiende blok van het Vasilevski-eiland, bij een of andere typograaf of letterzetter. Ik at met mijn broer op de Zeevaartschool. Ik kon toen niet bij de zijnen wonen, omdat hij ondanks zijn grote directeurswoning geen ruimte voor mij had. Ik had het niet erg druk: ik moest elke morgen twee of drie uur op de kanselarij in het Derjabin-huis zijn, waar ik de correspondentie beheerde en allerlei stukken en rapporten pende, die begonnen met 'Ik heb de eer Uwe Excellentie...' of 'Gelieve de bijgesloten lijst...', enz.
    Ik bezocht Balakirev heel vaak. Als ik hem 's avonds bezocht bleef ik soms bij hem slapen. Mijn betrekking met Borodin heb ik al beschreven. Ik kwam ook bij Cui. Dikwijls verzamelde zich bij een van hen ons muzikale gezelschap: Balakirev, Cui, Moesorgski, Borodin, Stasov en anderen. Er werd veel quatre-mains gespeeld. Op aandringen van Balakirev werkte ik weer aan mijn symfonie; ik bewerkte een trio tot een scherzo, dat ik tot dan toe nog niet had. Op zijn aanwijzing herorkestreerde ik de hele symfonie en herschreef ik hem grondig. Balakirev, die in die tijd met G. I. Lomakin het orkest van de Vrije Muziekschool dirigeerde, besloot het stuk uit te voeren en liet de partijen uitschrijven. Maar wat was die partituur verschrikkelijk! Trouwens, hierover later meer, ik zal alleen zeggen: ik had hier en daar wat opgepikt, maar ik beheerste in die tijd het notenschrift niet. Hoe dan ook: mijn eerst symfonie bestond en was klaar om uitgevoerd te worden. Het concert vond plaats op 19 december in de Doema, voorafgegaan door twee repetities (het gebruikelijke aantal in die tijd). De kunst van het dirigeren was voor mij toen nog een raadsel en ik had diepe bewondering voor Balakirev, die dat raadsel doorgrond had. Zijn enthousiasme voor de muziekschool, zijn verhalen over de lessen, over Lomakin, over andere muzikale zaken en verscheidene Petersburgse aangelegenheden, dat alles vervulde mij met een wonderbaarlijk genoegen. Ik was mij ervan bewust dat ik maar een jongen was, dat ik nog niets gecomponeerd had, en vooral dat ik niet wist, dat ik niet eens fatsoenlijk een 'ofitserik' kon spelen; maar al die verhalen over die en die muziek, over die en die zaak, en bij dat alles Balakirev, die alles weet, die alles kan, en die alom gerespecteerd wordt als een groot musicus. Cui was toen al begonnen zijn kritieken te schrijven voor de St. Petersburgse Mededelingen en wekte, los van mijn liefde voor zijn composities, zonder meer mijn achting als publiek figuur. Wat betreft Moesorgski en Borodin, hen zag ik meer als vrienden dan als leraren. De composities van Borodin werden nog niet uitgevoerd, hij was toen net begonnen aan zijn eerste grote werk – zijn symfonie in es-groot. Met orkestratie had hij net zo weinig ervaring als ik, hoewel hij de instrumenten beter kende, omdat hij zelf dwarsfluit, hobo en cello speelde. Wat betreft Moesorgski, die was, hoewel hij een prachtige pianist en een uitstekende zanger was (hoewel hij in die tijd zijn zangstem eigenlijk al verloren had), en hoewel twee van zijn kleinere werken – het Scherzo in b-groot en het koor uit Oedipus – al in het openbaar uitgevoerd waren onder leiding van A. G. Rubinstein, weinig onderlegd in orkestratie, en Balakirev had zijn uitgevoerde composities onder handen genomen. Aan de andere kant, hij was geen beroepsmuzikant. Hij werkte op een of ander ministerie en hield zich slechts in zijn vrije tijd met muziek bezig. Trouwens: Borodin vertelde me dat hij zich Moesorgski als heel jonge man herinnerde. Borodin was afdelingsarts in een of ander krijgshospitaal en Moesorgski was officier in datzelfde hospitaal (hij diende toen nog bij de Garde). Toen maakten ze al kennis. Kort daarna ontmoette Borodin hem opnieuw bij gemeenschappelijke kennissen, en Moesorgski, de jonge officier, die uitstekend Frans sprak, onderhield de dames, speelde iets uit 'Il Trovatore' voor hen. Wat een tijden..! Laat me nog opmerken dat Balakirev en Cui in de jaren zestig heel close met Moesorgski waren en oprecht van hem hielden, maar hem als hun mindere beschouwden en als weinig verwachtingen van hem hadden, ondanks zijn onmiskenbare talent. Ze vonden dat het hem aan iets ontbrak, en in hun ogen had hij vooral advies en kritiek nodig. Balakirev foeterde vaak dat hij 'geen hersenen' of 'een zwak verstand' had. Tussen Cui en Balakirev was de volgende verhouding ontstaan: Balakirev vond dat Cui weinig begreep van symfonie en vorm en niets van orkestratie, maar dat hij op het gebied van zang en opera een groot genie was; Cui vond Balakirev een genie in symfonie, vorm en orkestratie, maar moest niet veel hebben van zijn vocale composities. Zo vulden zij elkaar aan, maar ze voelden zich beiden, elk op zijn eigen manier, rijp en volgroeid. Borodin, Moesorgski en ik daarentegen – wij waren onvolgroeid en onvolwassen. Uiteraard was onze positie ten opzichte van Balakirev en Cui dan ook enigszins ondergeschikt; we luisterden onvoorwaardelijk naar hun mening, knoopten die in onze oren en brachten die in de praktijk. Balakirev en Cui daarentegen zaten wat ons betreft eigenlijk niet om hulp verlegen. De verhouding tussen mij, Borodin en Moesorgski was dus geheel kameraadschappelijk, maar voor Balakirev en Cui waren we leerlingen. Bovendien zei ik al dat ik Balakirev persoonlijk adoreerde en hem beschouwde als mijn alfa en omega.
    Na de voorspoedige repetities, waarbij de muzikanten me nieuwsgierig aanschouwd hadden, want ik droeg mijn officiersjas, vond het concert plaats. Op het programma stonden Mozarts Requiem en mijn symfonie. In het Requiem zongen als solisten trouwens de broers Meljnikov. Volgens mij schitterde I. A. Meljnikov toen voor de eerste keer. De symfonie ging goed. Ik werd op het podium geroepen en verbaasde het publiek met mijn uniform. Velen maakten kennis met me en feliciteerden me. Ik was natuurlijk gelukkig. Het zij vermeld dat ik voor het concert heel gespannen was en dat de neiging om me ongerust te maken mijn hele leven bij me is gebleven.
    In de kranten werd ik, volgens mij, goed bevonden maar niet opgehemeld, maar Cui schreef in de St. Petersburgse Mededelingen een zeer sympathiek artikel, waarin hij stelde dat ik de eerste Russische symfonie geschreven had (Rubinstein telde niet mee), en ik geloofde dat ik de eerste in een reeks van Russische symfonische componisten was. Kort na de uitvoering van mijn symfonie vond er een diner plaats voor leden van de Vrije Muziekschool, waarvoor ik ook uitgenodigd werd. Er werden enkele toosten uitgebracht en men dronk op mijn gezondheid.
    In het voorjaar van 1866 werd mijn symfonie opnieuw uitgevoerd, dit maal niet door Balakirev. In de vastentijd, wanneer er geen toneelvoorstellingen waren, organiseerden de theaterdirecteuren symfonieconcerten. Aanvankelijk werden die gedirigeerd door Karl Schubert (over wie ik al schreef), en na zijn dood nam de operadirigent K. N. Ljadov het van hem over. De theaterdirectie wenste ook mijn symfonie uit te voeren. Hoe dat zo kwam weet ik niet. Waarschijnlijk had het te maken met de invloed die Balakirev had op Kologrivov, die toen inspecteur van de muzikanten in de keizerlijke theaters was. Ik zond de directie de partituur en de symfonie werd onder leiding van Ljadov met enig succes gespeeld. Ik was niet uitgenodigd voor de repetities. Het was duidelijk dat Ljadov noch de directie zich om mij bekommerde. Ik was niet bijzonder tevreden over de uitvoering, hoewel die, herinner ik me, helemaal niet slecht was. Maar ten eerste voelde ik me gekrenkt omdat ik niet uitgenodigd was voor de repetities, en ten tweede: hoe kon ik tevreden zijn met Ljadov, terwijl Balakirev mijn enige god was? Trouwens, over de dirigent Ljadov werd in de Kring ongunstig geoordeeld, net als over alle andere dirigenten die niet uit ons midden kwamen. Cui plaatste Balakirev als dirigent in zijn artikelen vaak naast Wagner en Berlioz. Het zij opgemerkt dat Cui Berlioz toen nog nooit gehoord had. Balakirev zelf geloofde ongetwijfeld in zijn eigen superioriteit en macht, en het moet gezegd dat wij in die tijd alleen hem, Rubinstein en Ljadov kenden. Rubinstein kwam er in die vergelijking slecht af en Ljadov ging zijn ondergang al tegemoet als gevolg van zijn losbandige levensstijl. Diep graven in het geheugen levert Karl Schubert op, maar wat betreft buitenlandse dirigenten: die kenden we niet, uitgezonderd R. Wagner, die we op dat gebied geniaal vonden. En naast hem en Berlioz, die alleen Stasov zich herinnerde, stond Balakirev. Die verhouding tot Wagner en Berlioz leek me onbetwijfelbaar, hoewel ik geen van beiden ooit gehoord had. Dus moest ik wel ontevreden zijn over de uitvoering van mijn symfonie. Desondanks werd ik, weet ik nog, op het podium geroepen.
    Hoe het voorjaar van 1866 verliep weet ik niet meer; ik weet alleen dat ik niets geschreven heb, maar waarom niet, dat kan ik niet verklaren. Het moet zijn geweest omdat componeren in die tijd heel moeilijk voor me was, bij gebrek aan techniek, en van nature was ik niet volhardend. Balakirev jaagde me niet op, zette me niet tot studie aan; voor hem was het ook een wat verwarrende tijd. Ik ging 's avonds vaak naar hem toe. Ik herinner me dat hij in die tijd zijn Russische liederen harmoniseerde, waar hij lang aan morrelde en veel aan veranderde. Zodoende raakte ik goed bekend met zijn vocale composities en zijn wijze van harmonisatie. Balakirev beschikte in die tijd over een grote voorraad oosterse melodieŽn en dansen, die hij had verzameld op zijn reis in de Kaukasus. Hij speelde ze vaak voor mij en anderen, in een uitgekiende harmonie en arrangement. Mijn kennismaking met Russische en oosterse liederen legde de basis voor mijn liefde voor volksmuziek, waar ik mij voortaan ook aan ging wijden. Ik weet ook nog dat Balakirev wat beginnetjes had voor zijn symfonie in c-groot. Bijna een derde van het eerste deel van de symfonie was al als partituur geschreven. Bovendien waren er stukjes voor een scherzo, en ook een finale op het Russische thema 'De Sjarlatarla uit Partarla', dat ik hem aangedragen had, en dat mijn oom Pjotr Petrovitsj voor mij gezongen had. Het tweede thema van de finale was gebaseerd op het liedje 'En we zaaiden gierst', ongeveer in de vorm waarin het opgenomen is in zijn verzameling van veertig liederen. Wat betreft het scherzo: daarvan improviseerde Balakirev op een dag voor mij het begin: [notenschrift] Later veranderde hij het echter. Van zijn pianoconcert was het eerste deel klaar en georkestreerd. Voor het adagio en het laatste thema had hij wonderschone bedoelingen. Vervolgens zou halverwege de finale het kerkelijke thema 'Daar komt de bruidegom' moeten doorklinken, en de piano moest dat begeleiden door het geluid van kerkklokken te imiteren. Daarnaast had hij fragmenten voor een octet of een nonet met piano in f-groot: [notenschrift] en een prachtig scherzo.
    Zijn enthousiasme voor de door hem uitgedachte opera 'De vuurvogel' was in die tijd al enigszins bekoeld, hoewel hij er veel voortreffelijke fragmenten uit speelde, die hoofdzakelijk voortkwamen uit oosterse thema's. Uitmuntend waren de leeuwen die de gouden appels bewaakten, en de vlucht van de vuurvogel. Ik herinner me ook nog een aantal liedjes en de dienst van de vuuraanbidders op een Perzisch thema: [notenschrift]. Cui componeerde in die tijd 'Ratcliff'; als ik me niet vergis had hij de scene 'Bij de zwarte steen' en de romance van Maria al af. Moesorgski was druk met de compositie van een opera met als onderwerp 'SalammbŰ'. Soms speelde hij stukjes bij Balakirev en Cui. Deze stukjes vonden grotendeels onze instemming vanwege hun prachtige thema's en ideeŽn, maar voor een belangrijk deel ook onze afkeuring door hun onrust en warrigheid. Cui, herinner ik me, kon de lawaaiige, wanordelijke stormen in deze opera niet verdragen. Borodin werkte verder aan zijn symfonie en liet Balakirev vaak een stuk partituur zien ter inspectie.
    Het hierboven beschrevene vormde mijn voornaamste muzikale kost in die tijd. Ik bracht mijn avonden telkens bij Balakirev door, en was soms bij Cui en Borodin. Maar zelf, zoals ik al zei, componeerde ik weinig of niets in het voorjaar van 1866. Tegen de zomer vatte ik het plan op om een ouverture op Russiche thema's te schrijven. Balakirevs ouverture '1000 jaar' en zijn ouverture in b-klein dienden natuurlijk als voorbeeld. Ik koos de thema's 'Glorie', 'Bij de poort' en 'Ivanoesjka's chapan'. Balakirev keurde de keuze voor die laatste twee niet helemaal goed, hij vond ze te gelijksoortig, maar ik hield er toch aan vast, waarschijnlijk omdat ik al geslaagd was op beide thema's enige variaties te componeren en die niet meer los wilde laten toen ik eenmaal begonnen was.
    De zomer van 1866 was ik grotendeels in Petersburg, met uitzondering van een maand die ik op het jacht 'Volna' in de Finse Golf doorbracht. Teruggekomen van die kleine vaartocht schreef ik de ouverture, waarvan de partituur tegen het eind van de zomer gereed was. Waar Balakirev die zomer was weet ik niet meer, hoogstwaarschijnlijk in Klina bij zijn vader. Teruggekeerd in de herfst speelde hij vaak twee Oosterse thema's die later zoude dienen voor zijn pianocompositie 'Islamej'. Het eerste thema, in des-groot, had hij gehoord in de Kaukasus, het tweede, in d-groot, van een of andere zanger in Moskou (waarschijnlijk Nikolajev). Tegelijkertijd speelde hij vaker en vaker thema's voor de orkestratie van zijn fantasie 'Tamara'. Voor het allegro had hij een melodie genomen die we samen gehoord hadden bij een bezoek van een konvooi van Zijne Majesteit aan de kazerne in de Sjpalerna-straat. Ik herinner me nog hoe oosterse 'mannen' muziek speelden op een soort balalajka, of een gitaarachtig instrument. Bovendien zongen ze, met enige variaties, de melodie van Glinka's 'Perzisch koor'. [notenschrift]
    In de loop van 1866 en 1867 had hij een belangrijk deel van 'Tamara' al bijeen geÔmproviseerd en vaak voor mij en anderen gespeeld. Geleidelijk aan begon ook 'Islamej' zijn vorm te krijgen. De symfonie in c-groot schoot niet op, evenmin als zijn andere beginsels.
    Onder de buitenlandse muziek, die we hoorden in Balakirevs kring, en die hij meestal zelf speelde, waren vanaf 1866 steeds vaker composities van Liszt, vooral de 'Wals van Mefisto' en de 'Danse macabre'. Voor zover ik weet werd 'Danse macabre' voor het eerst door de conservatoriumprofessor Gerk gespeeld, op een concert van Rubinstein met de Russische MuzieksociŽtet in 1865 of 1866. Balakirev vertelde vol afgrijzen wat Rubinstein van het stuk vond. Rubinstein vergeleek deze muziek met willekeurig geklingel op het klavier van de piano of iets dergelijks. Rubinstein was nooit dol geweest op Liszt, maar deze compositie benaderde hij toch anders. Ik herinner me dat 'Danse macabre' me de eerste keer enigszins onaangenaam verraste, maar al snel had ik het stuk doorgrond. De Wals van Mefisto daarentegen beviel me direct enorm. Ik schafte de partituur aan en leerde het zelfs behoorlijk spelen, in mijn eigen arrangement.
    Sowieso studeerde ik dat jaar, thuis, behoorlijk serieus op mijn pianospel. Ik woonde toen, geloof ik, aan de tiende linie, in een voor tien roebel per maand gehuurde gemeubileerde kamer. Ik zwoegde hard op de 'Tšgliche Studien' van Czerny, speelde toonladders in derden en octaven en leerde zelfs de etudes van Chopin. Deze bezigheden ondernam ik buiten medeweten van Balakirev, die mij nooit aanmoedigde piano te gaan spelen (terwijl het toch nodig was!). Balakirev had mij allang opgegeven als pianist. Mijn composities speelde hij meestal zelf, en als hij dan eens quatre-mains met mij speelde hield hij ermee op zodra ik een fout maakte, en zei hij dat het beter was voortaan met Moesorgski te spelen. Hij gaf me een ongemakkelijk gevoel en daardoor speelde ik bij hem doorgaans slechter dan ik kon. Niet bedankt daarvoor!
    Ik had het gevoel dat ik vooruitgang boekte wanneer ik thuis voldoende studeerde, maar bij Balakirev was ik bang om te spelen, en hij merkte mijn vooruitgang beslist niet op, en ook bij de anderen stond ik bekend als 'ongeschikt om te spelen', vooral bij Cui. Ach, het waren harde tijden! Borodin en ik werden in de Kring vaak uitgelachen om ons pianospel, en daarom verloren we ook het vertrouwen in onszelf. Maar ik was in die tijd nog niet helemaal ontmoedigd en probeerde in het geheim te oefenen. Het is opmerkelijk dat men mij bij mijn broer thuis, en elders buiten de Kring van Balakirev, als goede pianist beschouwde. Ze vroegen mij voor de dames en de gasten te spelen, enz. Ik speelde. Velen waren verrukt in hun onwetendheid. Als gevolg hiervan werden bepaalde onwaarheden verspreid.
    De dienst kostte me weinig tijd. Ik was ingedeeld bij de Achtste Vlootequipage, die zich in Petersburg bevond. Mijn bezigheden beperkten zich tot werk op het schip en in de marinemagazijnen, genaamd Nieuw Holland; soms had ik dienst als bewaker in de gevangenis. Mijn muzikale leven was tweeledig: in Balakirevs Kring vonden ze mij een compositietalent, een slechte of helemaal geen pianist en een aimabele, simpele officier; maar onder familie en vrienden, werd ik als marineofficier en muziekliefhebber beschouwd, die prachtig piano speelde en verstand had van serieuze muziek, en trouwens ook weleens wat componeerde.
    Op zondagavonden, wanneer de familie van zijn vrouw, jonge mensen, zich bij mijn broer verzamelde, speelde ik, om op te dansen, mijn eigen bewerkingen van quadrilles uit 'Mooie Helena' of 'Martha'. In de intermezzo's deed ik me voor als pianist en speelde ik operafragmenten met een schitterend touchť. Bij P. N. Novikov imponeerde ik met mijn kunst toen ik de Wals van Mefisto speelde. Bij P. I. Velitsjkovski, een vriend van mijn broer, speelde ik quatre-mains met zijn dochters. Velitsjkovski speelde cello en bij hem kwamen ook bevriende violisten. Ik maakte bewerkingen van 'Kamarinskaja' en 'Nacht in Madrid' voor viool, altviool, cello en piano voor vier handen en die voerden we bij hem thuis uit. Van dat alles hadden Balakirev en zijn Kring geen idee en ik hield mijn dilletantische bezigheden zorgvuldig voor hen verborgen.
    Balakirev was niet tevreden over mijn ouverture, maar, nadat hij enige correcties had voorgesteld en bevelen had gegeven, besloot hij het stuk toch uit te voeren op een concert van de Vrije Muziekschool. Het concert vond plaats op 11 december 1866. Samen met mijn ouverture werd ook de Wals van Mefisto uitgevoerd. G. I. Lomakin zei tegen me, toen we naar de repetities luisterden en hij van genoegen zijn ogen dichtkneep: 'Wat hield Michail Ivanovitsj van zulke muziek!' Wat betekende 'zulke muziek'? Waarschijnlijk bedoelde Lomakin: 'zinnelijke, hartstochtelijke' muziek. De Wals van Mefisto bracht de hele Kring in vervoering, en mij natuurlijk ook. Balakirev beschouwde zichzelf als een ontegenzeggelijk geniale dirigent, en zo dacht de hele Kring erover. Mijn ouverture verliep goed en viel min of meer in de smaak. Ik werd op het podium geroepen. Ik herinner me dat het heel bloemrijk klonk, en de percussie-instrumenten had ik met smaak ingezet. Wat de kranten over deze ouverture schreven weet ik niet meer.
    Ik geloof dat ik in december 1866 mijn eerste romance componeerde: 'Leg je wang tegen mijn wang', op een tekst van Heine. (Waarom ik dit wilde componeren weet ik niet meer; hoogstwaarschijnlijk uit het verlangen Balakirev te imiteren, wiens romances me in vervoering brachten.) Balakirev vond het stuk mooi, maar de pianobegeleiding niet goed genoeg – wat ook te verwachten viel van mij, die geen pianist was – en hij herschreef het eigenhandig. In die bewerking werd mijn romance vervolgens ook gedrukt.

index


autobiografische aantekeningen over mijn werkzame leven
(nikolaj mjaskovski)

Mijn biografie is niet bijzonder interessant, en ik schrijf deze aantekeningen alleen maar om te laten zien dat ik mijn muzikaliteit, eerst instinctief, daarna doelbewust, heb kunnen ontwikkelen in omstandigheden en met middelen die weinig, eigenlijk niets, met kunst te maken hadden. Mijn vader was militair ingenieur en gezien de aard van zijn werk verhuisden we vaak. Ik ben geboren in het fort Novo-Georgievsk, in het gouvernement Warschau, waar ik vanaf 1881 de eerste even jaren van mijn leven doorbracht. Behalve het onder de vleugel kruipen wanneer erop gespeeld werd, en het vreemd genoeg in mijn geheugen achtergebleven motief van een mars waarop een gedresseerde stier dommig danste onder de koepel van de Salomonskerk in Warschau, heb ik geen muzikale herinneringen. Daarna: Orenburg. Jeugdherinneringen: kamelen, mais, dat bij ons op het erf groeide, stofwolken en een bedwelmende hitte. Wij kinderen zochten verkoeling in het riviertje de Sakmara. Een muzikale indruk: het lied 'Raas, Maritsa' in de treurige uitvoering van een rondtrekkend gezelschap.

Tenslotte en vrij lang verblijf in Kazan. Dat liet zijn sporen na: mijn moeder stierf er. Mijn tante, de zus van mijn vader, deed als opvoedster haar intrede in ons tegen die tijd sterk uitgebreide gezin (vijf kinderen). De muziek begon mij te trekken. De doorslaggevende indruk was een afgeluisterde uitvoering voor vier handen (door wie herinner ik me niet) van muziek die mij hevig ontroerde. Met grote moeite kwam ik erachter dat het een potpourri uit Mozarts 'Don Giovanni' was. Over het bestaan van die opera had ik al iets van mijn tante gehoord, die heel muzikaal was, een goede stem had en soms in het koor van het oude Marijinski-theater in St. Petersburg zong. De naam Mozart zei me echter niets. Ik begon om muziekles te vragen. Er kwam een huurpiano. Eerst gaf tantetje me les, maar omdat ze een zenuwlijder was bracht ze er niet voldoende structuur in aan, ervan uitgaand dat ik het eenvoudig zou begrijpen. De stof van Gunten en enkele etudes van Bertini waren mijn materiaal, dat ik haast uitsluitend op het gehoor in de vingers kreeg. Intussen werd mijn muzikale beleving van buitenaf verrijkt: door de operette van het zomertheater, en door de opera die 's winters op tournee ging. Zo hoorde ik 'Orpheus in de onderwereld', 'Die Fledermaus', 'Les Cloches de Corneville' (maakte veel indruk), 'Prins Igor' (minder herinnering aan) en 'Een leven voor de tsaar' (overdonderend).

Mijn studiejaren vingen aan. Een groot gezin en een klein salaris dwongen mijn vader ertoe ons (eerst mijn broer, vier jaar ouder dan ik, die vele talenten had, maar jong stierf aan de tering, daarna ik, en later mijn drie zusters) in staatsinternaten onder te brengen. In navolging van mijn broer werd ik naar de kadettenschool in Nizjni Novgorod gestuurd. Mijn herinneringen aan die studiejaren (eerst in Nizjni Novgorod, daarna bij het tweede korps in St. Petersburg) zijn enigszins bitter. De opleiding leek me een grap: ik hoorde altijd bij de beste twee leerlingen. De ontwikkeling van mijn muzikale instinct bood uitkomst. In het korps van Nizjni Novgorod was voldoende muzikaal lesmateriaal, hetgeen veel goeds beloofde, maar het gebruik van de piano ging met zulke grote moeilijkheden gepaard, omdat de oudere leerlingen me steeds wegjoegen, wat door mijn koppigheid meestal uitliep op een behoorlijke afranseling. Zingen het in het koor was mijn grootste genoegen. Dezelfde, als niet ergere, dingen gebeurden tijdens mijn verblijf in St. Petersburg. Omdat mijn familie daar nu ook woonde kon ik op vrije dagen met verlof. Er werd een leraar aangesteld (voor zover ik me herinner op aanraden van C. A. Cui, de beroemde componist, een vroegere collega van mijn vader op de ingenieursacademie) die geen goede pianist bleek te zijn – we waren naÔef op zijn naam afgegaan (Stoeneev, de familie van Glinka's vrouw) – maar me warm maakte voor vierhandig spel, wat, inderdaad, ten koste ging van de meer theoretische studie. Het aanstellen van de leraar had als treurig gevolg dat ik de piano's van het korps bijna niet meer kon gebruiken; die waren altijd gereserveerd door andere leerlingen, hoewel die vaak verstek lieten gaan, waar ik dan ook gebruik van probeerde te maken. Ook de schoolleiding joeg me op, wat een brandend gevoel van haat bij me losmaakte. In de zomer werden in de Montplaisirtuin (op het Apothekerseiland, niet ver van waar wij woonden) regelmatig symfonische concerten gegeven, niet 's avonds echter, maar overdag, waardoor ik er gemakkelijk heen kon gaan. Wie er speelde en wat ze speelden weet ik helemaal niet meer, maar het resultaat was dat ik viool begon te leren spelen.

Hierdoor kon ik mij in de herfst al inschrijven voor het symfonieorkest van het korps, waar ik weliswaar niet verder kwam dan tweede viool, want ik besteedde meer aandacht aan de piano, maar toch in aanraking kwam met samenspel en met wat symfonische muziek. Wat ik me herinner: de ouverture uit 'Die EntfŁhrung aus dem Serail' van Mozart (waarvoor men mij, dankzij mijn ritmische standvastigheid, de triangelpartij had toegewezen – die klinkt zoals bekend in deze ouverture bijna onophoudelijk), vervolgens Haydns symfonie in D-groot (waarvan ik de ontwikkeling het mooist vond), en tot slot arrangementen van wat stukken van Tsjajkovski en anderen. De leiding over het orkest had de componist en artillerie-officier N. I. Kazanli, die meestal dirigeerde met een stoelpoot, omdat hij in zijn razernij al zijn dirigeerstokjes had gebroken. Veel nut had het niet, maar in de volgende jaren van mijn verblijf bij het korps studeerde ik harmonieleer bij Kazanli. Dit deed ik waarschijnlijk vanwege een nog niet geheel geopenbaarde scheppingsdrang, in me opgeroepen door een paar krachtige muzikale indrukken. Mijn volwassen neef, die bij ons woonde, en aardig, maar ook aardig vals, viool speelde was lid van een van de vele Duitse amateurorkesten in St. Petersburg en had een enigszins ouderwets, maar niet verkeerd repertoire. Zaterdags door mijn neef meegezeuld bracht ik hele avonden luisterend naar symfonieŽn van Kalivoda en Onslow etc. door. Op een keer werd ik, luisterend naar Rossini's Wilhelm Tell-ouverture, verrast door de bekende fluitsolo aan het begin; en ik raakte helemaal van mijn stuk door de tweede symfonie van Beethoven, vooral het larghetto. Daarnaast werden er al symfonische concerten gegeven door het Russische Muziekgenootschap (ook op zaterdag), waar dezelfde neef me mee naartoe nam. Daar werd ik ontroerd door de Beethoven mis in D-groot. De laatste aanzet tot mijn muzikaal-scheppend streven was de verbluffende indruk die een concert van Arthur Nikisj maakte, waarop de toen al beroemde dirigent voor het eerst (in 1896), met buitengewone kracht, de zesde symfonie en de ballade 'Vojevoda' van Tjsajkovski uitvoerde.

Onder leiding van Stoeneev (en samen met enkele leeftijdsgenoten – wij waren uitzonderlijk gastvrij, om niet te zeggen vreemdelingvrij) schoot het, vanwege de uiterst onsystematische oefeningen, met mijn pianotechniek niet op, maar ik kreeg veel handigheid in bladmuziek lezen en speelde met meer zelfvertrouwen. We speelden met vier handen alle symfonieŽn en ouvertures van Haydn, Mozart, Beethoven (de negende lukte niet, nee), Von Weber, Mendelssohn, Schumann, stukken van Schubert enz. Met mijn neef durfde ik zelfs vioolsonates van Mozart en Beethoven te spelen, los van verschillende simpeler stukken. In die jaren verwierf ik een behoorlijke schat aan indrukken van de Duitse klassieken. Maar mijn eerste, behoorlijk gebrekkige, pogingen tot componeren (de lessen van Kazanli hielpen me niet echt vooruit) vertoonden trekken van de mij tot dusver niet nabije Chopin. Het einde van mijn kadettenopleiding in 1899 betekende zeer tegen mijn zin een militaire loopbaan – dat was een automatisme, en een traditie in onze familie en omgeving. Ik belandde op de naar haar aard minst militaire opleiding: die voor ingenieurs, die toen onder de zeer liberale leiding van de generaal-geschiedschrijver N. K. Schilder stond (hij dacht niet als een militair). Van alle militaire opleidingen die ik afgesloten heb is dit de enige waar ik zonder walging aan terugdenk. De reden daarvoor is dat ik hier veel betere muzieklessen kreeg en meer vrijheid had om mijn tijd in te delen. De opleiding werd altijd aangevuld met de beste studenten van de kadettenschool, zodat ze, behalve voor een groot aantal strebers en carriŤristen, ook als toevluchtsoord voor de intellectuele jeugd diende.


Ik kwam er in aanraking met een hele reeks muziekenthousiastelingen en een voor mij nieuwe muzikale stroming: het Machtige Hoopje. V. L. Modzalevski, de broer van de bekende Poesjkin-kenner, V. L. Hofman, de broer van een andere Poesjkin-kenner, en N. N. Soecharzjevski, een uitzonderlijk getalenteerde cellist (een leerling van Verzjbilovitsj) kwamen bij onze kompanie terecht. Hun familieleden waren eerder lid geweest. Anderen waren professionele muzikanten geworden. Borodin, Rimski-Korsakov, Balakirev, Moesorgski dienden mij ook als voorbeeld. Glinka kende ik al. Het lukte mij ook een andere pianoleraar te vinden, in de persoon van F. K. Petersen, die mijn techniek sterk verbeterde, maar helaas geen verre muzikale horizonten had. Nee, om te componeren had ik geen tijd. De studie op de ingenieursopleiding vereiste veel inzet, vooral in het derde, praktijkgerichte jaar. Maar mijn dorst was gewekt, en zodra ik de kans kreeg ontsnapte ik uit de gesloten onderwijsinstelling en nam ik dienst in Moskou. Ik begon manieren te zoeken om mijn muzikale bezigheden te hervatten, maar ik richtte mij al uitsluitend op compositie, omdat de ervaring die ik al met componeren had opgedaan mij, door mijn gegroeide muzikale ontwikkeling, duidelijk niet teleurgesteld had.

Ik schreef een naÔeve brief aan N. A. Rimski-Korsakov met het verzoek mij een docent in Moskou aan te bevelen. Tot mijn verbazing ontving ik een zeer hartelijk antwoord en het advies mij tot S. I. Tanejev te wenden, wiens adres hij mij zelfs gaf (ergens in de Mjortvyj-steeg). Het gevolg was dat ik na enige tijd bij S. I. Tanejev een werkelijk vreemde indruk op hem maakte omdat ik weigerde hem mijn muzikale wartaal te laten zien en op zijn aanraden leerling van P. M. GliŤre werd, bij wie ik gedurende een half jaar een hele cursus harmonieleer volgde. Mijn muzikale smaak in die tijd was aan de zeer progressieve kant. De meeste indruk op me maakte Rimski-Korsakovs 'Kasjtsjej de Onsterfelijke', in het Solodovnikovski-theater (nu een filiaal van het Bolsjoj) onder leiding van Ippolitov-Ivanov, met een uitzonderlijk ensemble zangers: Zabela, Petrova-Zvantseva, Vekov, Botsjarov en Osjoestovitsj.

Het volgende jaar, 1904, was ik al in St. Petersburg. GliŤre beval me aan bij zijn vriend I. I. Kryzjanovski (een van de oprichters van 'Avonden met hedendaagse muziek' en een leerling van Rimski-Korsakov), bij wie ik contrapunt, fuga, vorm en een beetje orkestratie studeerde. Als gevolg van die lessen en dankzij mijn terugkeer in de kring van mijn eerder achtergelaten vrienden, waar V. V. Jakovlev (de thans bekende scenarioschrijver) zich nog bij gevoegd had, en waar veel waardering was voor eigentijdse stromingen in de literatuur, de schilderkunst, etc, maakte ik mijn eerste serieuze muzikale werken: meerdere romances op teksten van Z. Gippius. Deze ervaring maakte mijn toenadering mogelijk tot de groep professionele muzikanten die bijeen kwam op de 'Avonden met hedendaagse muziek', al voelde ik me in die groep niet 'thuis', omdat ook toen een streven naar het 'laatste woord' in muzikale techniek en inventiviteit geen intrinsieke waarde had voor mij. In elk geval maakten de uiterst verbeten muzikale zoektocht en de zeer strenge beoordeling van hun voortbrengselen mij niet erg enthousiast en had ik nog steeds het gevoel een amateur te zijn en niet los te kunnen komen van de mij benauwende militaire dienst.

Sinds die tijd leverde ik met groeiende volharding strijd voor een muzikaal bestaan. Ik zette alles op alles om vrije tijd te hebben: ik bereidde me voor op toelating tot de juridische academie – wat me een geheel vrije zomer opleverde omdat het niet nodig was om vůůr de tentamens in de herfst toetsen af te leggen bij de afdelingsstaf (wat wel vereist werd voor toelating tot alle andere legeracademies). Die zomer schreef ik als een dolle sonates en romances. Bij de examens was ik natuurlijk 'ziek'. De volgende zomer moest ik vier maanden genezen van een darmcatarre. Die zomer besteedde ik om me gereed te maken voor het conservatorium, was ik vastbesloten was in de herfst heen te gaan, hoewel slechts als toehoorder voor zolang ik nog in militaire dienst was.

Begin 1907 was mijn dienstplicht voorbij (anderhalf jaar voor elk jaar onderwijs op de ingenieursschool) en ik meende dat er geen belemmeringen meer waren voor de verwezenlijking van mijn plannen; het eerste half jaar probeerde ik niet op te vallen, omdat ik er niet van overtuigd was dat de legerstaf zou waarderen dat ik een burgeropleiding ging doen die nog maar net haar zelfstandigheid had bevochten. Ik werd toegelaten op het conservatorium (niemand vroeg toestemming aan de legerstaf) hoewel ik bijna uitgegleden was over koorharmonisatie (een goed geschreven gemoduleerde prelude op een door Glazunov gegeven thema redde me), maar ik werd verplicht ook lessen in de harmonie te volgen (ik kwam in Ljadovs contrapuntklas).




(wordt vervolgd)


index

een onuitsprekelijk verdriet (osip mandelstam)

Een onuitsprekelijk verdriet
Ontzegelt haar enorme ogen,
Kristallen vazen op de togen –
Met bloemen vallen ze teniet.

De hele kamer is vervuld
Van loomte – heerlijke remedie!
Het is een godd'lijke komedie
Die 's nachts zich vaak aan ons onthult.

Een glaasje droge rode wijn,
Een vleugje zon in deze meimaand –
Een koekje breken in 't voorbijgaan
Haar vingers hagelwit en fijn.

index






-
-
-


-

-


Op alle teksten rust copyright